Leviticus 8:1-13
God had aan Mozes orders gegeven om Aaron en zijn zonen tot het priesterambt te heiligen, toen hij de eerste maal bij Hem op de berg Sinai was, Exodus 28 en 29, waar wij ook de bijzondere instructies vinden, omtrent de wijze waarop hij dit doen moest. Nu hebben wij hier:
I. Die orders herhaald, wat daar bevolen was om te doen, wordt hier bevolen om nu te doen, vers 2, 3. De tabernakel was onlangs opgericht, die, zonder de priesters, als een kandelaar zou zijn zonder kaars. De wet betreffende de offeranden was onlangs gegeven, maar kon, zonder priesters, niet worden nagekomen, want hoewel Aaron en zijn zonen voor het ambt waren aangewezen, konden zij het ambt toch niet waarnemen, als zij niet gewijd waren, hetgeen niet kon geschieden voordat de plaats, waar zij hun dienstwerk moesten verrichten in orde gebracht was, en de inzettingen gevestigd waren, opdat zij zich, zodra zij gewijd waren tot het werk konden begeven, en zouden weten dat zij gewijd waren, niet slechts om de eer en het voordeel van het priesterschap te hebben, maar om het werk er van te doen. Aaron en zijn zonen waren nabestaanden van Mozes, en daarom wilde hij hen niet wijden, voordat hij er nadere orders toe had ontvangen, opdat hij niet de schijn zou hebben al te voortvarend te zijn om eer te brengen in zijn familie.
II. De vergadering wordt samengeroepen aan de deur, dat is: in de voorhof van de tabernakel, vers 4. De ouderlingen en de voornaamste mannen uit de vergadering, die het gehele volk vertegenwoordigden, werden opgeroepen om de dienst bij te wonen, want de voorhof kon slechts weinigen van de duizenden Israëls bevatten. Dit geschiedde aldus in het openbaar:
1. Omdat het een plechtige handeling was tussen God en Israël, de priesters moesten gesteld worden voor de mensen in de zaken die bij God te doen zijn, ter instandhouding van de gevestigde gemeenschap, en om te handelen over alle zaken tussen het volk en God, en daarom was het passend dat beide partijen de plechtigheid aan de deur van de tent van de samenkomst zouden bijwonen als blijk van hun volkomen goedkeuring er van en instemming er mee.
2. Het kon niet anders of het aanschouwen van die plechtigheid moest een diepe eerbied teweegbrengen voor de priesters en hun ambt, hetgeen wel nodig was onder een volk, dat zo'n treurige neiging had tot afgunst en ontevredenheid. Het was vreemd dat er onder hen, die getuigen waren van hetgeen hier geschied was, sommigen later zouden zeggen: Het is te veel voor u, maar wat zouden zij gezegd hebben, indien dit in het geheim of tersluiks geschied was? Het is zeer passend en een goed gebruik, dat leraren in het openbaar aangesteld worden, "plebe praesente, in de tegenwoordigheid van het gemene volk," overeenkomstig het gebruik in de oorspronkelijke kerk.
III. Mozes, die bij deze plechtigheid Gods vertegenwoordiger was, legde zijn volmacht over voor de vergadering: Dit is de zaak, die de Heere geboden heeft te doen. Ofschoon God hem toen Hij voor de ogen van geheel Israël zijn aangezicht deed glinsteren, tot koning gekroond had in Jeshurun, heeft hij toch in de aanbidding van God niets ingesteld of bepaald, dan wat God hem geboden had. Het priesterschap, dat hij hun overleverde, was wat hij van de Heere had ontvangen. Allen, die de bediening hebben van het heilige, moeten het oog hebben op Gods gebod als hun regel en hun volmacht, want het is alleen in het volgen en waarnemen daarvan, dat zij kunnen verwachten door God erkend en aangenomen te worden. Zo moeten wij bij al onze handelingen in de eredienst Gods kunnen zeggen: Dit is de zaak, die de Heere geboden heeft te doen.
IV. De plechtigheid wordt naar de Goddelijke ritus verricht.
1. Aaron en zijn zonen werden gewassen met water, vers 6, om aan te duiden, dat zij zich nu behoren te reinigen van alle zondige neigingen of aandoeningen en zich altijd daarna rein moeten houden. Christus wast hen, die Hij voor God tot koningen en priesters gemaakt heeft, "van hun zonden in Zijn bloed," Openbaring 1:5, 6, en zij, die toegaan tot God, moeten met rein water gewassen zijn, Hebreeën 10:22. Al waren zij tevoren nog zo rein, al was er ook geen vuil vlekje aan hen te zien, toch moesten zij gewassen worden, om hun reiniging aan te duiden van de zonde, waarmee hun ziel verontreinigd was, hoe schoon hun lichaam ook mocht wezen.
2. Zij werden met de heilige kleren bekleed, Aaron met de zijne, vers 7 9, die een beeld waren van de waardigheid van Christus onze Hogepriester, en zijn zonen met de hunne, vers 13, die een beeld waren van de zedigheid van de Christenen, die geestelijke priesters zijn. Christus draagt de borstlap van het gericht, en de heilige kroon, want de Hogepriester van de kerk is haar Profeet en Koning. Alle gelovigen zijn bekleed met de mantel van de gerechtigheid, en omgord met de gordel van de waarheid, kloekmoedigheid en waakzame ijver, en hun hoofd is gebonden met de muts of diadeem van schoonheid, de schoonheid van de heiligheid.
3. De hogepriester werd gezalfd, en tegelijker tijd schijnen ook de heilige zaken gezalfd te zijn. Sommigen denken dat die reeds tevoren gezalfd waren, maar dat dit hier vermeld wordt, omdat Aaron gezalfd werd met dezelfde olie, waarmee zij gezalfd waren. De wijze echter, waarop dit hier verhaald wordt, maakt het meer waarschijnlijk, dat het terzelfdertijd geschied was, en dat de zeven dagen, gebruikt om het altaar te wijden, samenvielen met de zeven dagen van de wijding van de priesters. Mozes heeft iets van de zalfolie met zijn vinger op de tabernakel gedaan en op alles wat daarin was, vers 10, zo ook op het altaar vers 11, deze moesten het goud en de gave heiligen, Mattheus 23:17-19, en daarom moesten zij zelf aldus geheiligd worden, maar hij stortte haar overvloediger uit op het hoofd van Aaron, vers 12, zodat zij neerdaalde op de zoom van zijn kleren, omdat zijn zalving een beeld was van Christus' gezalfd zijn met de geest, die Hem zonder mate gegeven was. Maar ook alle gelovigen hebben de zalving ontvangen, die in hen blijft, 1 Johannes 2:27.