6. De zijkamers nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, beneden, midden en bovenverdieping, en dat dertig malen, daar aan de noordzijde twaalf, aan de westzijde zes en aan de zuidzijde twaalf kamertjes waren in de drie verdiepingen, en zij kwamen in den wand, die aan het huis was, tot die zijkamers, rondom henen. De muur, welke den tempel aan alle drie zijden omsloot, had op de in
1 Koningen 6:6 gemelde wijze voegen, waarop de kamertjes konden rusten, opdat zij vast gehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in den wand des huizes, zij waren niet daarmee ineengevoerd en tot één geheel verbonden (vgl.
1 Koningen 6:10). 7. En het was voor de zijkamers opwaarts naar boven al wijder, 1) en gaf zich rondom, want het huis was omsingeld opwaarts naar boven, rondom het huis henen. Hoe hoger men op en omging des te wijder werden de galerijen, en er bevond zich in het midden ook een wenteltrap (
1 Koningen 6:8); daarom was de breedte des huizes naar boven, en alzo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste; zo klom men van onderen door de middelste verdieping heen naar boven.
1) De bovenste verdiepingen waren groter den de benedenste. De muren des tempels waren zes ellen dik aan den grond, vijf is de middelste verdieping, en vier in de hoogte, hetwelk ruimte gaf om de kamers groter te maken, naar dat zij hoger waren; doch er werd zorg gedragen, dat het timmerwerk wel vasthield. Hoewel God hoog timmert, zo timmert Hij toch vast.