Handelingen 14:8-18
In deze verzen hebben wij:
I. Ene wonderdadige genezing, door Paulus te Lystra gewerkt op een kreupele, die dit van zijne geboorte af geweest is, zoals de kreupele, die wonderdadig door Petrus en Johannes genezen werd, Hoofdstuk 3:2. Die genezing heeft het Evangelie ingeleid onder de Joden, deze, onder de Heidenen, beide genezingen waren bedoeld om de onmacht voor te stellen van al de kinderen der mensen ten opzichte van geestelijke zaken, zij zijn kreupel van hun geboorte aan, totdat Gods genade kracht in hen legt, want het was toen wij nog krachteloos waren, dat Christus voor de goddelozen gestorven is, Romeinen 5:6. Merk hier op:
1. Den treurigen toestand van een kreupele, vers 8. Hij was onmachtig aan de voeten. en dat wel in zulk ene mate, dat hij bij gene mogelijkheid een voet op den grond kon zetten. Het was wel bekend, dat hij van zijner moeders lijf aldus geweest was, dat hij nooit had gewandeld, en niet staan kon. Dat moet ons ene aanleiding zijn om God te danken, dat wij het gebruik onzer ledematen hebben, en zij, die er van beroofd zijn, kunnen opmerken, dat zij niet alleen zodanige beproeving hebben te dragen.
2. De verwachting, die in hem werd opgewekt van genezen te zullen worden, vers 9. Hij hoorde Paulus prediken, en was waarschijnlijk diep getroffen door hetgeen hij had gehoord. Hij geloofde, dat het ene boodschap was des hem els, en dat de boodschappers, van dáár gezonden zijnde, met ene Goddelijke kracht begiftigd waren, en dus in staat waren hem te genezen. Dit bemerkte Paulus door de gave der onderscheiding, die hem geschonken was, en wellicht heeft dit ook de uitdrukking van zijn gelaat getoond: Paulus, ziende, dat hij geloof had om gezond te worden, dat hij het begeerde, het hoopte, het in zijne gedachten had, hetgeen niet bleek in den man, die door Petrus genezen werd, want deze verwachtte slechts ene aalmoes te ontvangen. Er werd in Israël zo groot een geloof niet gevonden, als onder de Heidenen, Mattheus 8:10.
3. De genezing gewrocht. Paulus, ziende dat hij geloof had om gezond te worden, bracht het woord, en heelde hem, Psalm 107:20. God zal de wensen en begeerten niet teleurstellen, die Hij zelf heeft opgewekt, evenmin als de hoop, die Hij zelf heeft doen ontstaan. Paulus sprak met ene grote stem, hetzij omdat hij op enigen afstand van hem was, of wel om te tonen, dat ware wonderen, gewrocht door de macht van Christus, zeer ongelijk waren aan de wonderen der leugen, gedaan door bedriegers, die daar piepen en binnensmonds mompelen, Jesaja 8:19. God zegt: Ik heb niet in het verborgene gesproken in ene donkere plaats der aarde, Jesaja 45:19. Paulus sprak tot hem met ene grote stem, opdat de omstanders er op zouden letten, en hun verwachting van de uitwerking opgewekt zou worden. Het blijkt niet, dat deze kreupele een bedelaar was, in vers 8 wordt gezegd, dat hij zat, niet dat hij zat en bedelde. Maar wij kunnen ons voorstellen, hoe treurig het voor hem was, om andere mensen om hem heen te zien lopen en wandelen, terwijl hij zelf daartoe niet in staat was, en hoe welkom hem dus het woord van Paulus was: "Sta recht op uwe voeten, help u zelven, en God zal u helpen, beproef eens of gij kracht hebt, en gij zult bevinden, dat gij haar hebt." In sommige handschriften vinden wij de lezing: Ik zeg u in den naam van den Heere Jezus Christus: Sta recht op uwe voeten. Zeker is het, dat dit bedoeld is, en zeer waarschijnlijk door Paulus ook gezegd werd, en er ging kracht uit met dit woord, want terstond sprong hij op en wandelde, sprong op van de plaats, waar hij zat, en stond niet slechts recht op, maar, om te tonen, dat hij volkomen, en op het eigen ogenblik genezen was, heeft hij voor aller ogen heen en weer gewandeld. Hierin is de Schrift vervuld, dat wanneer de wildernis der Heidenwereld zal bloeien als ene roos, de kreupele springen zal als een hert, Jesaja 35:1, 6. Zij, die door Gods genade genezen zijn van hun geestelijke lamheid, moeten het tonen door op te springen van heilige vreugde, en door een heiligen, Godzaligen wandel.
