Deuteronomium 23:9-14
Israël was nu in een legerplaats, en dit grote leger zal weldra de strijd aanvangen, die hen waarschijnlijk geruime tijd bij elkaar zal houden, en daarom was het voegzaam, om hun bijzondere bevelen te geven voor de goede orde in hun leger. En de last, hun gegeven, is in één woord rein te zijn. Zij moeten zorg dragen om hun leger rein te houden van zedelijke, ceremoniële en natuurlijke verontreiniging.
1. Van zedelijke verontreiniging, vers 9. Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, beschouwt u dan zeer bijzonder gehouden en verplicht, om u te wachten voor alle kwade zaak.
a. De soldaten zelf moeten zich wachten voor zonde, want de zonde neemt de kracht weg van de dapperheid, schuld maakt de mensen tot lafaards. Voor hen, die hun leven in de waagschaal stellen, is het zeer bijzonder zaak om vrede te maken en te bewaren met God en een onergerlijk geweten te hebben, en dan kunnen zij zonder vrees de dood in het aangezicht zien. In het volvoeren van hun last moeten krijgslieden zich wachten van de lust bot te vieren van boosaardigheid, hebzucht of ontucht, want dat zijn kwade zaken, zij moeten zich ver houden van afgoden, of van het verbannene, dat zij vonden in het leger hetwelk zij plunderden.
b. Zelfs zij, die thuis bleven, het gros van het volk en ieder particulier persoon, moeten zich dan zeer bijzonder wachten voor elke kwade zaak, opdat zij door hun zonde God er niet toe brengen om zich terug te trekken van het leger, en de overwinning te geven aan de vijanden ter kastijding van Zijn eigen volk. Tijden van oorlog behoren tijden te zijn van reformatie, hoe kunnen wij anders verwachten dat God ons gebed om voorspoed zal verhoren? Psalm 66:1-8. Zie 1 Samuël 7:3.
2. Van ceremoniële verontreiniging, die iemand overkomen kan zonder er zich van bewust te zijn, en waarvoor hij verplicht was zijn vlees in water te baden, en zich als onrein te beschouwen tot aan de avond. Een krijgsman moest zich niettegenstaande zijn voortdurende dienst en plicht, die hij in het leger te verrichten had, zo weinig als ontheven beschouwen van het waarnemen van deze plechtigheid, dat er zelfs meer van hem geëist werd dan op een andere tijd. Indien hij in zijn huis was, dan behoefde hij slechts zijn vlees met water te baden, maar in het leger zijnde, moet hij buiten het kamp gaan, als verplicht zijnde het rein te houden, en zich voor zijn eigen onreinheid schamende, en niet voor zonsondergang terugkeren, vers 10, 11. Door die last en smaad, waaraan de mensen zelfs door onwillekeurige verontreiniging blootgesteld waren, werd hen geleerd een grote vrees te koesteren voor alle vleselijke lusten. Het zou goed zijn zo krijgslieden hieraan wilden denken.
3. Van natuurlijke verontreiniging. In het leger des Heeren moest niets wezen, dat aanstotelijk of hinderlijk is, vers 12-14. Het is vreemd dat de Goddelijke wet, of tenminste de plechtige orders en bevelen van Mozes, zich zou uitstrekken tot dingen van die aard, maar de bedoeling er van was hen te leren,
a. Zedigheid en welvoeglijkheid, de natuur zelf leert hun zich dus te onderscheiden van de dieren, die geen schaamte kennen.
b. Zindelijkheid en netheid zelfs in hun leger. Onreinheid is aanstotelijk voor de zinnen, waarmee God ons begiftigd heeft, nadelig voor de gezondheid, een onrecht aan het welvaren en de behaaglijkheid van het menselijk leven, en een blijk van een slordig gemoedsbestaan. c. Reinheid van de besmetting van de zonde, indien die zorg gedragen moet worden om het lichaam rein en fris te houden, veel meer zorgzaam moeten wij dan zijn om de geest het gemoed, in die staat te houden.
d. Eerbied voor de Goddelijke majesteit. Dit is de reden, hier gegeven, want de Heere, uw God, wandelt door Zijn ark, het bijzondere teken van Zijn tegenwoordigheid, in het midden van uw leger. Met betrekking tot dit uitwendige symbool wordt die uitwendige reinheid vereist, die hoewel er naar de letter niet op aangedrongen werd toen die reden niet meer bestond, ons toch leert innerlijke reinheid van ziel te bewaren, uit aanmerking dat het oog Gods altijd op ons is. Door deze uitdrukking van eerbied voor de tegenwoordigheid Gods onder hen, werd hen geleerd beide om zich te versterken tegen de zonde, en zich aan te moedigen tegen hun vijanden uit aanmerking van Zijn tegenwoordigheid.
e. Achting voor elkaar. De vuilheid van een persoon is schadelijk voor velen, deze wet van de zindelijkheid leert ons dus om niet te doen wat met recht aanstotelijk is voor onze broeders en hen grieft. Het is een wet tegen overlast.