Spreuken 3:27-35
Ware wijsheid bestaat in het behoorlijk volbrengen van onze plicht jegens de mensen zowel als jegens God, in eerlijkheid zowel als in vroomheid, en daarom hebben wij hier onderscheidene uitnemende voorschriften van de wijsheid, die betrekking hebben op onze naaste.
I. We moeten aan allen geven wat hun toekomt, beide in gerechtigheid en in barmhartigheid, en niet uitstellen om dit te doen, vers 27, 28. Onthoud het goed van zijn meesters niet, ( hetzij uit gebrek aan liefde voor hen, of uit al te veel liefde voor uw geld) als het in het vermogen uwer hand is om het te doen, want indien het dit niet is, dan kan het ook niet verwacht worden, maar het was uw grote schuld, als gij door uw buitensporigheden u onmachtig hebt gemaakt om rechtvaardiglijk te handelen, en het behoorde uw grootste smart te zijn, indien God er u onbekwaam toe heeft gemaakt, niet zo zeer omdat gij dan beperkt zijt in uw eigen genoegens en gerieflijkheden maar omdat gij dan niet hebt om te geven aan wie het toekomt. Onthoud het niet, dit geeft te kennen dat er om gevraagd wordt en dat het verwacht wordt, maar dat de hand teruggehouden wordt, en de ingewanden van de barmhartigheid toegesloten zijn. Wij moeten anderen niet verhinderen om het te doen, noch zelf er traag of achterlijk in zijn. Indien gij het heden bij u hebt, het in de macht uwer hand hebt, zeg dan niet tot uw naaste: Ga ditmaal heen, en kom terug op een meer gelegen tijd, en dan zal ik zien wat gedaan kan worden, morgen zal ik geven, daar gij er toch niet zeker van zijt dat gij morgen zult leven of dat gij het morgen bij u zult hebben, wees er niet zo afkerig van om van uw geld te scheiden, voer geen verontschuldigingen aan om een plicht van u af te schuiven, die gedaan moet worden, schep er geen behagen in om uw naaste in spanning en onzekerheid te houden, of om het gezag te tonen, dat de gever heeft over de bedelaar, maar geef geredelijk en blijmoedig, uit een beginsel van nauwgezetheid van geweten tegenover God, goed aan hen aan wie het toekomt, aan de meesters of eigenaars ervan, aan hen, die er op enigerlei wijze recht op hebben. Dit stelt ons ten plicht:
1. Om onze rechtmatige schulden te betalen, zonder bedrog en zonder uitstel.
2. Loon te geven aan hen, die het verdiend hebben.
3. Te voorzien voor onze bloedverwanten en voor hen, die afhankelijk van ons zijn, want aan hen komt dit toe.
4. Het verschuldigde te betalen aan de kerk en de staat, aan magistraten en leraren.
5. Bereid te zijn tot alle daden van vriendschap en menslievendheid, en in alles zich welwillend en hulpvaardig te betonen, want dat zijn dingen, die verschuldigd zijn aan de wet, welke voorschrijft om aan anderen te doen, wat wij wensen dat aan ons gedaan zal worden.
6. Barmhartig te zijn voor de armen en behoeftigen, indien anderen gebrek hebben aan hetgeen nodig is om het leven te onderhouden en wij hebben hetgeen in hun behoeften kan voorzien, dan moeten wij dit beschouwen als iets, dat wij hun verschuldigd zijn, en het hun niet onthouden, aalmoezen worden gerechtigheid genoemd, omdat zij een schuld zijn aan de armen, een schuld, waarvan wij de betaling niet moeten uitstellen. "Bis dat, qui cito dat. Wie spoedig geeft, geeft tweemaal." II. Wij moeten nooit schade of nadeel tegen iemand bedenken of beramen, vers 29. Smeed geen kwaad tegen uw naaste, bedenk niet hoe gij hem zonder ontdekt te worden een lelijke trek kunt spelen, om hem te benadelen in zijn lichaam, zijn bezittingen of zijn goede naam, en dit te meer, omdat hij met vertrouwen bij u woont, en u geen kwaad gedaan hebbende, geen achterdocht omtrent u koestert, en dus niet op zijn hoede tegen u is. Het is tegen de wet beide van de eer en van de vriendschap, om iemand een ondienst te doen zonder hem te waarschuwen, vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgen verslaat. Het is uiterst laag en ondankbaar om, als onze naasten de goede mening van ons koesteren dat wij hun geen kwaad zullen doen, daar misbruik van te maken om hen te bedriegen en te benadelen.
