16. Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijne tafel tot het reukaltaar (
Hoofdstuk 41:22) naderen om te dienen, en zij zullen Mijne wacht, de priesterlijke functies in Mijn huis, waarnemen.
Terwijl het priesterschap aan alle zonen van Aäron toekwam, was het met het hogepriesterschap anders. Dat was in den beginne, tot aan Eli, overeenkomstig de belofte in Numeri 25:13 in de familie van Eleazar, den oudsten zoon van Aäron, erfelijk geweest. Door Eli ging het op de familie van Ithamar, den jongsten zoon van Aäron over, en bleef bij deze, totdat de laatste hogepriester, die uit de familie van Ithamar afstamde, Abjathar zich mede met de zamenzwering inliet, welke tegen het koningschap van Salomo was gericht. Tengevolge daarvan zette Salomo Abjathar af, en gaf hij het hogepriesterschap aan den hem getrouw gebleven priester Zadok (1 Koningen 1:5, 2:26 Vers 35). Zo kwam volgens de door God in 1 Samuël 2:35 uitgesprokene dreiging door de trouw van Zadok omtrent Salomo het priesterschap weer aan de familie van Eleazar. Aan dezen Zadok nu menen de uitleggers hier te moeten denken; wij hebben echter in Hoofdstuk 8:16 uitdrukkelijk gelezen, dat Ezechiël de hoofden der gehele priesterschap, en aan haar hoofd een toenmaligen hogepriester, die een zoon van Zadok was, tussen tempel en altaar de zon zag aanbidden. Reeds hierdoor is het bepaald onmogelijk, dat de Profeet onder de zonen van Zadok, die getrouwheid betoond hebben, toen alles dwaalde, en die daarom het priesterschap der toekomst zouden bedienen, de lichamelijk van Zadok afstammende hogepriesterlijke familie zou kunnen verstaan. Zeker zal de door Ezechiël gebruikte uitdrukking met dien Zadok in verband staan, maar toch dezen zin hebben: Eens is er een Zadok uit den stam van Levi geweest, die, toen anderen uit den stam van Levi en veel volks aan den van God tot koning van Israël bestemden trouw weigerden, deze trouw bewees, en ten loon daarvoor met het hogepriesterschap werd bekleed; zo zal er nu ook in volgende tijden, in welke nog een andere Salomo wezen zal, dien God tot koning van Zijn volk heeft gemaakt, en nog een gans andere afval der kinderen Israëls, een Zadok of rechtvaardige zijn, die getrouw blijft, voor diens zonen zal dan het priesterschap zijn.
Hun priesterschap (niet hogepriesterschap, want daarvan kan bij den dienst in het nieuwe heiligdom geen sprake meer zijn) zal daarin bestaan, dat zij den Heere naderen, om Hem te dienen, dus de offeranden des volks te brengen, het reukaltaar te verzorgen en over de instellingen van het heiligdom te waken. Wie zijn nu echter deze zonen van Zadok in onderscheiding van de overige Levieten en Aäronieten, die aan het huis Israëls ene ergernis tot zonde hebben gegeven? Wij kunnen er geen ogenblik aan twijfelen, dat de voorzegging hier een wel vrij verborgen, maar, nadat de geschiedenis het bedeksel heeft weggenomen, toch duidelijk merkbaren blik in het lijden van Christus slaat, toen Israël het verst van den Heere naar zijne afgoden is afgedwaald. Die hogepriesters, priesters en Levieten, welke eens te zamen Christus hebben veroordeeld en het volk er toe gebracht hebben om te roepen: "Kruist Hem, Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!", die zullen in hun nakomelingen ook wel in genade worden aangenomen, wanneer voor Israël de tijd der genade wederkeert. In Openbaring :4, telt ook het geslacht van Levi evenals elke andere stam 144. 000. Zo zal de voorbede van den gekruisigde in Lukas 23:34 zich in hare hoogste kracht betonen. Toch zullen zij in zo verre hun straf moeten dragen, dat zij niet meer tot het priesterschap komen, zij moeten zich met bloot Levietische diensten vergenoegen, opdat zij voor hun deel, wanneer het gehele huis Israëls zich over zijne misdaad schaamt (Hoofdstuk 43:10), dit nog in bijzondere mate doen over de hun. Daarentegen hebben wij enen Zadok, een schitterend afbeeldsel van dien Zadok, die eens aan Salomo getrouw was, in Jozef van Arimathea, den vererenswaardigen raadsheer, die niet mede bewilligd had in hunnen raad. Deze zal, zo menen wij te mogen aannemen, in zijne nakomelingschap, eens voor het bekeerde Israël het priestergeslacht geven, en dat hij zelf uit het priesterlijk geslacht was, heeft reeds de beroemde Engelse Oriëntalist Lightfoot op andere gronden vermoed. Wel heeft Jozef zelf zich zeker aan de eerste Christelijke gemeente aangesloten, en wordt hij reeds onder de 500 broederen gerekend, van welke Paulus in 1 Corinthiërs 15:6 spreekt, of onder de 120, die in Hand. 1:15 worden vermeld, of echter de leden zijner familie en in `t bijzonder zijne zonen eveneens Christenen zijn geworden, of wel onder het ongelovige Israël zijn gebleven, dit moet geheel ter zijde gelaten worden, van die zijde staat dus aan onze mening niets in den weg.