Ezechiël 45:13-25
Eerst werden blootgelegd de rechtsregels jegens menschen, die ook tot den waren godsdienst behooren, nu komt de profeet tot regels van hun onmiddellijk dienen van God.
1. Geëischt wordt, dat zij den Heere een hefoffer brengen van hetgeen zij bezitten, vers 13. Al het volk des lands moet een hefoffer brengen, vers 16. Als Gods pachters moeten zij den grooten Landeigenaar pacht betalen. Zij hadden uit hun erfenis een hefoffer gebracht, eene heilige plaats van het land, nu wordt hun opgedragen, uit hun persoonlijk bezit een hefofferte brengen, als een erkentenis, dat zij alles van Hem ontvingen, dat zij van Hem afhankelijk waren en dus verplichtingen jegens Hem hadden. Zie, wat ons inkomen ook zij, wij moeten God ervan vereeren, door Hem daarvan te geven wet recht is. Niet dat God iets van noode heeft, of van ons iets kan ontvangen dat Hij ons niet eerst heeft gegeven, Psalm 50:10. Neen, het is een hefoffer, wij offeren het slechts, het voordeel keert tot ons weder, tot Zijne armen, die als onze naasten zijn, of tot Zijne dienaren, die ons gestadig onderwijzen.
11. De verhouding van dit hefoffer wordt hier vastgesteld, hetwelk de wet van Mozes niet had gedaan. Er wordt geen melding gemaakt van tienden, maar alleen van dit hefoffer. En de hoeveelheid wordt dus bepaald:
1. Van hun koren moest geofferd worden het zestigste deel, van elken homer tarwe en gerst, die tien efa's bevat, het zesde deel van een efa, dus weer het zestigste deel.
2. Van hun olie (en waarschijnlijk ook van hun wijn) het honderdste deel, van elken kor of homer, die tien bath bevatte, het tiende deel van een bath, vers 14. Dit werd gegeven voor het altaar, want in ieder spijsoffer was bloem met olie gemengd.
3. Van hun kudde moesten zij geven een lam op de tweehonderd, het kleinste gedeelte van alle, vers 15. Maar het moest zijn uit het water rijke land van Israël. Zij mochten God niet offeren wat van schraalder bodem kwam, maar het vetste en beste dat zij hadden, als brandoffers en dankoffers, gene moesten dienen om Gode eere te geven, deze om van God barmhartigheid, genade en vrede af te smeeken. In onze geestelijke offeranden komen deze twee dingen voor den troon der genade. Maar om deze beide aannemelijk te maken, moesten deze offeranden verzoening over hen doen. Christus is ons Zoenoffer, door Wien verzoening is teweeggebracht, en op Hem moet ons oog geslagen zijn in al onze dankoffers.
III. Dit hefoffer moest gegeven worden voor den vorst in Israël, vers 16. Sommigen lezen: aan den vorst, en verstaan dit van Christus, die inderdaad de Vorst in Israël is, Wien wij onze hefoffers moeten brengen, en in Wiens hand wij ze moeten leggen, opdat Hij ze den Vader aanbiede. Of: zij zullen het met den vorst, ieder bijzonder persoon zal zijn hefoffer brengen, om met dat van den vorst geofferd te worden, want er volgt, vers 17:En het zal den vorst opgelegd zijn, te offeren de brandofferen, om verzoening te doen voor het huis Israëls. Het volk moest, volgens de voorgaande regelen, hem hun hefoffers brengen, en hij moest ze naar het heiligdom vervoeren, en wat tekort kwam, Uit eigen voorraad aanvullen. Zie, het is de plicht van heerschers, voor den godsdienst te zorgen en toe te zien, dat de uiterlijke plechtigheden geregeld en zorgvuldig worden nagekomen, en dat niet ontbreekt wat hiertoe kan dienen. De overheid houdt beide tafelen, en het is een gelukkig ding, wanneer degenen, die in macht en waardigheid boven ons staan, ons voorgaan in den dienst van God. IV. Eenige bijzondere plechtigheden worden hier vastgesteld.
