Ezechiël 44:17-31
Gods priesters moeten geordend zijn, en niet zonder orde of regel, en daarom worden hun hier regels van bestuur gegeven en de noodige bemoediging om naar die regels te leven. De regels, die hier gegeven worden, betreffen,
1. Hun kleederen, zij moeten linnen kleederen aantrekken, als zij ingaan om te dienen of eenigen dienst te verrichten in het binnenste voorhof, of in het heiligdom, en niets, dat van wol was, omdat zij daarvan zouden zweeten, vers 17, 18. Zij moeten eene heere kleeding aanhebben, om te beter hun werk te kunnen doen, en dat is te meer noodig, omdat zij het altaar moeten bedienen, waar altijd vuur op is. Rein en frisch moeten zij zich kleeden, en alles mijden, wat bezweet en vuil is, om de reinheid van hart te beteekenen, waarmee de dienst van God verricht moet worden. Het zweet was een gevolg van de zonde en een deel van den vloek. In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten. De kleeding kwam ook met de zonde, namelijk kleeding van dierenvellen, en daarom moeten de priesters zoo weinig en zoo licht mogelijke kleeding dragen en niet eene, die zweet veroorzaakt. Als zij hun dienst verricht hebben, moeten zij van kleeding veranderen, en hun linnen kleeding opbergen in de kamers, die voor dat doel aangewezen zijn, vers 19, als tevoren, Hoofdstuk 42:14. Zij mogen niet onder het volk gaan met hun heilige kleederen aan, opdat zij, niet zullen denken, dat zij door hun aanraking geheiligd worden, of, zij zullen het volk heiligen dat is zooals verklaard wordt in Hoofdstuk 42:14, zij zullen naderen tot hetgene dat voor het volk is in hun gewone kleederen.
11. Hun haar, daarin moeten zij beide uitersten vermijden, vers 20:Zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, in navolging van de heidensche priesters, en zooals de priesters van de Roomsche kerk doen, maar aan den anderen kant zullen zij de lokken ook niet lang laten wassen, opdat zij voor Nazireërs gehouden werden, zonder het te zijn, maar zij moeten ernstig en bescheiden zijn, zij moeten hunne hoofden beschermen en hun haar kort houden. Zoo een man lang haar draagt, is dat niet passend, vooral niet voor een dienaar, 1 Corinthiers. 11:14, het is verwijfd.
III. Hun voeding, zij mogen volstrekt geen wijn drinken, als zij ingaan, om dienst te doen, opdat zij niet overmatig drinken, en de wet vergeten, vers 21. Het komt den koningen niet toe, wijn te drinken, meer dan goed voor hen is, veel minder den priesters, Spreuk. 31:4, 5. Zie ook Leviticus 10:9.
IV. Hun huwelijk, vers 22. Hierin moeten zij rekening houden met den goeden naam van hun ambt, en geen vrouw nemen, die verstooten is, en ten minste onder verdenking ligt van onzedelijkheid, noch eene weduwe, tenzij de weduwe van een priester, die gewoon is aan de gebruiken der priesterlijke families. Anderen mogen doen, wat predikanten niet mogen, die moeten zichzelf verloochenen, ter eere van hun goeden naam. Hun vrouwen moeten evenals zij zelf een goeden naam hebben.
V. Hun prediking en kerkbestuur.
1. Een deel van hun taak was, het volk te onderwijzen, en hierin moeten zij toonen, dat zij beide, ervaren en getrouw zijn, vers 23:Zij zullen Mijn volk onderscheid leeren tusschen het heilige en onheilige, tusschen goed en kwaad, wettig en onwettig, opdat zij geen gewetensbezwaar hebben tegen wat wettig, en niet wandelen in hetgeen onwettig is, dat zij niet verontreinigen, wat heilig, en dat zij zichzelf niet verontreinigen met wat onheilig is. Predikanten moeten moeite doen om het volk het onderscheid bekend te maken tusschen het reine en het onreine, dat zij het recht en onrecht niet met elkander verwarren, en zich daarin niet vergissen, dat zij duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis, maar een juist oordeel des onderscheids hebben over hun eigene handelingen.
2. Het was een deel van hun taak om de zaken te oordeelen, die voor hen gebracht werden, Deuteronomium 17:8, 9, en over eene twistzaak zullen zij slaan om te richten, vers 24. Zij zullen zoo eerlijk zijn op te komen voor hetgeen recht is, en, als zij een billijk vonnis geveld hebben, zullen zij den moed hebben er bij te blijven en er niets af te doen. Zij moeten richten, niet naar hun eigen denkbeelden, of neigingen, of wereldsche belangen, maar naar Mijne rechten, dat moet hun vorm en regel zijn. Predikanten moeten geschillen beslechten naar het Woord van God, naar de wet en het getuigenis. Sit liber iudex-De rechter moet onpartijdig zijn. Het is hun taak gericht te houden in Gods naam, om voor te zitten in de vergaderingen van Zijn volk. En hiervoor moeten zij zich houden aan de inzettingen: Zij zullen Mijne inzettingen houden in al Mijne vergaderingen. God noemt de vergaderingen van Zijn volk Zijne vergaderingen, omdat zij in Zijn naam gehouden worden, tot Zijn eer. De predikanten zijn de leiders van die vergaderingen, zij moeten er voorzitten en in al hun handelingen zich aan Gods wetten houden. Een ander deel van hun taak is, Gods Sabbatten te heiligen, als bestuurders van de kerk, de openbare verrichtingen van dien dag met passende zorg en eerbied waarnemen, zooals het werk van een heiligen dag waargenomen behoort te worden, en toe te zien, dat Gods volk dien dag eveneens heiligt en niets doet om dien te ontheiligen.