II. Den indruk, door deze genezing teweeggebracht op het volk. Zij stonden verbaasd, hadden nooit iets dergelijks gezien of gehoord, en geraakten in ene vervoering van bewondering. Paulus en Barnabas waren vreemdelingen, ballingen, die als vluchtelingen in hun land waren gekomen: alles werkte dus mede om hen gering en verachtelijk te doen schijnen, en toch was dit ene wonder, door hen gewrocht, genoeg om hen in de ogen des volks groot en eerbiedwaardig te maken, hoewel de ganse menigte van Christus' wonderen Hem niet kon beschutten tegen de uiterste minachting der Joden. Wij zien hier:
1. Dat het volk hen voor goden houdt, vers 11. Zij verhieven hun stemmen, als in triomf, zeggende in hun eigene taal, (want het was het gewone volk, dat dit zei), in het Lycaonisch, dat een dialect was van het Grieks: De goden zijn den mensen gelijk geworden en tot ons neergekomen. Zij verbeeldden zich, dat zij van uit de wolken tot hen neergekomen waren, dat zij goden waren in de gedaante van mensen. Dit denkbeeld der zaak kwam goed overeen met de Heidense godenleer, en de fabelachtige verhalen van het bezoek, dat hun goden soms in deze lagere wereld brachten, en het maakte hen fier te denken, dat zij nu met zulk een bezoek verwaardigd zijn geworden. Zo ver gingen zij met dit denkbeeld, dat zij meenden te kunnen zeggen wie van hun goden het waren, overeenkomstig de ideeën, die hun dichters hun van goden hadden gegeven, vers 12. Zij noemden Barnabas Jupiter: want als zij hem voor een god houden, dat kunnen zij hem ook evengoed voor den oppersten god houden. Waarschijnlijk was hij de oudste en had hij iets waardigs en majestueus in voorkomen en gelaat. En Paulus noemden zij Mercurius, die de bode der goden was, en op hun boodschappen werd uitgezonden, want hoewel Paulus het statige voorkomen niet had van Barnabas, was hij toch de woordvoerder, de voornaamste spreker, en had hij iets vlugs en levendigs over zich. Jupiter placht Mercurius mede te nemen, zeiden zij, en als hij een bezoek wil brengen aan hun stad, dan onderstellen zij, dat hij dit nu ook gedaan heeft.
2. Hierop maakte de priester toebereidselen om hun te offeren, vers 13. De tempel van Jupiter schijnt voor hun stadspoort geweest te zijn, als haar wachter en beschermer, en de priester van dien afgod en tempel het geroep des volks horende, begreep terstond dien wenk, en dacht, dat het tijd was om zijn plicht te gaan doen. Menige kostbare offerande had hij aan het beeld van Jupiter gebracht, maar als Jupiter zelf in eigen persoon -onder hen is gekomen, dan betaamt het den priester om hem de meest denkbare eer aan te doen, en het volk is bereid om zich hierin met hem te verenigen. Zie hoe gemakkelijk mensen van een oppervlakkigen geest zich door het geroep des volks laten meeslepen! Als het volk roept: Jupiter is hier, zal de priester van Jupiter den wenk zonder aarzelen opvolgen, en terstond zijne diensten aanbieden! Toen Christus, de Zoon van God, op aarde is gekomen, en den mensen gelijk is geworden, en vele, zeer vele wonderen gedaan heeft, was het zo verre van hen om Hem offerande te brengen, dat zij Hem het slachtoffer hebben gemaakt van hun hoogmoed en boosaardigheid. Hij was in de wereld, en de wereld heeft Hem niet gekend, Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen, maar Paulus en Barnabas worden, nadat zij een enkel wonder gedaan hebben, terstond vergood. Dezelfde kracht van den god dezer wereld, die het vleselijk gezinde hart bevooroordeeld tegen de waarheid, doet dwalingen en vergissingen gemakkelijk ingang vinden, en op beiderlei wijze worden zijne belangen gediend. Zij brachten ossen om hun geofferd te worden, en kransen, om er de offers mede te kronen. Deze kransen waren vervaardigd van bloemen en linten, en de horens der ossen, die geofferd moesten worden, werden verguld. Victimæ ad supplicium saginantur, hostiæ ad poenam coronantur Zo zal men dieren ter offerande voeden, Eerst worden zij gekroond, om daarna te bloeden.
