2 Kronieken 36:11-21
Wij hebben hier een bericht van de ondergang van het rijk van Juda en de verwoesting van de stad Jeruzalem door de Chaldeën. Abraham, Gods vriend, werd van uit dat land geroepen van Ur van de Chaldeën, toen God hem in verbond en gemeenschap met zich opnam, en nu wordt zijn ontaard zaad weer heengevoerd naar dat land, om aan te duiden dat zij al de vriendelijkheid verbeurd hadden, waarmee zij om de wille van hun vader bemind zijn geworden, alsmede de voorrechten van dat verbond, waartoe hij geroepen was, alles was nu ongedaan gemaakt. Hier hebben wij:
I. De zonden, die deze verwoesting over hen gebracht hebben.
1. Zedekia, de koning, in wiens dagen zij kwam, heeft haar door zijn eigen dwaasheid over zich gebracht. Want hij gedroeg zich zeer slecht, beide tegenover God en tegenover de koning van Babel.
a. Indien hij God slechts tot zijn vriend had gemaakt, dan zou dit de ondergang voorkomen hebben. Jeremia bracht hem boodschappen van God, die, zo hij er acht op had geslagen, de tijd van rust en vrede voor hem verlengd zouden hebben, maar er wordt hem hier te laste gelegd, dat hij zich niet verootmoedigde voor het aangezicht van de profeet Jeremia, vers 12.
Er werd verwacht dat deze machtige vorst, hoog als hij was, zich zou verootmoedigen voor een armen profeet als hij sprak uit de mond des Heeren, zich zou onderwerpen aan zijn vermaningen, en er door verbeterd zou worden, zou luisteren naar zijn raad, en er zich door zou laten leiden, zich zou stellen onder de gebiedende macht van het woord Gods in zijn mond.
Omdat hij zich niet aldus tot een dienstknecht van God wilde maken, wordt hij tot een slaaf gemaakt van zijn vijanden. God zal wel een middel vinden om hen te vernederen, die zich niet willen verootmoedigen.
Als profeet was Jeremia gesteld over volken en koninkrijken, Jeremia 1:10, en hoe gering zijn uiterlijk aanzien ook was wie zich niet voor hem wilde verootmoedigen, bevond dat dit op zijn gevaar was.
b. Indien hij slechts trouw ware gebleven aan zijn verbond met de koning van Babel, dan zou dit zijn verderf voorkomen hebben, maar hij werd afvallig tegen hem, hoewel hij gezworen had zijn getrouwe schatplichtige te zijn, en trouwelooslijk heeft hij zijn verbintenis verbroken, vers 13. Dat was het wat de koning van Babel er toe bracht om zo streng met hem te handelen als hij gedaan heeft. Alle volken houden de eed heilig, en diegenen, die zich aan de verplichtingen er van onttrokken, beschouwde men als de slechtsten van de mensen, verlaten door God, terwijl het gehele mensdom hen verafschuwde. Indien dus Zedekia zijn eed schond, terwijl hij: "zie, zijn hand gegeven heeft, dan zal hij niet ontkomen", Ezechiël 17:18.
Ofschoon Nebukadnezar een heiden, een vijand was, zal hij toch, zo hij hem gezworen hebbende ontrouw wordt, zijn eed breekt, weten dat er een God is, wie de wraak toekomt. Wat Zedekia in het verderf heeft gestort, was niet alleen dat hij zich niet bekeerde tot de Heere de God Israels, maar dat hij zijn nek verhardde en zijn hart verstokte, dat hij zich niet bekeerde tot de Heere, de God Israëls, dat is, dat hij hardnekkig besloot niet tot Hem weer te keren, zijn hals niet onder Gods juk wilde leggen, noch zijn hart onder de indrukken van Zijn woord, en zo wilde hij zich niet laten genezen, wilde hij niet leven.
2. De grote zonde, die deze verwoesting over hem bracht, was afgoderij. De priesters en het volk deden naar alle gruwelen van de heidenen, verlieten de reine aanbidding Gods voor de ontuchtige gebruiken van het heidense bijgeloof en aldus verontreinigden zij het huis des Heeren, vers 14.
De priesters, de oversten van de priesters, die afgoderij hadden moeten tegengaan, waren er de aanvoerders in. Die plaats is niet ver van het verderf, waarin de Godsdienst alreeds verdorven is.
