4. En Mijn oog zal u niet verschonen (
Hoofdstuk 5:11.
Deuteronomium 13:8;
19:13 Ik zal niet sparen; maar Ik zal uwe wegen op u brengen 1) u doen toekomen naar uwe verdiensten, en uwe gruwelen, die gij bedreven hebt, zullen in het midden van u zijn, gij zult de straffen ondergaan, die zij u hebben berokkend, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben (
Hoofdstuk 6:7).
1) Dit is: Ik zal u vergelden naar uw misdaden. Wij zien dus dat de misdaden des volks, afzonderlijk zijn gesteld en als het ware op hen gelegen hebben, zolang God hen gespaard heeft. Nu ook wijst Hij aan: dat zij geen reden hebben om te twisten of te klagen, dewijl hij slechts hun ongerechtigheid hier te voorschijn roept, welke zij tegen Hem hebben bedreven. Vervolgens verwijt Hij hun al te grote zorgeloosheid, dewijl zij niet tot bekering konden geleid worden, wanneer God hun misdaden droeg en duldde.
Wij hebben in dit hoofdstuk een Oud-Testamentisch voorbeeld voor ons van het ontzettende Dies irae, dies illa (dag van toorn, dag van schrik), den zogenaamden Giganten-Hymnus (Zefanja 1:14). Wat Fr. v. Meyer over het laatste zegt, kan ook van dit hoofdstuk van onzen Profeet worden gezegd: "met den gevoelloze, die het zonder schrik kan lezen en zonder ontroering kan horen, zou ik niet gaarne onder één dak willen wonen. " .
Zal de zondaar niet uit de bedwelming zijner lusten wakker schrikken voor het eerste en laatste woord der meest zekere profetie: het einde komt, het einde komt? .