Ezechiël 8:7-12
Wij hebben hier de ontdekking van andere gruwelen, die te Jeruzalem bedreven worden en dat nog wel binnen de omtrek van de tempel.
I. Hoe deze ontdekking gedaan wordt. In zijn visioen brengt God Ezechiël tot de deur des voorhofs, van de buitensten hof, aan welks zijden de woningen van de priesters waren. God had hem in eens in de gebeelde binnenkameren kunnen brengen, maar Hij brengt hem er trapsgewijze, ten dele om hem zelf deze geheime ongerechtigheden te laten zoeken, en ten dele om hem te laten zien met hoeveel zorg en voorzichtigheid die afgodendienaars hun afgoderij verborgen. Voor de woningen van de priesters hadden zij een muur opgetrokken, om ze beter af te sluiten, opdat niet tedere voorbijganger ze kon opnemen- een duidelijk bewijs, dat zij iets deden, waarvoor zij zich schamen moesten. De boosdoener haat het licht. Zij wensten, dat al wie hen in Gods huis zag, hen niet in hun eigen huis zou zien, opdat men niet zou zien, dat zij zich zelf tegenspraken en in hun huis ongedaan maakten, wat zij in `t openbaar deden. Maar zie, een hol in de wand, vers 7, een kijkgat, waardoor te zien was, wat reden zou geven tot verdenking. Als huichelaars wegschuilen achter de muur van de uiterlijke belijdenis, en daarmee hun goddeloosheid menen te verbergen voor het oog van de wereld om hun plannen te beter uit te kunnen voeren, is het moeilijk voor hen het zo aan te leggen, dat er niet hier of daar een opening in de muur blijft iets dat hen verraadt, aan wie nauwlettend toeziet, dat zij niet zijn wat zij voorgeven te zijn. De oren van de ezel uit de fabel kwamen onder de leeuwehuid te voorschijn. Dit hol in de wand maakte Ezechiël wijder, en zie, een deur, vers 8. Door deze deur gaat hij in de schatkamer, of in de woningen van de priesters en ziet de boze gruwelen, die zij hier doen, vers 9. Die de heimelijke ongerechtigheid in anderen, of zichzelf, willen ontdekken, moeten met naarstigheid zoeken, want Satan heeft zijn listen, en diepten, en hulpmiddelen, waarmee wij niet onbekend behoren te zijn, en arglistig is het hart, meer dan enig ding, wij hebben er daarom belang bij het met de uiterste zorgvuldigheid te doorzoeken.
II. Wat er ontdekt wordt. Iets zeer droevigs.
1. Hij ziet een kamer, waarvan de wanden rondom vol van afgodische afbeeldingen zijn, vers 10 :Alle drekgoden van het huis Israëls, die zij van de naburige volken hadden overgenomen, waren geheel rondom aan de wand gemaakt, zelfs de laagste er van, alle beeltenis van kruipende dieren, die zij vereerden, en zelfs verfoeilijke beesten, die vergiftig en venijnig zijn, ten minste, zij waren verfoeilijk, als zij aangebeden werden. Het was een soort van pantheon, een verzameling van alle afgoden welke zij hulde bewezen. Hoewel de letter van het tweede gebod alleen gesneden beelden verbiedt, toch zijn geschilderde even slecht en even gevaarlijk.
2. Hij ziet deze kamer gevuld met afgodische vereerders, vers 11 :Er waren zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israëls, die wierook offerden aan deze geschilderde afgoden. Hier was een groot aantal afgodendienaars, die elkanders handen sterkten in hun goddeloosheid, hoewel het een particulier vertrek was, en de bijeenkomst zorgvuldig verborgen gehouden werd, toch nemen er zeventig mennen aan deel. Ik vrees, dat dit aantal veel groter was dan dat te Babel voor de profeet in zijn huis zat, vers 1. Er waren zeventig mannen, het getal van het grote Sanhedrin, of de voornaamste raad van het volk, en, naar wij reden hebben te vrezen, dezelfde mannen, want zij waren de oudsten van het huis Israëls, niet alleen in leeftijd, maar ook van die in `t bestuur waren die uit kracht van hun ambt, verplicht waren, de afgoderij tegen te gaan en te straffen, en alle beelden van bijgelovigen aard te vernietigen en uit te roeien, toch waren deze het, die ze in `t geheim vereerden, waardoor ze de godsdienst ondermijnden, die ze in `t openbaar beleden en bevorderden, alleen omdat zij daaraan hun voorrechten ontleenden. Zij hadden, een ieder zijn wierookvat in zijn hand, zo verzot waren zij op de afgodendienst, dat ieder zijn eigen priester wilde zijn, en zij waren zeer kwistig met hun wierook ter ere van deze afbeeldingen, want een overvloedige wolk des reukwerks ging op, die de kamer vervulde. O, dat de ijver van deze afgodendienaars de aanbidders van de ware God, in hun onverschilligheid tot Zijn dienst beschaamd mochten maken! De profeet lette in `t bijzonder op een, die hij kende, die in het midden van deze afgodendienaars stond, als hun hoofd, daar hij misschien juist voorzitter was van de grote raad of een voorganger in deze goddeloosheid. het was geen wonder, dat het volk verdorven was, als de oudsten het waren. De zonden van de voorgangers zijn voorgaande zonden.