Vl. Den rouw om overleden bloedverwanten, de regel hier stemt overeen met de wet van Mozes, Leviticus 21:1, 11. Een priester zal niet ingaan tot eenen dooden mensch, want zij moeten rein blijven van doode werken, uitgezonderd zijn naaste verwanten, vers 25. Gepaste uitingen van oprechte smart over dierbare verwanten, die hun door den dood zijn ontnomen, zijn niet in strijd met het karakter van het priesterambt. Toch zijn zij door deze nadering tot het lijk van een bloedverwant, naar de wet onrein, waarom zij door een zondoffer gereinigd moeten worden, voordat zij ingaan om den dienst waar te nemen, vers 26, 27. Hoewel smart over een doode veroorloofd en prijzenswaardig is, toch is er gevaar daarin te zondigen, of door overdrijving of door geveinsdheid, en die tranen zijn maar al te vaak de oorzaak van nieuwe tranen.
VII. Hun onderhoud, zij moeten leven van het altaar, dat zij bedienen en leven zonder zorg vers 28:"Gij zult hunlieder geene bezitting geven, in Israël geen eigen landerijen en geen huurperceelen, opdat zij niet in de zaken van dit leven gewikkeld worden, want God heeft gezegd: Ik ben hunne bezitting, en daarbij hebben zij geen andere noodig, noch als aanvulling, noch voor geval van nood. Eenig land is hun toegestaan, Hoofdstuk 48:10, maar hun hoofdbestaan moeten zij in hun ambt vinden. Wat God Zich toeëigent, dat ontvingen zij voor hun gebruik en behoefte, zij leven van de heilige dingen, en zoodoende was God Zelf het deel, beide van hun erfenis en van hun beker. Die God als hun erfenis en bezitting hebben, kunnen met weinig tevreden zijn, en mogen geen begeerte hebben naar groote bezittingen en erfenissen van deze aarde. Als wij God hebben, hebben wij alles en daarom mogen wij wel rekenen, dat wij genoeg hebben. Hier is op te merken,
1. Wat de priesters zullen ontvangen van het volk, tot hun onderhoud en aanmoediging. a. Zij mogen het vleesch hebben van vele offers het zondoffer en het schuldoffer, dat hun en hun gezin van vleesch zal voorzien, en het spijsoffer, dat hen van brood zal voorzien. Wat wij God offeren zal tot ons eigen voordeel strekken. b. Zij mogen alles hebben, wat in Israël beloofd en geheiligd wordt, wat in vele gevallen in geld kon omgezet en den priesters gegeven worden. Dit wordt verklaard in vers 30. Alle hefoffer of vrijwillig offer, dat in tijden van verbetering en vroomheid veelvuldig en aanzienlijk zal zijn, van alles, van alle uwe hefofferen zullen der priesteren zijn. De desbetreffende wet is te vinden in Leviticus 27. C. Zij zullen de eerstelingen van het deeg hebben, als het in den oven ging, en ook de eerstelingen van de vruchten, als zij naar de schuur gingen. God, die de Eerste is, moet ook de eerstelingen hebben, en als het Hem gegeven is, moeten Zijne priesters die hebben. Dan pas kunnen wij zonder zorg genieten, wat wij hebben, als een deel er van eerst afgezonderd is voor werken van vroomheid en liefdadigheid. Hiermee gelijksoortig is de regel van den apostel, om op den eersten dag der week iets weg te leggen voor vrome doeleinden, 1 Corinthiers. 16.: 2. Daar de priesters zoo welverzorgd zijn, zou het onvergeeflijk van hen zijn (en strijdig met de wet, waaraan iedere Israëliet gebonden is), als zij aten, wat verscheurd is, of aas, dat vanzelf gestorven is, vers 31. Die gebrek hebben aan het noodigste voedsel, kunnen misschien in dat geval verontschuldigd worden. Armoede heeft haar verzoekingen, maar de priesters zijn zoo welverzorgd, dat zij zelfs geen voorwendsel voor zoo iets hebben.
2. Wat het volk tot belooning van de priesters kan verwachten. Die vriendelijk zijn jegens een profeet, jegens een priester zullen hun belooning van een profeet of priester ontvangen: Om den zegen op uw huis te doen rusten, vers 30, God zal het doen door Zijn bevel, en de priester zal het doen door er om te bidden, en het was een deel van de taak van den priester om het volk in den naam des Heeren te zegenen niet alleen hunne bijeenkomsten, maar ook hunne huisgezinnen. Het is het hoogste geluk voor een huis, als Gods zegen het ten deel valt en als Gods zegen er op rust, en voor ons om daar te wonen en dien zegen na te laten aan hen, die na ons zullen komen. En de weg om den zegen Gods op onze bezittingen te doen rusten, is, God er mee te eeren, en Hem en Zijne dienaren, Hem en Zijne armen, hun deel er van te geven. God zegent, Hij zegent zeker de woningen van die zoo rechtvaardig zijn Spreuken 3:33. En, door onderricht en gebed voor de gezinnen, die vriendelijk voor hen zijn, moeten predikanten het hunne doen, om den zegen daar te doen rusten. Vrede zij dezen huize.