15. En Hij zei tot mij, van Zijn zwaren eis iets overgevende: Zie, Ik heb u als brandstof rundermest gegeven voor mensendrek, zo zult gij uw brood daarmee bereiden 1).
1) Dat de mensendrek niet met de spijs moet worden vermengd, zo als velen de zaak hebben opgevat, toont het slot dezer verhandeling, waar koemest in de plaats daarvan wordt toegelaten. Dat is in het Oosten ene gewone brandstof. Als het zware in dit bevel moet men niet in `t oog nemen: "de spijze riekt naar het vuur, " de gedroogde koemest is integendeel geheel zonder reuk, maar de Levietische verontreiniging daarvan (Mattheus 23:24 Markus 7:2 vv.) is de eigenlijke straf. Die verontreiniging geschiedt door het leven in `t midden der heidenen, waar voor Gods volk alles onrein is, en hun tevens alle ontzondiging door de voorgeschrevene offerplechtigheden is ontzegd (Job 9:3). Voor de praktische toepassing heeft de gedachte betekenis, dat in tijden van algemenen afval van God, van ongeloof en frivoliteit, het dagelijks voedsel voor den geest der Christenen in couranten en vlugschriften, in den omgang en in gesprekken, ja dikwijls ook de leer en het onderwijs der jeugd als het ware gebakken is in-of zou men zo niet mogen schrijven, wanneer bijv. op een gymnasium bij het begin van een nieuw schooljaar, degenen, die in ene nieuwe klasse waren ingetreden, zich de gewoonte der vorige klasse herinnerden om bij het begin van het uur van onderwijs op te staan, verwachtende, dat ook de nieuwe leraar vooraf met hen zou bidden, maar deze hun te kennen gaf, dat een beschaafd, ontwikkeld mens niet meer bad, dat dit ene zaak van het domme volk was? In het verband van onze plaats geeft het minder moeilijkheden, dat de 40 jaren van het liggen op de rechterzijde, door middel van het voedsel dat de Profeet daar geniet (weer gewoon gerstenbrood en zonder tot ene geringe hoeveelheid beperkt te zijn, dus anders dan gedurende den tijd der belegering Vers 9, 10, maar toch door de bereiding met vuur van onreine brandstof verontreinigend en daardoor wijzende op het leven des volks in de onreine heidenwereld) tot een symbool der ballingschap gemaakt worden, hoewel deze niet 40 maar 70 jaren volgens de reeds bekende voorzegging (Jeremia 25:11; 29:10) zou duren. Hier toch is het te doen om een symbool, niet om chronologie, en dan zijn 40 dagen of jaren ene voor altijd vaststaande type ("de tijd van bezoeking in straf en genade, van beproeving des geloofs, die op de Goddelijke hulp leert wachten, en dien het doden des vleses tot gewin wordt, maar ook van verzoeking tot ongeloof, (vgl. Exodus 24:18). Wel is het de vraag, wat het betekent, dat eerst het bevel is: "gij zult met mensendrek bakken" en dat daarna op de voorstelling van den Profeet koemest in plaats van mensendrek wordt gesteld. De uitleggers hebben hierop zelfs niet gelet. Duidelijk is wat de Profeet zegt: "ik heb van mijne jeugd af tot nu toe geen dood aas, noch dat verscheurd is gegeten, en geen verfoeilijk vlees is in mijnen mond gekomen, " ene uitdrukking van die gezindheid, welke reeds vóór 12 jaren den jeugdigen Daniël en zijne vrienden bezielde, toen zij besloten, zich niet te verontreinigen met de spijs der konings en met den wijn, dien hij dronk (Daniël 1). Met Daniël en zijne vrienden aan de ene zijde en met Ezechiëls heiligen ernst aan de andere zijde zal dan ook wel zamenhangen de betekenis daarvan, dat koemest voor mensendrek wordt toegestaan. Hoe kwalijk toch zou de verontreiniging van Israël geweest zijn, wanneer het nu midden in het leven der heidenen ware verplaatst! hoe zou het zijn heilig, koninklijk priesterlijk karakter hebben moeten verloochenen, ware door God geen weg ingeslagen, dat, zowel aan des konings hof een vertegenwoordiger was van dit heilig karakter van Israël, en ook onder Israël zelf een hadde geleefd en gewerkt, om het voor het ergste te bewaren en de bezoeking draaglijk te maken (1 Kor. 10:3)! Daniël, zo merkt Caspari op, was bestemd, om in Babylonië een voorspreker, beschermer en redder van het gevangene Israël te worden, dat hem daarheen zou volgen; hij werd als het ware het volk vooruit gezonden, om het de plaatsen te bereiden- toen het zelf kwam, had reeds ene grote, zeer wondervolle openbaring door een van hen plaats gehad, welke de verachting verminderde, die de wereldmacht en de heidenen tegen hen koesterden. Het was dan ook ene genade, dat Ezechiël zich onder de vroegst weggevoerden bevond. Gelijk Daniël van koninklijk, zo was deze van priesterlijk geslacht, beide te zamen voortreflijk geschikt, om het koninklijk priesterlijk wezen van hun volk, (Exodus 19:6) onder den adem van het heidendom voor vervuiling te bewaren en daaraan het leven onder de gruwelen van het heidendom draaglijk te maken. Onze plaats heeft wel die betekenis.