III. Paulus en Barnabas protesteren tegen dezen ongepasten eerbied, die hun wordt betoond, en het kost hun veel moeite om het te voorkomen. Velen van de Heidense keizers hebben zich goden genoemd, en waren er trots op als hun goddelijke ere werd bewezen, maar Christus' dienstknechten, hoewel zij wezenlijke weldoeners der mensheid waren, terwijl de keizers slechts voorgaven dit te zijn, hebben deze eer afgewezen, toen men hun die wilde brengen. Het is dus gemakkelijk te zeggen wiens opvolger hij is, die in den tempel Gods zit, zich zelven vertonende, dat hij God is, 2 Thessalonicenzen 2:4, en die aangebeden wordt als onzen heere god, den paus. Let op:
1. De heilige verontwaardiging, waarmee Paulus en Barnabas hierop vervuld werden.
Dat horende, scheurden zij hun klederen. Wij bevinden niet, dat zij hun klederen scheurden, toen het volk hen gekrenkt en vernederd heeft, en er van sprak hen te stenigen. Dat konden zij dragen zonder ontroerd te worden, maar toen het volk hen vergoodde, en er van sprak hen te aanbidden, konden zij dit niet dragen, maar scheurden hun klederen, daar hun de ere Gods meer ter harte ging dan hun eigene eer.
2. De moeite, die zij deden, om het te voorkomen. Zij hebben het niet oogluikend toegelaten, zij hebben niet gezegd: "Indien de mensen bedrogen willen zijn, laat hen bedrogen zijn ", en nog veel minder het denkbeeld geopperd voor zich zelven en aan elkaar, dat het kon bijdragen tot de veiligheid van hun persoon en den voorspoed hunner prediking, om het volk in die dwaling te laten blijven, en er dus uit dit kwaad goed zou kunnen voortkomen. Neen, Gods waarheid heeft de leugen des mensen niet nodig. Christus had hun genoeg ere aangedaan door hen tot apostelen te stellen, zij behoefden dus noch de ere van vorsten, noch de ere van goden aan te nemen. Zij verschenen met veel luisterijker titel, toen zij de gezanten van Christus werden genoemd en uitdelers der verborgenheden Gods, dan toen zij Jupiter en Mercurius genoemd werden. Laat ons zien hoe zij dit voorkwamen:
A. Zodra zij dit hoorden, sprongen zij onder de scharen, en wilden zelfs geen ogenblik wachten om te zien, wat het volk doen zou. Hun lopen onder het volk, als dienstknechten, toonde, dat het verre van hen was om zich als goden te beschouwen, of zich voornaam voor te doen. Zij zijn niet stil blijven staan in de verwachting dat hun eer zou worden aangedaan, maar wezen die ere duidelijk en beslist af door zich onder de menigte te begeven. Zij sprongen onder de schare als mannen wie het ernst is, met even angstvolle bezorgdheid als waarmee Aäron liep in het midden der gemeente, toen de plaag had aangevangen, en hij stond tussen de levenden en de doden.
B. Zij redeneren met hen, roepende, opdat allen het zouden horen: "Mannen, waarom doet gij deze dingen? Waarom gaat gij goden van ons maken? Gij kunt niets doen, dat zo ongerijmd is, want,
a. Onze natuur laat dit niet toe, wij zijn ook mensen van gelijke beweging als gij" -homoiopatheis: het is hetzelfde woord, gebruikt met betrekking tot Elias, Jakobus 5:17, waar wij het overzetten door onderhevig aan dezelfde hartstochten als wij. "Wij zijn mensen, en daarom doet gij uzelven onrecht, als gij datgene van ons verwacht, dat alleen van God te verkrijgen is, en gij doet onrecht aan God, indien gij aan ons, of aan enigen anderen mens, de ere geeft, die alleen aan God toekomt. Wij hebben niet alleen zulke lichamen, als gij ziet, dat wij hebben, maar wij zijn van gelijke bewegingen als gij, ons hart is geformeerd gelijk als dat van andere mensen, Psalm 33:15, want, gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens, Spreuken 27:19. Wij zijn van nature onderhevig aan dezelfde zwakheid van de menselijke natuur, blootgesteld aan dezelfde rampen van het menselijk leven, wij zijn niet slechts mensen, maar zondige mensen, en lijdende mensen, en daarom willen wij niet vergood worden.