3. De grote verzwaring van hun schuld, en wat de maat vol deed worden was hun mishandelen van Gods profeten, die gezonden waren om hen tot bekering te roepen, vers 15,16. Waar ons:
A. Gods barmhartigheid getoond wordt in Zijn zenden van profeten tot hen. Omdat Hij de God was hunner vaderen, in verbond met hen, en die zij hebben aangebeden (hoewel dit ontaarde geslacht Hem had verlaten), zond Hij tot hen door de hand van Zijn boden, om hen te overtuigen van hun zonde en hen te waarschuwen voor het verderf dat zij over zich gingen brengen, "vroeg op zijnde om die te zenden", hetgeen te kennen geeft, niet alleen dat Hij het met de grootst mogelijke zorg en belangstelling deed, zoals de mensen vroeg opstaan om hun dienstboden aan het werk te zetten, als hun hart gezet is op hun werk maar dat God, op hun eerste afwijking van Hem tot de afgoden, onmiddellijk Zijn boden tot hen zond om hen er voor te bestraffen, Hij gaf hun vroeg, intijds, kennis beide van hun plicht en van hun gevaar.
Laat dit ons opwekken om God vroeg te zoeken, dat Hij vroeg opstaat om tot ons te zenden. De profeten, die gezonden werden, stonden vroeg op om tot hen te spreken, waren ijverig en trouw in hun ambt lieten geen tijd verloren gaan, verzuimden geen gelegenheid om tot hen te spreken, en daarom wordt God gezegd vroeg op te staan. Hoe meer moeite de leraren zich geven voor hun arbeid, hoe meer de gemeente te verantwoorden zal hebben, zo het alles vergeefs is.
De reden, die opgegeven is, waarom God aldus door Zijn profeten met hen twistte, is omdat Hij medelijden had met Zijn volk en Zijn woning, vers 15, en hierdoor hun verderf had willen voorkomen. Gods methodes om zondaren van hun bozen weg terug te brengen, door leraren, door Zijn woord, door het geweten, door de leidingen van Zijn voorzienigheid, zijn allen blijken en voorbeelden van Zijn ontferming over hen, blijken en bewijzen ook dat Hij niet wil dat iemand verloren ga, maar dat allen tot bekering zullen komen.
B. Hun laag en onoprecht gedrag tegenover God, vers 16. Zij spotten met de boden Gods-dat een grove belediging was van Hem, die hen zond-verachtten Zijn woord in hun mond, en dat niet alleen, maar zij behandelden hen als hun vijanden.
Hun mishandeling van Jeremia, die in die tijd leefde, en waarvan wij zoveel lezen in het boek van zijn profetie, is hier een voorbeeld van. Dit was een blijk van een onverzoenlijke vijandschap tegen God en een onwrikbaar besluit om te volharden in hun zonden. Dit bracht toorn over hen, waaraan geen helen was, want zij zondigden tegen het geneesmiddel. Niets is meer God tergend dan Zijn getrouwe dienstknechten te mishandelen, want wat tegen hen gedaan wordt beschouwt Hij als gedaan tegen Hemzelf.
"Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?" Vervolging was de zonde die de laatste verwoesting over Jeruzalem heeft gebracht door de Romeinen, Zie Mattheus 23:34-37.
Zij, die met Gods getrouwe dienstknechten spotten, en alles doen wat zij kunnen om hen veracht en gehaat te maken, die hen kwellen en mishandelen, om hen te ontmoedigen en anderen te weerhouden van naar hen te luisteren moeten er aan herinnerd worden dat een onrecht, dat aan een gezant wordt aangedaan, opgenomen wordt als aangedaan aan de vorst, die hem gezonden heeft, en dat de dag komt, wanneer zij zullen bevinden dat het hun beter ware geweest, als zij met een molensteen aan hun hals in de diepte van de zee waren geworpen, want de hel is dieper en nog vreeslijker.
II. De verwoesting zelf, en enkele bijzonderheden ervan, die wij uitvoeriger in 2 Koningen 25 gehad hebben.
1. Zeer velen werden gedood met het zwaard, zelfs in het huis huns heiligdoms, vers 17, waar zij de toevlucht hadden genomen, hopende dat de heiligheid van de plaats hun bescherming zou zijn, maar hoe konden zij dit verwachten, nu zij het zelf met hun gruwelen hadden verontreinigd? vers 14.
