Leviticus 17:1-9
I. Dat geen offer door iemand anders dan de priesters geofferd mocht worden, noch aan enigerlei andere plaats dan aan de deur van de tabernakel, en dat wel op straffe des doods, vers 1-9.
II. En dat geen bloed mocht gegeten worden, en dat wel met dezelfde strafbedreiging, vers 10-16.
Deze wet legde aan geheel Israël de verplichting op om al hun offeranden op Gods altaar te brengen, teneinde aldaar geofferd te worden. En ten opzichte van die zaak hebben wij na te gaan:
I. Hoe het er tevoren mee stond:
1. Het was aan iedereen veroorloofd altaren te bouwen, waar zij wilden, en er Gode offers op te brengen. Overal waar Abraham een tent had, bouwde hij een altaar, en ieder hoofd van een gezin was priester in zijn huis, zoals Job, Hoofdstuk 1:5.
2. Deze vrijheid is een aanleiding geworden tot afgoderij. Toen iedereen zelf priester was en zijn eigen altaar had, hebben zij langzamerhand, verijdeld geworden zijnde in hun overleggingen, zich ook eigen goden uitgedacht, en de duivelen hun slachtoffers geofferd, vers 7. Het woord, in onze overzetting door duivelen vertaald, betekent eigenlijk ruige, of harige bokken, omdat het waarschijnlijk is, dat de boze geesten hun dikwijls in die gedaante verschenen, om hun offers te vragen en hun aanneming er van te kennen te geven. Want van dat de duivel in opstand kwam tegen God en van Hem afvallig was geworden, heeft hij zich altijd als Zijn mededinger opgeworpen, en begeerde hij dat hem Goddelijke eer zou bewezen worden, hij had de onbeschaamdheid van onze gezegende Heiland aan te zoeken om voor hem neer te vallen en hem te aanbidden. De Israëlieten zelf hadden in Egypte geleerd aan duivels te offeren. En het schijnt dat sommigen van hen dit gedaan hebben zelfs nadat God zo heerlijk voor hen en onder hen verschenen is. Er wordt van hen gezegd dat zij deze duivelen nahoereren, want het was een verbreken van hun verbond met God zoals overspel een verbreken is van het huwelijksverbond, en zij waren even sterk verkleefd aan hun afgoderij en even moeilijk er van terug te brengen, als degenen, die zich aan ontuchtigheid overgeven om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven, daarom is het met toespeling hierop, dat God zich een ijverig God noemt.
II. Hoe deze wet dit vaststelde.
1. Sommigen denken dat hiermede aan de kinderen Israëls verboden werd om, zolang zij in de woestijn waren, een os of schaap, kalf, lam of geitebok, zelfs voor hun gewone spijze, ergens anders te slachten dan aan de deur van de tent van de samenkomst, waar het bloed en het vet op Gods altaar geofferd, en het vlees aan de offeraar gegeven moest worden, om het als dankoffer te eten, overeenkomstig deze wet. En de wet is in bewoordingen vervat, die deze mening begunstigen, vers 3, 4, want zij spreekt in het algemeen van het slachten van een os, lam of geit. De geleerde Dr. Cudworth geeft er deze uitlegging van, en hij denkt dat zij zolang zij de tabernakel zo dicht bij zich hadden in het leger, geen ander vlees aten dan hetgeen eerst aan God geofferd was, maar dat deze wet gewijzigd werd toen zij in Kanaän kwamen, Deuteronomium 12:21, En hun veroorloofd werd om hun runderen en schapen thuis te slachten zowel als de ree en het hert. Slechts drie maal in het jaar moesten zij naar Gods tabernakel opgaan, om daar voor Zijn aangezicht te eten en te drinken. Waarschijnlijk hebben zij in de woestijn niet veel ander vlees gegeten dan het vlees van hun dankoffers, daar zij hun vee voor de teelt wilden bewaren tegen dat zij in Kanaän kwamen. Daarom murmureerden zij om vlees, daar zij het manna zat waren, en bij die gelegenheid spreekt Mozes, alsof zij zeer zuinig moesten zijn op hun schapen en runderen, Numeri 11:4, 22. Toch is het moeilijk om dit te verklaren als zijnde een tijdelijke wet, daar toch uitdrukkelijk gezegd is, dat dit hun een eeuwige inzetting zal zijn voor hun geslachten, vers 7. En daarom:
2. Schijnt dit veeleer een verbod te zijn om enig dier tot offer te slachten aan een andere plaats dan aan het altaar Gods. Zij moeten niet, zoals zij vroeger gedaan hadden, offeranden offeren op het veld, vers 5, neen, ook niet aan de ware God, maar ze tot de priester brengen om op het altaar des Heeren geofferd te worden, en de plechtigheid, die zij nu onlangs bijgewoond hadden van de wijding van de priesters en van het altaar, kon als een goede reden dienen, waarom zij zich tot die beide moesten bepalen, daar God ze zo kennelijk had verordineerd.
