Johannes 2:1-11
Wij hebben hier de geschiedenis van Christus' wonderdadige verandering van water in wijn op een bruiloft te Kana in Galilea. Er waren enkelen, die zo welgezind waren, dat zij in Christus geloofden en Hem volgden, als Hij geen wonder deed, maar het was niet waarschijnlijk, dat velen aldus gezind zouden zijn, voordat Hij een antwoord kon geven aan hen, die Hem vroegen: Wat teken toont gij ons? Hij zou tevoren wonderen hebben kunnen doen, ze tot Zijn gewone, dagelijkse handelingen hebben kunnen maken, daar echter wonderen bestemd waren tot heilige plechtige zegelen Zijner leer, heeft Hij er gene gewerkt, voor Hij Zijne leer begon te prediken. Let nu op:
I. De gelegenheid van dat wonder. Maimonides rekent het Mozes tot eer aan, dat al de wonderen, die hij in de woestijn gewrocht heeft, uit noodzakelijkheid geschied zijn, wij hadden voedsel nodig, hij bracht ons het manna, en zo heeft ook Christus gedaan. Let op:
1. Den tijd: Op den derden dag nadat Hij in Galilea kwam. De evangelist houdt een dagboek van gebeurtenissen, want er ging geen dag voorbij, zonder dat er iets buitengewoons voorviel of gezegd werd. Onze Meester heeft Zijn tijd beter besteed dan Zijne dienstknechten hem besteden, en nooit heeft Hij zich ter ruste begeven met de klacht van den Romeinsen keizer, dat Hij een dag verloren heeft.
2. De plaats: het was te Kana in Galilea, in den stam van Aser, Jozua 19:28, waarvan tevoren gezegd was, dat hij "koninklijke lekkernijen zal leveren", Genesis 49:20. Christus begon Zijne wonderen te werken in een afgelegen hoek des lands, ver van Jeruzalem, dat het openbare toneel van handelen was, om te tonen, dat Hij gene eer van mensen zocht. Hoofdstuk 5:41, maar de nederigen wilde eren. Zijne leer en Zijne wonderen zouden door de eenvoudige en eerlijke Galileërs niet zo tegengestaan worden, als door de trotse en bevooroordeelde rabbi's en wereldgroten te Jeruzalem.
3. De gelegenheid was ene bruiloft, waarschijnlijk was, hetzij de bruid, of de bruidegom, of wellicht beiden, aan onzen Heere Jezus verwant. Van de moeder van Jezus wordt gezegd, dat zij daar was, niet dat zij genood was, zoals Jezus en Zijne discipelen, hetgeen aanduidt, dat zij daar als tehuis was. Merk op de ere, die Christus aan de instelling des huwelijks gedaan heeft, niet slechts door Zijne tegenwoordigheid, maar door Zijn eerste wonder er voor te doen, omdat het in den staat der onschuld werd ingesteld en gezegend, omdat Hij daardoor nog een zaad Gods zocht, omdat het gelijkt op de mystieke vereniging tussen Hem en Zijne kerk, en omdat Hij voorzag, dat in het pausdom de huwelijksplechtigheid van den enen kant onbehoorlijk tot sacrament zou worden verheven, terwijl van den anderen kant de huwelijke staat verlaagd zou worden, als zijnde onbestaanbaar met enigerlei heilig ambt of bediening. Er was een huwelijk-gamos, een bruiloftsfeest om de plechtigheid op te luisteren. Huwelijken gingen gewoonlijk van ene feestviering vergezeld, Genesis 29:22, Richteren 14:10, ten teken van vreugde en vriendelijke achting en ter bevestiging der liefde.
4. Christus en Zijne moeder en Zijne discipelen waren de voornaamste gasten aan het feestmaal. De moeder van Jezus (dat was haar eretitel) was daar. Er wordt gene melding gemaakt van Jozef, en wij besluiten hieruit, dat hij toen reeds gestorven was. Jezus was genood, en Hij kwam, nam de uitnodiging aan, en vierde feest met hen, om ons te leren achting te betonen aan onze bloedverwanten, omgang met hen te hebben, al zijn zij ook gering of van weinig aanzien in de wereld. Christus moest op een andere wijze optreden dan Johannes de Doper, die gekomen is, noch etende, noch drinkende, Mattheus 11:18, 19. Het is de wijsheid der verstandigen om zich er op toe te leggen het gezellig verkeer met anderen aangenaam en nuttig te maken, veeleer dan het steeds te ontwijken.
a. Er was ene bruiloft, en Jezus was ook genood. Het is zeer begerenswaardig, om, als er ene bruiloft is, de tegenwoordigheid van Jezus Christus te hebben, Zijn genaderijke, geestelijke tegenwoordigheid, het huwelijk door Hem erkend en gezegend te hebben. Dan is het huwelijk in waarheid eerlijk: en zij, die trouwen in den Heere, 1 Corinthiërs 7:39, trouwen niet zonder Hem. Zij, die Christus tegenwoordig willen hebben bij hun huwelijk, moeten Hem nodigen door gebed, dat is de bode, die tot Hem in den hemel moet worden gezonden, en Hij zal komen. Gij zult roepen, en Ik zal antwoorden. En Hij zal het water in wijn veranderen.