1. Eerst vinden wij er een voor het begin van het jaar, dat geheel nieuw schijnt te zijn, niet ingesteld door de wet van Mozes, namelijk de jaarlijksche reiniging van het heiligdom. a. In de eerste maand, op den eersten dag der maand, dus nieuwjaarsdag, moesten zij een offer offeren om het Heiligdom te ontzondigen, vers 18, dat is om verzoening te doen over de overtreding met de heilige dingen in het vorige jaar, opdat zij geen schuld in het nieuwe jaar mochten indragen, om genade in te roepen, dat ze die overtreding niet weer begaan, en den dienst in dit nieuwe jaar beter zouden waarnemen. En, ten teeken hiervan, moest het bloed van dit zondoffer aan de posten des Huizes, aan de vier hoeken, niet van het altaar, maar van het afzetsel des altaars, en aan de posten van de poorten des binnensten voorhofs gedaan worden, vers 19, om aan te toonen, dat daardoor verzoening werd gedaan voor de zonden van alle dienaren, die in dat huis den dienst vervulden, priesters, Levieten en het volk, zelfs de zonden dergenen, die voorts nog op eenigerlei wijze deel er aan hadden. Zie, zelfs heiligdommen hebben reiniging noodig, herhaalde reiniging, dat hierboven behoeft er geen. Zij, die God samen vereeren, moeten zich dikwijls vereenigen in gemeenschappelijke schuldbelijdenis voor hun menigvuldige gebreken, en op het bloed van Christus pleiten tot vergeving, en tot hernieuwing van het bloed om er in het vervolg zorgvuldiger in te zijn. Het is alleszins gepast, daarmede het jaar te beginnen, gelijk Hizkia deed, toen het lang verzuimd was, 2 Kronieken 29:17. Hier werd ook bepaald, het heiligdom te reinigen op den eersten dag der maand, omdat op den veertienden dag der maand het Pascha moest gegeten worden, eene instelling, die, van alle Oudtestamentische ceremoniën, nog het meest van Christus en van Zijne genade sprak, en daarom was het zeer voegzaam, dat men twee weken tevoren het heiligdom begon te reinigen. b. Dit offer moest den zevenden dag der eerste maand herhaald worden, vers 20. En dan was de bedoeling ervan, verzoening te doen vanwege den afdwalende, en vanwege den onbedachtzame. Zie, wie zondigt, d waalt af en is onbedachtzaam, hij gaat verkeerd, en loopt uit den weg en toont, dwaas, onwijs te zijn. Maar hier wordt gesproken van zulke zonden, die door onwetendheid, vergissing of onachtzaamheid zijn begaan, hetzij door een priester of een Leviet of door iemand uit het volk. Offers waren ingesteld om voor zulke zonden verzoening te doen, waardoor men verrast werd, of die men begaan had voordat men het zelf wist, men zou ze niet gedaan hebben, als men alles goed geweten of het zich ter rechter tijd herinnerd had. Na ze begaan te hebben, veroordeelt men zichzelf. Maar voor zonden, met voorbedachten rade of in hooghartigheid begaan, was geen offer ingesteld, Numeri 15:30. Door deze herhaalde offeranden zult gij het Huis verzoenen, dat is: wordt God ermede verzoend, en vaart voort met de teekenen Zijner tegenwoordigheid, ook in dit nieuwe jaar.
2. Het Pascha meest op den bepaalden tijd gehouden worden, vers 21. Christus is ons Pascha, voor ons geslacht. Wij vieren de gedachtenis van die offerande en juichen over de verlossing uit de Egyptische slavernij der zonde en onze behoudenis van het zwaard des verdervers. De engel, die goddelijke gerechtigheid oefende, is des Heeren Avondmaal, dat ons Pascha is gelijk het gansche Christelijk leven dat is en moet zijn, het feest der ongezuurde brooden. Hier wordt bepaald, dat de vorst een zondoffer zal bereiden, om geofferd te worden voor hem zelf en het volk, een ver op den eersten dag, vers 22, en een geitenbok iederen volgenden dag, vers 23. Om ons te leeren, dat, in alle smarten tot God om met Hem gemeenschap te oefenen, wij het oog moeten vestigen op het groote zondoffer, waardoor de overtreding is verzoend en een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Op elken dag van het feest was er een brandoffer, alleenlijk ter eere Gods, en niet minder dan zeven varren en zeven rammen met hun spijsoffer, die op het altaar geheel verteerd worden, vers 23, 24. 3. Het Loofhuttenfeest, daarvan wordt nu gesproken, vers 25. Van het Pinksterfeest wordt niets gezegd, het viel tusschen de beide genoemde feesten. Voorschriften worden hier gegeven (boven die van de wet van Mozes) voor dezelfde offeranden, die gedurende de zeven dagen van het Pascha moesten gebracht worden. Zie de ongenoegzaamheid der wettelijke offeranden, zij werden daarom dikwijls herhaald, niet slechts elk jaar, maar elk feest, elken dag van het feest, omdat zij nimmermeer heiliger hunnen degenen, die daar toegaan, Hebreeën 10:1, 3. Zie de noodzakelijkheid om dezelfde godsdienstige oefeningen vaak te herhalen. Of schoon het zoenoffer eens voor allen volbracht is, moeten de dankoffers, dat van een gebroken hart, van een dankbaar hart, die geestelijke offeranden, die door Jezus Christus Gode aangenaam zijn, dagelijks geofferd worden. Wij moeten onze heilige plichten geregeld waarnemen en daarvan niet afwijken.