18 Door dezen vorst, van welken in dit en het volgende hoofdstuk veel wordt gesproken, verstaan sommigen (als Ez. 44:3) den hogepriester, of onzen Heere Christus den Messias Zelven, Die niet alleen in Zijn huis woont en dat met Zijn heerlijkheid vervult, maar ook rondom hetzelve Zich (om zo te spreken) legert, om dat als Koning te beschermen; en Die als onze Hogepriester en Borg al onze schuld op Zich genomen hebbende, voor dezelve (alsof het Zijn eigen ware) betaald, en Zichzelven voor ons (alsof het ware voor Zichzelven, omdat Hij in onze plaats stond) vrijwilliglijk opgeofferd heeft; insgelijks Die niet alleen een Koning of Vorst is, maar ook een Broeder en Medegenoot der gelovigen, die Hij Zijn mede-erfgenamen maakt, zijnde steeds in het midden van hen en met hen, tot aan de voleinding der wereld, biddende voor hen als hun Middelaar, hebbende alleen de macht en het privilege van Zijns weegs in en uit te gaan, Zijn leven te laten en weder te nemen, de poort des heiligdoms te openen en te sluiten, enz. Anderen verstaan hier een burgerlijken christelijken vorst of regent, en daardoor wijders alle christelijke regenten en overheden, die God Zijn kerk in het Nieuwe Testament, naar verscheidene profetieën van het Oude Testament, zou verlenen, welker eerste en voornaamste zorg moet wezen voor den welstand van Gods kerk, die zij met hun beschutting moeten als omringen, in de oefening van den waren godsdienst en het respect van den kerkendienst het volk met hun voorbeeld voorgaan, ook zich in dezen houden en gedragen als broeders, medegenoten en medeleden der kerk; voorts recht en gerechtigheid aanstellen en handhaven, alle onrecht, overlast, tirannie en geweld afschaffen, en den onderdanen een gerust en stil leven verzorgen, totdat de volmaakte gerechtigheid, heiligheid en vrede in het andere leven daarop volgt.
SV, Ezechiël 44:3