Zij, die de heerschappij van hun Godsdienst van zich afwerpen, verbeuren er alle weldaden en vertroosting van. De Chaldeën hebben niet alleen geen eerbied betoond voor het heiligdom, maar ook geen natuurlijk medelijden, hetzij voor de tedere kunne of voor de eerwaardige grijsheid. Zij hebben God verlaten, die mededogen met hen had, vers 15 en wilden niets met Hem van doen hebben, rechtvaardiglijk zijn zij nu dan overgegeven in de handen van wreedaardige mensen, die noch maagden noch jongelingen verschoonden.
2. Al de overgebleven vaten van de tempel, grote en kleine, en al de schatten, heilige en wereldlijke, de schatten van Gods huis en die van de koning en zijn vorsten, werden genomen, en naar Babel gebracht, vers 18.
3. De tempel werd verbrand, de muren van Jeruzalem werden afgebroken, de huizen-hier, evenals in Psalm 48:4 paleizen genoemd, omdat zij zo statig, rijk en prachtig waren-in de as gelegd, en al de meubelen, hier kostelijke vaten genoemd, "verdorven", vers 19..
Laat ons hier zien welk een treurige verwoesting door de zonde werd aangericht, en, zo wij het genot en de voortduur van onze bezittingen op prijs stellen, zo laat ons die worm uit de wortel ervan weren.
4. Het overblijfsel des volks, dat aan het zwaard was ontkomen, werd gevankelijk naar Babel heengevoerd, vers 20,, verarmd, tot slavernij gedoemd, beledigd, en blootgesteld aan alle ellende, niet alleen van een vreemden barbaars land, maar van eens vijands land, waar zij, die hen haatten, over hen heersten. Zij waren dienstknechten van deze monarchen, en werden ongetwijfeld met strengheid geregeerd, zolang die monarchie in stand bleef. Nu zaten zij aan de rivieren van Babel, met werker wateren zij hun tranen vermengden, Psalm 137:1. En hoewel zij daar genezen werden van afgoderij, waren zij, gelijk blijkt uit sommige gezegden van de profeet Ezechiël, er nog niet van genezen om met de profeten te spotten.
5. Het land lag woest terwijl zij in Babel gevangen waren, vers 21.. Dat vruchtbare land, de roem van alle landen, was nu in een woestijn verkeerd, niet bewerkt, niet bebouwd. De weidevelden waren niet, zoals zij plachten bedekt met kudden, noch de dalen met koren, alles lag verwaarloosd en veronachtzaamd. Nu kan dit beschouwd worden:
a. Als de rechtvaardige straf voor hun vroeger misbruik ervan. Zij hadden Baäl gediend met de vruchten, vervloekt is dus het aardrijk om hunnentwil. Nu heeft het land een welgevallen aan zijn sabbatten, vers 21, zoals God door Mozes gedreigd had, Leviticus 26:34, en de reden, daar er voor gegeven, vers 35, is: "overmits het niet rustte in uw sabbatten, gij de sabbat ontheiligd, het sabbatjaar niet waargenomen hebt."
Menigmaal hebben zij geploegd en gezaaid in het zevende jaar, toen het land had behoren te rusten, en nu lag het gedurende tien maal zeven jaren onbeploegd en onbezaaid.
God zal in het einde door ongehoorzaamheid van de mensen niets van Zijn eer en heerlijkheid verliezen, indien de schatting niet betaald wordt, dan zal Hij beslag leggen en haar wel weten te innen, zoals Hij zegt in Hosea 2:8.
"Ik zal wederkomen en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetter tijd, en Ik zal wegrukken Mijne wol en Mijn vlas". Indien zij het land niet wilden laten rusten, dan zal God het doen rusten, of zij het willen of niet.
Sommigen denken dat zij over het geheel zeventig maal het sabbatjaar hadden veronachtzaamd, en juist even zoveel jaren echter elkaar genoot het land nu rust, of indien de veronachtzaamde sabbatjaren minder in aantal waren, dan was het voegzaam dat aan de eis van de wet met interest voldaan zou worden.
Wij bevinden dat God in die tijd nog een anderen twist met hen had wegens hun niet nakomen van een wet, die ook betrekking had op het zevende jaar, namelijk de vrijlating van dienstknechten, zie Jeremia 34:1-3 en verv..
b. Maar wij kunnen het ook beschouwen als een aanmoediging voor hen om te hopen dat zij er ter bestemder tijd toe zullen terugkeren. Indien anderen gekomen waren om er bezit van te nemen, zij zouden er aan gewanhoopt kunnen hebben dat het ooit weer in hun bezit zou komen, maar zolang het woest lag, lag het, als het ware, op hen te wachten, en weigerde het andere eigenaars te erkennen.