III. Wij moeten niet twistziek of pleitziek zijn, vers 30. Twist met een mens niet zonder oorzaak, strijd niet om datgene te verkrijgen waar gij geen recht op hebt, vat niet op als een terging of belediging wat misschien maar een vergissing was. Val uw naaste niet lastig met beuzelachtige klachten en beschuldigingen, of met kwellende rechtsgedingen, als u of geen leed geschied is, of geen leed, dat de moeite waard is om er van te spreken, of wanneer gij u op vriendschappelijke wijze recht zoudt kunnen verschaffen. De wet moet de laatste toevlucht wezen, want het is niet alleen onze plicht, maar ons belang, om zoveel in ons is, vrede te houden met alle mensen. Als de rekening wordt opgemaakt, zal men bevinden dat er weinig winst werd behaald door te twisten.
IV. Wij moeten de voorspoed van de bozen niet benijden, vers. 31. Deze waarschuwing is gelijk aan die, waarop met zoveel nadruk wordt aangedrongen in Psalm 37. Benijd de verdrukker niet, vers 31, al is hij rijk en groot, al leeft hij in gemak en genoegen, en maakt hij dat allen om hem heen ontzag voor hem hebben, moet gij toch niet denken dat hij een gelukkig man is, of wensen in zijn plaats te zijn. Verkies geen van zijn wegen, volg hem niet na, gebruik de middelen niet, die hij gebruikt om zich te verrijken. Denk er nooit aan om te doen zoals bij doet, al zoudt gij ook zeker zijn van er alles door te verkrijgen wat hij heeft, want het zou zeer duur gekocht zijn.
Om nu te tonen hoe weinig reden de heiligen hebben om de zondaren te benijden, vergelijkt Salomo in de laatste vier verzen van het hoofdstuk de toestand van de zondaren en van de heiligen met elkaar (zoals zijn vader David gedaan had in Psalm 37), stelt hij de ene tegenover de andere, opdat wij zien hoe gelukkig de heiligen zijn, hoewel zij verdekt zijn, en hoe rampzalig de goddelozen zijn, hoewel zij verdrukkers zijn. De mensen moeten beoordeeld worden naar zij voor God staan en naar Hij over hen oordeelt, niet naar zij bij de wereld staan aangeschreven. Diegenen hebben gelijk, die van Gods gevoelen zijn, en als wij van Zijn gevoelen zijn, dan zullen wij zien dat, welk voorwendsel de ene zondaar ook heeft om de anderen te benijden, de heiligen zelf zo gelukkig zijn, dat zij volstrekt geen reden hebben om zondaren te benijden, al is hun toestand ook nog zo voorspoedig. Want:
1. Zondaren worden gehaat door God, maar de heiligen worden door Hem bemind, vers 32. De weerspannigen, die steeds verder van God weggaan, wier leven in tegenspraak is met Zijn wil zijn de Heere een gruwel. Hij, die niets haat van hetgeen Hij gemaakt heeft, verafschuwt hen, die aldus zichzelf geschonden hebben, zij zijn niet alleen verfoeilijk in Zijn ogen, maar een verfoeisel, de rechtvaardigen hebben dus geen reden om hen te benijden, want bij hen is Zijn verborgenheid, zij zijn Zijn gunstgenoten, Hij oefent die gemeenschap met hen, welke een verborgenheid is voor de wereld, en waarin zij een blijdschap genieten, waarin de vreemde zich niet zal mengen, Hij deelt hun de verborgen tekenen mee van Zijn liefde, Zijn verbond is bij hen, zij kennen Zijn wil en de voornemens en bedoelingen van Zijn voorzienigheid, beter dan anderen ze kunnen kennen. Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe?