III. Welke opmerking er bij gemaakt wordt, vers 12 : Mensenkind, hebt gij dit gezien? Had gij u voorgesteld, dat er zoveel goddeloosheid gepleegd werd? Hier wordt opgemerkt,
1. Dat het in de duisternis gedaan werd want zondige werken, zijn werken van de duisternis. Zij hielden het verborgen, om hun plaatsen, of ten minste hun goeden naam, niet te verliezen. Er is zeer veel geheime goddeloosheid in de wereld, die aan het licht gebracht zal worden door de dag van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.
2. Dat deze een afgodische kapel slechts een voorbeeld was van de vele andere. Hier kwamen zij bijeen om hun goden gezamenlijk te eren, maar het schijnt wel, dat een ieder zijn gebeelde binnenkamer had, een kamer in zijn eigen huis, hiervoor afgezonderd, waarin ieder zijn verbeelding de voldoening gaf van die afbeeldingen, waarin hij het meeste behagen had. Afgodendienaars hadden hun huisgoden, en hun huiselijke godsdienst ter ere van die, wat tot beschaming is van hen, die zich christenen noemen, en toch geen kerk bezoeken en in huis geen huiselijke godsdienstoefening houden. Zij hadden wel gebeelde binnenkameren, en zullen wij geen kamer ter aanbidding hebben?
3. Dat atheïsme de grond vormde van hun afgoderij. "Zij vereren beelden in de duisternis, de afgodsbeelden van andere volken, en zij zeggen: De Heere, de God van Israël, die wij moesten dienen, ziet ons niet. De Heere heeft het land verlaten, en wij kunnen kiezen welke god wij willen dienen."
a. Zij denken, dat zij buiten het bereik van Gods oog zijn: "Zij zeggen, de Heere ziet ons niet. Omdat de zaak zo geheim was, dat mensen die niet konden ontdekken, en niemand van hun buren hen verdacht van afgoderij, dat ze daarom verborgen was voor `t oog van God, "alsof er een duisternis is, of schaduw van de dood, dat aldaar de werkers van de ongerechtigheid zich verbergen mochten". Practisch ligt het ongeloof aan Gods alwetendheid op de bodem van onze verraderlijke afkeringen van Hem, maar ten opzichte van deze zelfde zonde van afgoderij, redeneert de kerk met recht als in Psalm 44:21, 22:"Zo wij de naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde god uitgebreid, zou God zulks niet onderzoeken?" Zonder twijfel zal Hij dat.
b. Zij denken, dat God zich niet meer om hen bekommert. "De Heere heeft het land verlaten, en bemoeit zich niet meer met de zaken ervan, " en dan kunnen wij iedere andere god even goed aanbidden als Hem. Of, Hij heeft ons land ten prooi gelaten aan Zijn vijanden, en daarom wordt het tijd voor ons naar een andere god uit te zien, aan wie wij onze bescherming kunnen opdragen. Onze enige God kan, of wil ons niet verlossen, laat ons daarom vele goden hebben. Dit was een lasterlijke aantijging tegen God, alsof Hij hen eerst verlaten had, anders zouden zij Hem niet verlaten hebben. Inderdaad dezulken zijn rijp voor het verderf, die tot zo'n hoogte van onbeschaamdheid gekomen zijn, dat zij de blaam van hun zonden op God leggen.