Leviticus 8:31-36
Nadat Mozes zijn deel van de plechtigheid verricht heeft, laat hij nu Aaron en zijn zonen hun deel er van verrichten.
I. Zij moeten het vlees van hun dankoffer koken, en het in de voorhof van de tent van de samenkomst eten, en wat er van overbleef met vuur verbranden, vers 31, 32. Dit gaf hun dankbare instemming te kennen met hun wijding, toen God aan Ezechiël zijn opdracht gaf, gebood Hij hem de rol te eten, Ezechiël 3:1, 2.
II. Zij moeten gedurende zeven dagen zich niet van de voorhof van de tabernakel verwijderen, vers 33. Daar het priesterschap een goede strijd was, moeten zij aldus leren hardheid of ontbering te lijden, en zich van de zaken van deze wereld los te maken, 2 Timotheus 2:3,4, Afgezonderd, dat is geheiligd, tot hun dienst moeten zij er in bezig zijn, er zich geheel aan geven, er gedurig in bezig zijn. Zo werd aan Christus' apostelen bevolen de belofte van de Vader te verwachten, Handelingen 1:4. Gedurende deze voor hun wijding bepaalde tijd, moesten zij dagelijks dezelfde offers brengen die zij op de eerste dag gebracht hadden, vers 34. Dit toont de onvolkomenheid van de offers van de wet, die, omdat zij de zonde niet konden wegnemen, dikwijls herhaald werden, Hebreeën 10:1-2, maar hier zevenmaal (een volkomen getal) herhaald werden, omdat zij een type waren van die ene offerande, die in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Het werk duurde zeven dagen, want het was een soort van schepping, en die tijd werd bepaald ter ere van de sabbat, die waarschijnlijk de laatste dag was van de zeven, voor welke zij zich gedurende de zes dagen hadden toe te bereiden. Zo moet de tijd van ons leven, evenals de zes dagen, onze toebereiding zijn voor de volmaking van onze toewijding aan God in de eeuwige sabbatdag. Zij moeten daar dag en nacht zijn, vers 35, en even volhardend en standvastig moeten wij zijn in onze overdenking van Gods wet. Psalm 1:2. Zij waren er om de wacht van de Heere waar te nemen, wij hebben, een ieder van ons, een wacht waar te nemen, een last, een opdracht te volbrengen, de eeuwige God te verheerlijken, voor onze onsterflijke ziel te zorgen, nodige plichten waar te nemen, ons geslacht te dienen. En het moet onze dagelijkse zorg wezen deze wacht waar te nemen, want het is de wacht van de Heere, onze Meester, die ons er weldra rekenschap van zal afeisen, en het is op ons uiterst gevaar, zo wij haar verzuimen of veronachtzamen. Neem haar waar, opdat gij niet sterft, het is de dood, de eeuwige dood, ontrouw te zijn aan de ons toebetrouwde last, de overweging hiervan moet ons in ontzag houden.
Eindelijk. In vers 36 wordt ons gezegd dat Aaron en zijn zonen deden al de dingen, die de Heere door de dienst van Mozes geboden had. Aldus was hun wijding voltooid, en aldus gaven zij aan het volk een voorbeeld van nauwkeurige gehoorzaamheid aan de wetten betreffende de offers, die nu pas gegeven waren, en zo konden zij hun met kracht en nadruk die gehoorzaamheid leren.
Aldus werd met Aaron en zijn zonen het verbond van de vrede, Numeri 25:12, van leven en vrede, Maleachi 2:5, gemaakt, maar na al de plechtigheden, die gebruikt werden bij hun wijding, was er een punt van bevestiging of bekrachtiging, dat bewaard bleef om de eer te zijn en de vestiging van Christus' priesterschap, namelijk dit: dat zij zonder eedzwering priesters zijn geworden, maar Christus met eedzwering, Hebreeën 7:20, 21, want noch zodanige priesters, noch zodanig priesterschap kon blijvend zijn, maar het priesterschap van Christus is eeuwig en onveranderlijk. Evangeliedienaren worden vergeleken met hen, die aan het altaar dienden, "want zij bedienen de heilige dingen," 1 Corinthiërs 9:13 zij zijn Gods mond bij het volk, en de mond van het volk bij God. Christus heeft herders en leraars aangesteld om tot aan het einde van de wereld in de kerk te blijven, zij schijnen bedoeld te zijn in de belofte, die heenwijst naar Evangelietijden Jesaja 66:21. "Ik zal uit dezelven enigen tot priesters en tot Levieten nemen." Niemand mag zichzelf die eer aannemen dan hij, die, na beproefd te zijn, bevonden is bekleed en gezalfd te zijn door de Geest van God met gaven en genade, die er hem bekwaam en bevoegd toe maken, en zich met een vast voornemen van het hart geheel aan de dienst toewijdt, en dan door het woord en het gebed, (want aldus worden alle dingen geheiligd) en door de oplegging van de handen van hen, die volharden in het gebed, en in de bediening van het woord, afgezonderd is tot deze dienst, en Christus aanbevolen als een dienstknecht, en van de gemeente als een opziener en leidsman. En zij, die aldus Gode plechtig toegewijd zijn, behoren deze dienst niet te verlaten, maar er getrouw al de dagen van hun leven in te volharden. En zij, die dit doen, die blijven arbeiden in het woord en de leer, zullen dubbele eer waardig geacht worden, dubbel, in vergelijking met die van de Oud-Testamentische priesters.