2. Zondaren zijn onder de vloek van God, zij en hun huis. De heiligen zijn onder Zijn zegen, zij en hun woning, vers 33. De goddeloze heeft een huis, een sterke en statige woning misschien, maar de vloek des Heeren is er op, is er in, en hoewel de zaken van het gezin voorspoedig kunnen zijn, zijn toch zelfs de zegeningen vervloekt, Maleachi 2:2. Er is magerheid in de ziel, terwijl het lichaam ten volle verzadigd is, Psalm 106:15. De vloek kan stil en langzaam werken, maar hij is als een invretende melaatsheid, hij zal het huis verteren met zijn houten en zijn stenen, Zacheria 5:4, Habakuk 2:11. De rechtvaardigen hebben een woning, een schamele hut, het woord is gebruikt voor schaapskooi, een zeer geringe woonstede, maar God zegent haar, Hij zegent haar voortdurend, van het begin des jaars tot het einde des jaars. De vloek of de zegen van God is op een huis, al naar de bewoners ervan goddeloos of Godvruchtig zijn, en het is zeker dat een gezegend gezin, hoewel het arm is, geen reden heeft om een vervloekt gezin te benijden, hoewel het rijk is.
3. God legt versmaadheid op zondaren, maar betoont eer en achting aan de heiligen, vers 34..
a. Zij, die zichzelf verhogen, zullen gewis vernederd worden, zeker, de spotters zal Hij bespotten. Zij, die het verachten om zich aan de tucht van de Godsdienst te onderwerpen, het verachten om Gods juk op zich te nemen het verachten om iets aan Zijn genade te danken te hebben, die spotten met Godsvrucht en smalen op Godvruchtige mensen, en er een genot in vinden om hen te beschimpen en aan spotternij bloot te stellen, zullen door God bespot worden, en door Hem aan de beschimping van geheel de wereld blootgesteld worden, Hij veracht hun machteloze boosaardigheid, Hij zit in de hemel en belacht hen, Psalm 2:4. Hij zet hun hun spotternij betaald, Psalm 18, 27. Hij weerstaat de hovaardigen.
b. Zij, die zichzelf vernederen, zullen verhoogd worden, want de nederige geeft Hij genade, Hij werkt datgene in hen, hetwelk hun eer aandoet, en om hetwelk zij Gode welbehaaglijk en de mensen aangenaam zijn. Zij, die de minachting van spotters geduldig dragen, zullen van God en alle goede mensen eer ontvangen, en dan hebben zij geen reden om de spotters te benijden, of hun wegen te verkiezen.
4. Het einde van de zonderen zal eeuwigdurende versmaadheid zijn, het einde van de heiligen eeuwige eer, vers 35..
a. De heiligen zijn wijzen en handelen verstandiglijk voor zichzelf, want hoewel hun Godsdienst hen thans aan smaad en verachting blootstelt, maakt dat zij door de mensen geïgnoreerd worden, zijn zij er toch zeker van ten laatste eeuwige eer te zullen beërven, zij zullen haar hebben, haar hebben door erfrecht, het lieflijkste en zekerste recht. God geeft hun genade, vers 34, en daarom zullen zij eer en heerlijkheid beërven, want genade is eer, 2 Corinthiers 3, 18. Het is de heerlijkheid aan het begin, het onderpand ervan, Psalm 84:12.
b. Zondaren zijn zotten want zij bereiden niet alleen schande voor zichzelf, maar tegelijkertijd vleien zij zich met een vooruitzicht op eer, alsof zij alleen op weg waren om groot te zijn. Hun einde zal hun dwaasheid in het licht stellen. Schande zal hun bevordering zijn.. En het zal zoveel te meer hun straf zijn, omdat die schande komt in plaats van hun bevordering, het zal al de verhoging zijn, die zij ooit hebben te verwachten, dat God verheerlijkt zal worden in hun eeuwige beschaming.