19. En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrekken (
Leviticus 6:11), en dezelve henenleggen in de heilige kameren, van welke in
Hoofdstuk 42:1, sprake is; en zullen andere klederen aantrekken; opdat zij het volk niet heiligen met hun klederen (
Hoofdstuk 46:20).
Aan de bepalingen, wie in den nieuwen tempel in den dienst moet voorzien, verbinden zich overeenkomstig het zakelijk verband de voorschriften omtrent de lichamelijke toestanden, waarin die dienst moet worden verricht, daar de lichaamstoestand den zieletoestand of de geestelijke gesteldheid der dienaren Gods afschaduwt. Deze betekenis heeft de ambtskleding, welke in Exodus 28 den priesters voor den heiligen dienst was voorgeschreven. Het voorschrift, dat daarop betrekking heeft, wordt nu hier als nog terecht bestaande, verondersteld en gedeeltelijk versterkt. Van de stof der kleding is wol van dieren uitdrukkelijk uitgesloten, opdat de priester zich niet in het zweet brenge, want zweet maakt onrein, en hij moet door rein houden des lichaams ook uitwendig tonen, dat bij rein en onberispelijk is. In hun ambtsklederen moeten de priesters zich niet in het buitenste voorhof onder het volk begeven, om het niet door hun heilige klederen te heiligen. Deze heiliging kan niet anders worden gedacht dan overeenkomstig de bepaling der wet (Leviticus 6:18, 27 vgl Exodus 29:37, 30:29), dat de aanraking van het hoogheilige offervlees of van het brandofferaltaar en van de gereedschappen des heiligdoms heiligt. Wat van deze hoogheilige voorwerpen gezegd wordt, dat hun heiligheid op hem, die ze aanraakt, overgaat, heeft ook betrekking op de heilige priesterklederen. Het gaan in deze klederen onder het volk wordt daarom den priesters verboden, omdat ene zodanige door aanraking van heilige voorwaarden verkregene heiligheid aan hen, die ze had verkregen, den plicht oplegde, om zich voor verontreiniging te wachten (Leviticus 21:1-8). Deze kon het volk in al zijne levensbetrekkingen niet bewaren, hetgeen dan ene verzwakking of uitwissing van het onderscheid tussen het heilige en gewone noodzakelijk zou ten gevolge hebben.
Het zweet en het zweten is een gevolg van de zonde. Het was daarom dat de Priesters, zij, die Gods heiligdom bedienden, zich van zulke klederen moesten bedienen, die geen zweet veroorzaken. En opdat er onderscheid zou zijn tussen heilig en gewoon, mochten zij hun ambtsklederen niet onder het volk dragen, opdat aan de mening geen voedsel werd gegeven, dat wie die de heilige klederen droeg ook daarom zelf geheiligd was.