Exodus 26:15-30.
Zeer bijzondere aanwijzingen worden hier gegeven voor de berderen of stijlen van de tabernakel, die de gordijnen moesten dragen zoals de pinnen van een tent, die stevig en sterk moeten zijn, Jesaja 54:2. Deze stijlen hadden houvasten, die gestoken moesten worden in de openingen, welke er voor gemaakt waren in de zilveren voeten. God droeg er zorg voor om alles sterk te hebben, zowel als schoon, in Zijn tabernakel. Gordijnen zonder stijlen zouden met elke wind heen en weer zijn gegaan, maar het is goed om het hart bevestigd en versterkt te hebben door genade, die is als de stijlen om de gordijnen van onze belijdenis op te houden, welke anders niet lang stand zou kunnen houden. De stijlen werden van boven en beneden door gouden ringen samengevoegd, vers 24, en bevestigd met richelen, die door de gouden krammen of ringen aan iedere stijl heengestoken moesten worden, vers 26. De stijlen en richels moesten alle rijk verguld wezen, vers 29. Zo was alles in de tabernakel zeer prachtig, in overeenstemming met de staat van kindsheid van de kerk, daar zulke dingen zeer geschikt waren om kinderen te behagen, het hart van de aanbidders te vervullen van eerbied voor de Goddelijke heerlijkheid en hen onder de indruk te brengen van de grootheid van die Vorst, die zei: "Hier zal Ik wonen". In toespeling hierop wordt van het nieuwe Jeruzalem gezegd, dat het van zuiver goud is, Openbaring 21:18. Maar de bouwers van de Evangeliekerk zeiden: "Zilver en goud hebben wij niet", en toch heeft de heerlijkheid van hun gebouw die van de tabernakel zeer verre overtroffen, 2 Corinthiërs 3:10,11. Hoeveel kostelijker is wijsheid dan goud! Er worden hier geen orders gegeven voor de vloer van de tabernakel, waarschijnlijk bestond hij uit planken, want wij kunnen niet denken, dat zij binnen al die fraaie gordijnen op de koude of natte grond traden. Indien dit echter wel zo was, dan kan het ons herinneren aan hoofdst. 20:24. "Maak Mij een altaar van aarde."