b. "Onze leer druist er tegen in. Moeten wij nog gevoegd worden bij het getal uwer goden, wij, wier taak het is, de goden, die gij hebt, af te schaffen? Wij verkondigen ulieden, dat gij u van deze ijdele dingen zoudt bekeren tot den levenden God. Indien wij dit toelieten, wij zouden u bevestigen in hetgeen waarvan wij wensen, dat gij u zult bekeren." En zo grijpen zij deze gelegenheid aan om hun te tonen, hoe recht en noodzakelijk het was, dat zij zich van de afgoden tot God zouden bekeren, 1 Thessalonicenzen 1:9. Toen zij predikten tot de Joden, die afgoderij haatten, hadden zij niets anders te doen, dan hun de genade Gods in Christus te verkondigen, en behoefden zij niet, zoals de profeten, die met hun vaderen handelden, tegen afgoderij te prediken. Maar als zij te doen hadden met Heidenen, dan moeten zij hun vergissingen in den natuurlijken Godsdienst herstellen, en hen van het grove bederf er van afbrengen. Zie hier wat zij den Heidenen gepredikt hebben: Ten eerste. Dat de goden, die zij en hun vaderen aanbaden, en al de plechtigheden, waarmee die aanbidding gepaard gaat, ijdelheden zijn, ijdele, onredelijke, onnutte dingen, waarvoor geen redelijke grond aangegeven kan worden, en waar geen werkelijk nut of voordeel van te verkrijgen is. Afgoden worden in het Oude Testament dikwijls ijdelheden genoemd, Deuteronomium 32:21, 1 Koningen 16:13, Jeremia 14:22.
Een afgod is niets in de wereld, 1 Corinthiërs 8:4. Hij is volstrekt niet, wat men hem beweert te zijn, hij is bedrog, een namaaksel, hij bedriegt hen, die er op vertrouwen, en er hulp van verwachten. Bekeert u van deze ijdelheden, wendt er u met afschuw van af, zoals Efraïm gedaan heeft, Hosea 14:9. Wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik zal mij nooit meer aldus laten bedriegen." Ten tweede. Dat de God, tot wie zij wensen, dat zij zich zullen bekeren, de levende God is. Tot nu toe hadden zij dode beelden aangebeden, die volstrekt onmachtig waren hen te helpen, Jesaja 44:9, of, (zoals zij nu poogden te doen) sterfelijke mensen, die weldra onbekwaam zouden zijn om hen te helpen, maar nu worden zij bewogen om een levenden God te aanbidden, die leven heeft in zich zelven, leven heeft voor ons, en eeuwig leeft.
Ten derde. Dat deze God de Schepper is der wereld, de Fontein van alle zijn en van alle macht, Hij heeft gemaakt den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is, zelfs die dingen, welke gij als goden aanbidt, zodat Hij de God is van uwe goden. Gij aanbidt goden, die gij gemaakt hebt, de schepselen van uwe verbeelding, van uw vernuft en het werk uwer handen, wij roepen u om den God te aanbidden, die u en geheel de wereldgemaakt heeft, aanbidt den waren God, en bedriegt uzelven niet met voorgewende goden, aanbidt den vrijmachtigen Heere van allen, en verlaagt u niet door u te buigen voor Zijne schepselen en onderdanen.