a. Deze wet was niet alleen voor de Israëlieten zelf verplichtend, maar ook voor de proselieten, of vreemdelingen, die besneden waren en onder hen woonden, en die in gevaar waren van neiging te behouden voor hun oude wijze van aanbidding. Indien iemand deze wet overtrad, en offeranden offerde aan een andere plaats dan in de tabernakel, dan was die zonde zeer groot, het bloed zal die man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten, vers 4. Hij had slechts een dier gedood, maar daar hij het niet op de door God voorgeschreven wijze had gedood, werd hij beschouwd als een moordenaar. Het is door een schenking Gods, dat wij vrijheid hebben om de mindere schepselen te doden, op welk voordeel wij geen recht of aanspraak hebben, tenzij wij ons aan de bepalingen onderwerpen, die er bij gemaakt zijn, en welke hierin bestaan, dat het noch met wreedheid noch in bijgelovigheid gedaan zal worden, Genesis 9:3,4. En er werd ook nooit groter misbruik gemaakt van de mindere schepselen, dan toen zij òf tot valse goden werden gemaakt, òf tot offers aan valse goden, waarop de apostel misschien zeer bijzonder zinspeelt, als hij spreekt van de ijdelheid en dienstbaarheid van de verderfenis, waaraan het schepsel onderworpen is, Romeinen 8:20, 21, vergelijk ook Hoofdstuk 1:23, 25. Afgodische offers werden niet alleen als overspel beschouwd, maar ook als moord, die een os slacht-om hem aan een afgod te offeren- verslaat een man, Jesaja 66:3.
b. De straf zal streng zijn die man zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden. Als het blijkbaar was, ontwijfelbaar zeker, dan moest de magistraat dit doen, maar indien niet, dan zal God zelf dit werk ter hand nemen, en dan zal die offeraar door een plotselingen slag van Gods gerechtigheid worden afgesneden. De redenen, waarom God dit strikt bevel gaf, om al hun offeranden aan een plaats te offeren waren:
Ten eerste: Om afgoderij en bijgeloof te voorkomen, opdat offeranden gebracht zouden worden aan God en volgens de regel, zonder invoering van nieuwigheden er bij, zij moesten altijd geofferd worden door de dienst van de priesters, die de dienaren waren van Gods huis, en onder het oog van de hogepriester, die de bestuurder was van Zijn huis, en zorg droeg dat alles naar Gods verordening geschiedde.
Ten tweede. De beveiliging van de eer van Gods tempel en altaar, waarvan hun eigen waardigheid in gevaar zou zijn, indien zij hun offeranden ergens anders konden offeren evengoed als daar. Ten derde. Om eenheid en broederlijke liefde onder de Israëlieten te bewaren, opdat zij, zich allen rondom een altaar scharende, zoals de kinderen van het gezin zich dagelijks aan dezelfde tafel bevinden, als broeders zouden leven en elkaar zouden liefhebben, samengevoegd zouden zijn in eenzelfde zin, en in eenzelfde gevoelen, 1 Corinthiërs 1:10.
III. Hoe die wet werd nagekomen.
1. Zolang de Israëlieten aan hun oprechtheid vasthielden, gaven zij met grote tederheid en nauwlettendheid acht op deze wet, gelijk blijkt uit hun ijver tegen het altaar, dat opgericht werd door de twee en een halve stam, dat zij volstrekt niet overeind zouden gelaten hebben, indien zij er niet van overtuigd waren geworden, dat het nooit bedoeld was, en nimmer gebruikt zou worden, om er offers op te offeren, Jozua 22:12 en verv.
2. Het verbreken van deze wet was gedurende veel eeuwen de ergernis en het ongeneeslijk bederf van de Joodse kerk, getuige de klacht welke zo dikwijls voorkomt in de geschiedenis, zelfs van de goede koningen: Alleen de hoogten werden niet weggenomen, het volk offerde en rookte nog op de hoogten, en dit was het wat de deur opende voor de grofste afgoderij.
3. Toch was er in buitengewone gevallen dispensatie van deze wet. Gideons offer, Richteren 6:26, dat van Manoach, Richteren 13:19, van Samuël, 1 Samuël 7:9, 9:13, van David, 2 Samuël 24:18, en van Elia, 1 Koningen 18, 23, werden aangenomen, hoewel zij niet op de gewone plaats geofferd werden. Maar die allen werden òf geboden door engelen, òf geofferd door profeten, en sommigen denken dat na de verwoesting van Silo, en voordat de tempel gebouwd was, zolang dus het altaar en de ark geen vaste verblijfplaats hadden, het meer geoorloofd was om elders offeranden te offeren.
IV. Hoe die zaak nu staat en welk gebruik wij van die wet hebben te maken.
1. Het is zeker dat de geestelijke offeranden die wij nu moeten offeren, tot generlei plaats bepaald zijn. Onze Heiland heeft dit duidelijk gemaakt, Johannes 4:21, en de apostel overeenkomstig de profetie in Maleachi 1:11. Aan alle plaats zal Mijn naam reukwerk toegebracht worden. Wij hebben thans geen tempel of altaar dat de gave heiligt, en ook is de Evangelie-eenheid niet in één plaats gelegen, maar in een hart en in de eenheid des geestes.
2. Christus is ons altaar en ware tabernakel, Hebreeën 8:2, 13:10 in Hem woont God onder ons, en het is in Hem, dat onze offeranden Gode aangenaam zijn, en in Hem alleen, 1 Petrus 2:5. Andere middelaars te stellen, andere altaren op te richten, of andere zoenoffers in te stellen, is hetzelfde als andere goden in te voeren. Hij is het middelpunt van de eenheid, in wie de leden van het Israël Gods elkaar ontmoeten.
3. Toch hebben wij de openbare eredienst in ere te houden en moeten wij de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, Hebreeën 10:25. De Heere bemint de poorten van Zion boven alle woningen van Jakob, en dat behoren ook wij te doen, zie Ezechiël 20:40. Hoewel God genadiglijk het offer van onze huisgodsdienst wil aannemen, moeten wij daarom toch de deur van de tent van de samenkomst niet veronachtzamen.