15. En Hij zei tot mij: Hebt gij, mensenkind! dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.
Volgens Hiëronymus is Thammuz de Syrische naam van den Grieksen Adonis. Deze was, gelijk het Mythologisch verhaal bericht, een zeer schoon jongeling en de lieveling van Venus, de godin de liefde. Bij de jacht op den Libanon werd hij door een wild zwijn gedood, en moest hij nu de ene helft van het jaar in de onderwereld doorbrengen, totdat hij daarna weer opstond. De naam, aan het Fenicisch ontleend, betekent waarschijnlijk machthebber, beheerser (adonai); de viering van het feest bestond daarin, dat de vrouwen, 7 dagen lang op de aarde zittende, over het verdwijnen van Adonis klaagden, zich tot betoning harer smart zich de haren lieten afscheren, en ter ere van Venus prijs gaven. Waren de sombere klaagzangen, zo als die bij begrafenissen gewoon waren, ten einde, dan klonk op den 8sten dag het geroep: Adonis leeft, is opgestaan en zal wederkeren. In de Fenicische stad Gebal (Hoofdstuk 27:9), d. i. Byblus (2 Samuël 5:11) vierde men den dood van Adonis, wanneer in den zomer het water van de voorbijvlietende Adonis-rivier (Deuteronomium 23:18 bij het smelten der sneeuw op den Libanon ten gevolge der roodachtige aarde ook ene roodachtige kleur aannam, die aan het bloed van den jongeling herinnerde, dus na het zomersolstitium; deze is nu ook bij de Joden de vierde maand Thammuz (Exodus 12:2 Zonder twijfel heeft het zijne diepere betekenis in het verdwijnen van het schone leven der natuur ten tijde, dat de sterkste zomerhitte begint (Jesaja 40:7) De klaagliederen zijn over de verlorene schoonheid des jaars; zij drukken angst uit voor den winter, maar geven dan ook weer plaats voor de hoop op het terugkeren der lente. In vroegeren tijd was onder Israël daarvan geen spoor aanwezig. De treurige richting, die het volksbewustzijn onder de opvolgers van Josia aannam, en die zeer met ene soortgelijke klacht over de natuur sympathiseerde, bevorderde zeker de opname hiervan onder de vormen van verering, waarbij nog de politieke verbintenis met de Feniciërs kwam, waartoe vooral onder Zedekia veel neiging was (Jeremia 27:1). De tempel van den Heere, den enigen waren God, werd zo steeds meer een heidens Pantheon, ene vergaderplaats van alle mogelijke afgoden der heidenwereld. Engelse geleerden hebben den Thammuzdienst van Babylonischen oorsprong, genoemd. Thammuz zou, zo als Arabische schrijvers berichten, de ontdekker zijn geweest van de 7 planeten en de 12 tekenen van den dierenriem; deze zou den koning van zijnen tijd hebben gedrongen den sterrendienst in te voeren, maar deze zou in toorn over zulk ene begeerte, hem hebben laten doden, zijne beenderen in een molen hebben laten verpletteren en vervolgens door den wind hebben laten verstrooien. Deze was echter wederopgestaan, en, wederom gedood, ten tweeden male in het leven teruggekeerd; eerst toen hij voor de derde maal werd omgebracht, bleef hij dood. Ter ere nu van dezen oudsten der onschuldig gedoden was jaarlijks in de maand Thammuz ene grote rouwklacht ingesteld, waarbij de priesters de lotgevallen en het lijden van den man, wien nu goddelijke eer toekwam, voordroegen. Dit is echter een euhemerismus, d. i. ene poging naar de wijze van den Cyrenaïsche wijsgeer Euhemeros, om de Griekse afgoden voor vergode mensen te verklaren, en de oude godengeschiedenissen als voorstellingen van zinrijke gedachten te verklaren. Het verhaal van den Babylonischen Thammuz is vervolgens op den heiligen Georg overgegaan, die, door enen koning, welken hij had gedrongen Christen te worden, drie malen zou gedood, maar ook drie malen weer levend zou geworden zijn.
Volgens Fr. Filippus in Baudissin's Studiën, deel I bladz. 35, 300 vervolg, is Thammuz het goddelijk kind, de goddelijke spruit, die door de Semieten vereerd werd.