Ten vierde. Dat de wereld het Zijner lankmoedigheid verschuldigd is, dat Hij haar niet reeds voor lang wegens deze afgoderij vernietigd heeft, vers 16. In de verledene tijden, gedurende vele eeuwen tot op dezen dag, heeft Hij alle de Heidenen laten wandelen in hun wegen. Deze afgodendienaars, die van den dienst van andere goden geroepen waren, zouden kunnen denken: "Hebben wij niet tot nu toe deze goden gediend, en hebben onze vaderen hen niet sedert onheuglijke tijden gediend, waarom zouden wij dan niet voort mogen gaan met hen te dienen?" "Neen, uw dienen van hen was ene op de proefstelling van Gods geduld, en het was een wonder van barmhartigheid, dat gij er niet om afgesneden werd. Maar hoewel Hij u deswege niet heeft uitgedelgd, omdat gij in onwetendheid waart, en niet beter wist, Hoofdstuk 17:30, zal Hij, nu Hij Zijn Evangelie in de wereld gezonden heeft, en hierdoor zich zelven duidelijk geopenbaard en Zijn wil bekend gemaakt heeft aan alle volken, en niet alleen aan de Joden, u echter, indien gij nu nog volhardt in uwe afgoderij, niet langer verdragen." Alle volken, die het voorrecht niet hebben gehad van ene Goddelijke openbaring, dat is: alle volken, behalve de Joden, heeft Hij laten wandelen in hun wegen, want er was niets om hen te weerhouden dan hun eigen geweten, hun eigene gedachten, Romeinen 2:15. Zij hadden gene Schriften, gene profeten, en toen waren zij te verontschuldigen, dat zij zich vergisten in den weg. Maar nu God ene openbaring in de wereld gezonden heeft, die aan alle volken bekend gemaakt moet worden, is de zaak veranderd. Wij kunnen het beschouwen als een oordeel over de Heidenen, dat God hen heeft laten wandelen in hun wegen, aan het goeddunken van hun hart heeft overgelaten, maar nu is de tijd gekomen, dat het bedeksel, waarmee alle natiën bedekt zijn, zal weggenomen worden, Jesaja 25:7, en nu zult gij niet langer verontschuldigd worden in deze ijdelheden, maar moet gij er u van bekeren, er u van afwenden. Gods lankmoedigheid over ons tot nu toe moet ons tot bekering brengen, maar ons niet aanmoedigen om er verder op te vertrouwen, terwijl wij voortgaan met Hem tot toorn te verwekken. Dat wij kwaad gedaan hebben toen wij nog onwetend waren, zal ons niet verontschuldigen, als wij kwaad doen wanneer wij beter weten.
1. De weldaden van de algemene voorzíenigheíd Gods betuigen ons, dat er een God is, want zij worden allen wijselijk uitgedeeld. De regen en vruchtbare tijden komen niet bij geval, en geen van de ijdelheden der Heidenen kan regen geven, noch kan de hemel druppelen geven, Jeremia 14:22. Alle de krachten der natuur getuigen van ene soevereine kracht in den God der natuur, van wie zij komen, en van wie zij afhankelijk zijn. Het is niet de hemel, die ons regen geeft, maar God, die ons regen geeft van den hemel, Hij is de Vader van den regen Job 38:28.
2. Het voordeel, dat wij door deze weldaden ontvangen, betuigt ons, dat mij erkentelijkheid verschuldigd zijn, niet aan de schepselen, die ons dienstbaar gemaakt zijn, maar aan den Schepper, die ze ons dienstbaar gemaakt heeft, Hij heeft zich zelven niet onbetuigd gelaten goeddoende. God schijnt de voorbeelden van Zijne goedheid gewichtiger, krachtiger bewijzen te achten van Zijn recht op onze hulde en aanbidding, dan de blijken van Zijne grootheid, want Zijne goedheid is Zijne heerlijkheid. De aarde is vol van Zijne goedertierenheid, Zijne barmhartigheden zijn over al Zijne werken, en daarom zullen Zijne werken Hem loven, Psalm 145:9, 10. God doet ons goed door ons de lucht te behouden, waarin wij ademen, Zijne aarde, om er op te kunnen wandelen, het licht van Zijne zon, om er bij te kunnen zien, maar, omdat het duidelijkste, meest tastbare voorbeeld van de goedheid der voorzienigheid Gods jegens een iegelijk van ons in het bijzonder, de dagelijkse voorziening is van spijs en drank voor ons, legt de apostel hier den nadruk op, en toont aan hoe God ons goed doet.
a. Door ze voor ons te bereiden, en dat wel door ene lange reeks van oorzaken, die afhankelijk zijn van Hem als de Eerste Oorzaak. Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren, mitsgaders den most en de olie, en die zullen Jizreël verhoren, Hosea 2:21, 22. Hij doet ons goed door ons regen te geven van den hemel, regen voor ons om te drinken, want als er geen regen was, dan zouden er gene waterfonteinen zijn, en dan zouden wij weldra sterven van dorst: regen voor onze akkers om te drinken, want onze spijze, hebben wij van den regen, zowel als onzen drank, door ons dien te geven, geeft Hij ons vruchtbare tijden. Indíen de hemel is als ijzer, dan zal de aarde spoedig als koper zijn, Leviticus 26:19. Dat is de rivier Gods, die het land grotelijks verrijkt, en door haar bereidt God ons koren, Psalm 65:10, 11. Onder al de werkingen van Gods voorzienigheid hebben de Heidenen hun denkbeeld van den oppersten God bij voorkeur ontleend aan datgene, hetwelk van verschrikking spreekt, geschikt is om ons ontzag voor Hem in te boezemen, en dat was de donder, en daarom noemden zij Jupiter den donderaar, en stelden zij hem voor met een bliksemschicht in de hand. En het blijkt uit Psalm 29:3, dat dit niet voorbijgezien moet worden. Maar om ons tot de verering van God aan te sporen stelt de apostel Zijne weldadigheid voor, ten einde ons goede gedachten van Hem in te boezemen in alles, waarmee wij met Hem van doen hebben, opdat wij Hem zullen liefhebben en ons in Hem zullen verlustigen als den God, die goed doet, die ons goed doet, die goed doet aan allen, door van den hemel regen en vruchtbare tijden te geven. En zo te eniger tijd de regen onthouden wordt, en de tijden onvruchtbaar zijn, dan hebben wij dit ons zelven te wijten, het is onze zonde, die deze goede dingen van ons afwendt, welke tot ons kwamen, en die den stroom van Gods gunsten afsluit.
