Numeri 33:1-49
Dit is een kort overzicht van de reizen van de kinderen Israëls door de woestijn. Het was een gedenkwaardige geschiedenis, wel waardig om aldus in verkorte vorm bewaard te blijven tot eer van God die hen geleid heeft, en ter bemoediging van latere geslachten.
1. Merk hier op: Wie er de schrijver van was. Mozes schreef hun uittochten, vers 2. Toen zij deze moeizame tocht ondernamen heeft God hem bevolen een journaal of dagboek bij te houden, en daar al de merkwaardige gebeurtenissen in op te tekenen, die op hun reizen voorvielen, om voor hemzelf bij het terugzien een voldoening te zijn, en voor anderen een lering. Het kan voor particuliere Christenen, maar inzonderheid voor hen die een openbare post bekleden, goed en nuttig zijn, om een verhaal in geschrift te brengen en te bewaren van de leidingen van Gods voorzienigheid met hen, de onafgebroken reeks van zegeningen, die zij hebben ervaren, inzonderheid de wendingen en veranderingen, die sommige dagen van hun leven meer merkwaardig hebben gemaakt. Ons geheugen is bedrieglijk en heeft die hulp nodig, opdat wij gedenken aan al de weg die de Heere onze God ons in de woestijn geleid heeft, Deuteronomium 8:2.
2. Wat het bericht zelf was. Het begon met hun vertrek uit Egypte, ging voort met hun tocht door de woestijn, en eindigde in de vlakke velden van Moab, waar zij nu gelegerd waren.
A. Er worden hier sommige dingen opgemerkt betreffende hun vertrek uit Egypte, waaraan zij bij alle gelegenheden herinnerd worden als aan een nooit te vergeten wonderwerk.
a. Dat zij uitgetogen zijn met hun legers, vers 1, in gelederen, als een leger met banieren.
b. Onder Mozes en Aäron, hun leidslieden, opzieners en bestuurders, onder God.
c. Door een hoge hand, omdat Gods hand hoog was, die het voor hen had gewrocht, en voor de ogen aller Egyptenaren, vers 3. Zij zijn niet heimelijk gevlucht, Jesaja 52:12, maar in trotsering van hun vijanden, voor wie God hen tot zo'n lastige steen had gesteld, dat zij hen niet konden, of wilden, of durfden weerstaan.
d. Zij trokken uit terwijl de Egyptenaren hun eerstgeborenen begroeven, of zich tenminste voorbereidden om hen te begraven.
e. Aan al de plagen van Egypte wordt hier nog toegevoegd, dat de Heere ook aan hun goden gerichten had geoefend, De afgoden, die zij aanbaden, werden waarschijnlijk verbroken zoals later Dagon voor de ark, zodat zij hen niet konden raadplegen nopens deze grote zaak. Hiernaar wordt misschien verwezen in Jesaja 19. De afgoden van Egypte zullen bewogen worden voor Zijn aangezicht.
B. Betreffende hun reizen naar Kanaän.
Merk op:
a. Dat zij voortdurend verreisden. Als zij voor een poos in een plaats gelegerd waren, dan vertrokken zij vandaar naar een andere plaats. Zodanig is onze toestand in deze wereld, wij hebben hier geen blijvende stad. b. Het grootste deel van hun weg lag door de woestijn, ontbloot zelfs van de noodzakelijkheden van het menselijk leven, hetgeen de wijsheid en de macht verheerlijkt van God, door wiens wonderbare leiding en milddadigheid de duizenden van Israël niet slechts hebben bestaan in de woeste, eenzame plaats, maar er even talrijk en krachtig uit tevoorschijn kwamen, als zij er in gegaan waren. In het eerst legerden zij zich aan het einde of de grens van de woestijn, vers 6, maar later in het hart van de woestijn, door de kleinere moeilijkheden bereidt God Zijn volk voor op grotere. Wij vinden hen in de woestijn van Etham, vers 8, van Sin, vers 11, van Sinaï, vers 15. Onze reizen in deze wereld gaan slechts van de ene woestijn in de andere.
c. Dat zij heen en weer geleid werden, voorwaarts en achterwaarts, zoals in een doolhof, en toch waren zij al die tijd onder de leiding van de wolken vuurkolom. Hij voerde hen rondom, Deuteronomium 32:10, en toch leidde Hij hen op een rechte weg, Psalm 107:7. De weg, die God neemt om Zijn volk tot zich te brengen, is altijd de beste weg, hoewel hij ons niet altijd de kortste weg schijnt.
d. Sommige gebeurtenissen worden in dit journaal vermeld, zoals hun gebrek aan water te Rafidim, vers 14, de dood van Aäron vers 38, 39, de aanval van Harad, vers 40, zelfs aan de naam Kibroth Thaäva, de graven van de lusten, vers 16, is een geschiedenis verbonden. Aldus behoren wij al de leidingen van Gods voorzienigheid met ons, ons gezin en ons land in gedachtenis te houden, en de vele voorbeelden van de Goddelijke zorg, waarmee Hij ons heeft geleid, en gevoed en bewaard al onze dagen totnutoe. Sittim, de plaats waar het volk zondigde in de zaak van Peor, Hoofdstuk 25:1, wordt hier Abel-Sittim genoemd-Abel betekent rouw, zoals in Genesis 50:11, en waarschijnlijk werd die plaats zo genoemd naar het treuren van het volk van Israël over deze zonde, en tengevolge daarvan Gods toorn tegen hen. De rouw was zo groot, dat de plaats er naar genoemd werd.