Ezechiël 44:10-16
De Heere des huizes, die op het punt staat Zijn huis opnieuw op te bouwen, doet onderzoek naar Zijne knechten de priesters, en beziet, wie Hij zijne plaats kan laten behouden, en wie Hij die moet laten ontruimen, en dienovereenkomstig handelt Hij.
1. Die verraad hebben gepleegd, worden verlaagd en achteruitgezet, namelijk die levieten of priesters, die zich vroeger door den stroom van Israëls afval hadden laten meevoeren, die van God waren afgedwaald, hunne drekgoden achterna, vers 10, die het eens waren geweest met de afgodische koningen van Israël of Juda, die henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, vers 12, met hen bogen in het huis van Rimmon, of altaren voor hen oprichtten, zooals Uria deed voor Achaz, en aldus den huize Israëls tot eenen aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, hen tot zonde verleidden en in de zonde verhardden, want, als de priesters afdwalen, volgen. velen hunne verderfenissen. Misschien hadden sommige Joodsche priesters zich te Babel vermengd met de afgodendienaars daar, tot groote schande van hun godsdienst. Terecht werd aan deze priesters, die hun plicht aldus verzuimd hadden, Gods ongenoegen betuigd, of, als zij gestorven waren, en dat is waarschijnlijk, als de misdaad vóór de gevangenschap begaan werd, werd hun ongerechtigheid aan hunne kinderen bezocht. Of misschien was de geheele familie van Abjathar schuldig aan deze overtreding.
1. Zij worden veroordeeld, ten deele van hun ambt beroofd te worden, en worden van de waardigheid van priester verlaagd tot den rang van gewone Levieten. God heeft Zijne hand tegen hen opgeheven, Hij heeft het gezegd en bezworen, dat zij hunne ongerechtigheid zullen dragen, vers 12, zekerlijk zullen zij er voor boeten, zij zullen de schande er voor dragen, zij zullen hunne schande dragen, vers 13, want al willen wij liefderijk hopen, dat zij er berouw van hebben gehad, toch zullen zij niet naderen om het priesterambt te bedienen, dat is dat deel van het ambt, dat hun bijzondere plicht was, zij zullen niet naderen tol de allerheiligste dingen in het heiligdom, vers 13. Die God van Zijn eer beroofd hebben, zullen naar recht van hun eer beroofd worden. En het is werkelijk eene groote straf, als het ons verboden is nabij God te komen, en naar recht kon Hij hen, die zich eenmaal van hen afgewend hebben, verwerpen, als onwaardig ooit weer in Zijne nabijheid te komen, en hen voor eeuwig van Zich verwijderen.
2. Toch wordt in dit vonnis eenige genade gemengd. God handelt niet in gestrengheid, zooals Hij doen kon met degenen, die trouwelooslijk met Hem gehandeld hebben, maar Hij verzacht het vonnis, vers 11, 14. Zij worden beroofd, maar gedeeltelijk, ab officio-van hun ambt, en in `t geheel niet, maar `t schijnt abeneficio-van de inkomsten daarvan. Zij zullen het offer helpen slachten, wat den Levieten veroorloofd was te doen, en wat in dezen tempel niet op het altaar, maar op tafelen geschiedde, Hoofdstuk 40:39. Zij zullen portiers zijn aan de poorten van het huis en wachters van de wacht des huizes, aan al zijnen dienst. Die niet geschikt zijn om de eene soort van dienst te verrichten, kunnen nog wel geschikt zijn voor eene andere soort, en zelfs, die aanstoot gegeven hebben, kunnen nog nuttig zijn, en worden niet geheel ter zijde gesteld, veel minder verworpen.
11. Die getrouw geweest zijn, worden geëerd en bevestigd, vers 15, 16. Dezen worden op merkwaardige wijze onderscheiden van de anderen: "Maar de kinderen Zadoks, die rein gebleven waren in een tijd van algemeenen afval, die niet afdwaalden, toen anderen dat wel deden, die zullen tot Mij naderen, zullen naderen tot Mijne tafel." God schenkt eerbewijzen aan hen, die bewijzen van trouw en standvastigheid geven aan Hem, in tijden van beproeving, als alles wankelt, en gebruikt in Zijn dienst, die aan Zijn dienst getrouw gebleven zijn, toen anderen dien verlieten en den rug toekeerden. En men moet het als eene ware en groote belooning van standvastigheid in zijn plicht beschouwen, als men er in bevestigd wordt. Als wij dicht bij God blijven, zal God ons dicht bij Zich houden.