b. Door ons de geriefelijkheden er van te schenken, Hij is het, die onze harten vervult met spijs en vrolijkheid. God is rijk in goedertierenheid over allen, Romeinen 10:12. Hij verleent ons alle dingen rijkelijk om te genieten, 1 Timotheus 6:17. Hij is niet slechts een Weldoener, maar een rijke Weldoener, Hij geeft ons niet slechts wat wij nodig hebben, maar geeft het ons te genieten, Prediker 2:24. Hij vervult onze harten met spijze, geeft ons spijs naar hartelust, niet bloot het noodzakelijke, maar overvloed, aangename spijzen en in verscheidenheid. Zelfs aan die volken, welke de kennis van Hem verloren hebben, en andere goden aanbaden, heeft Hij de huizen met goed vervuld, hun buik vervuld, Job 22:18, Psalm 17:14.
De Heidenen, die zonder God in de wereld hebben geleefd, hebben toch van God geleefd, hetgeen Christus aanvoert als ene reden, waarom wij goed moeten doen aan hen, die ons haten, Mattheus 5:44, 45. Aan deze Heidenen was het hart vervuld met spijze, dat was hun geluk, hun voldoening, meer begeerden zij niet, maar deze dingen kunnen de ziel niet verzadigen, Ezechiël 7:19. En zij, die hun eigene ziel weten te waarderen, zullen er gene voldoening in vinden. Maar de apostelen rangschikken zich zelven onder hen, die delen in Gods weldadigheid, allen moeten wij erkennen, dat God onze harten vervult met spijze en vrolijkheid, niet slechts met spijze, opdat wij kunnen leven, maar met vrolijkheid, opdat wij goedsmoeds kunnen leven, aan Hem zijn wij het verschuldigd, dat wij niet al de dagen onzes levens met smart eten. Wij moeten God danken, niet alleen voor ons voedsel, maar ook voor onze vrolijkheid, dat Hij ons veroorlooft blijmoedig te zijn, ons reden geeft om vrolijk te zijn, ons harten geeft om vrolijk te kunnen zijn. En als onze harten vervuld zijn met spijs en vrolijkheid, dan behoren zij ook vervuld te zijn van liefde en dankbaarheid, en verruimd in plichtsbetrachting en gehoorzaamheid, Deuteronomium 8:10, 28:47.
Eindelijk. Den goeden uitslag van het verbod dat de apostelen het volk gegeven hebben, vers 18. Dit zeggende, weerhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun offerden, zo zeer hadden de afgodendienaars hun hart op afgoderij gezet! Het was niet genoeg, dat de apostelen weigerden vergood te worden, (dat zou slechts opgenomen zijn als bescheidenheid) maar zij duiden het ten kwade, zij tonen er hun het kwaad van, maar toch was dit alles nauwelijks voldoende om hen er van terug te houden, en sommigen van hen waren geneigd den priester te laken, omdat hij in weerwil van dit alles, niet met zijn werk is voortgegaan. Wij kunnen hier zien wat de oorsprong was van de Heidense afgoderij. het was, dat zij bleven staan bij de middelen van onze zegeningen, in plaats van er door heen te zien op Hem, die er de Werker van is. Paulus en Barnabas hebben een kreupele genezen, en daarom wilden zij hen vergoden, in plaats van God te verheerlijken, die hun deze macht gegeven had, hetgeen ons wè moet doen toezien, dat wij de ere noch aan anderen geven, noch voor ons zelven aannemen, die alleen aan God toekomt.