c. De discipelen waren ook genodigd, de vijf, die Hij had geroepen, Hoofdstuk 1, want toen had Hij nog geen anderen, zij behoorden tot Zijn gezin, en waren met Hem genodigd. Zij hadden zich toevertrouwd aan Zijne zorg, en zij hebben spoedig bevonden, dat Hij wel gene schatten bezat, maar goede vrienden had. Zij, die Christus volgen, zullen feest met Hem houden, zij zullen hebben wat Hij heeft, dat Hij hun belooft, Hoofdstuk 12:26, Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. Liefde voor Christus wordt getoond door liefde voor de Zijnen, om Zijnentwil, onze goedheid raakt niet tot Hem, maar tot de heiligen. Calvijn merkt op hoe vrijgevig de gastheer was, daar hij, hoewel hij klein van middelen schijnt geweest te zijn, toch vier of vijf meer vreemdelingen genodigd had, dan hij gedacht had, omdat zij volgelingen waren van Christus, hetgeen aantoont, zegt hij, dat er meer vrijgevigheid en ware vriendschap is onder sommige personen van geringen stand, dan onder velen van een hogere klasse der maatschappij.
II. Het wonder zelf, waarbij valt op te merken:
1. Dat er wijn ontbrak, vers 3. Er was gebrek bij een feestmaaltijd. Er was voor een goeden voorraad gezorgd, maar alles was verbruikt. Zolang wij in deze wereld zijn, zullen wij ons soms in verlegenheid bevinden, zelfs als wij denken, dat onze genoegzaamheid vol is' kan het ons soms bang wezen. Als men voortdurend uitgeeft, is er soms, eer wij het weten, niets meer om uit te kunnen geven. Er was gebrek op ene bruiloft. Zij, die zich in den huwelijken staat hebben begeven, er toe gekomen zijn om de zorgvuldigheden dezer wereld te kennen, moeten verwachten, dat zij verdrukking zullen hebben in het vlees, en op teleurstelling rekenen. Naar het schijnt was Christus met Zijne discipelen de oorzaak van dat gebrek, omdat het gezelschap nu groter was dan waarop men gerekend had, maar die zich in verlegenheid brengt voor Christus, zal er niets bij verliezen.
2. De moeder van Jezus zocht Hem aan om hare vrienden bij te staan in deze verlegenheid. Er wordt ons meegedeeld, vers 3-5, wat er tussen Christus en Zijne moeder bij die gelegenheid is voorgevallen.
a. Zij maakt Hem bekend met de moeilijkheden, waarin zij zich bevinden, vers 3. "Zij zei tot Hem: Zij hebben geen wijn". Sommigen denken, dat zij geen wonderdadige voorziening door Hem verwachtte (Hij had toen nog geen wonder gedaan) maar dat zij wenste, dat Hij een vriendelijke verontschuldiging zou bieden aan het gezelschap, en alzo den goeden naam van den bruidegom zou ophouden, of dat Hij (naar Calvijns gissing) het gebrek aan wijn zou vergoeden door heilige en nuttige gesprekken. Het waarschijnlijkst is echter, dat zij een wonder verwachtte, want zij wist, dat Hij nu als de grote Profeet zou verschijnen, de Profeet gelijk Mozes, die zo dikwijls ter rechter tijd in de behoeften van Israël had voorzien, en, hoewel dit het eerste wonder was, dat Hij in het openbaar heeft gewrocht, had Hij wellicht haar en haar echtgenoot in hun nederigen staat hulp verleend. De bruidegom zou om meer wijn hebben kunnen zenden, maar zij wilde liever tot de bron gaan. Wij behoren zorg te hebben over, medegevoel te hebben met, de noden en behoeften van onze vrienden, en niet slechts het onze te zoeken. Wij zullen verstandig handelen zo wij ons, wegens onze of onzer vrienden verlegenheid, door het gebed tot Christus begeven. Maar daarbij moeten wij Christus niet willen voorschrijven wat Hij doen moet, maar met ootmoed onze noden voor Hem blootleggen, en het dan aan Hem overlaten om te doen wat goed is in Zijne ogen.
a. Hij bestrafte haar hierom, want Hij zag er meer verkeerds in dan wij, anders zou Hij het niet aldus behandeld hebben. Hier is de bestraffing zelve: Vrouwe! wat heb Ik met u te doen? Zo wie Christus lief heeft, die bestraft en kastijdt Hij. Hij noemt haar vrouwe, niet moeder. Als wij trots of verwaand beginnen te worden, dan moeten wij herinnerd worden aan hetgeen wij zijn, nl. mannen en vrouwen, zwakke, dwaze en verdorven mensen. De vraag ti emoi kai soi, zou gelezen kunnen worden: Wat gaat dit Mij of u aan? Wat gaat het ons aan, dat zij gebrek hebben? Maar het werd altijd gebruikt zoals in onze overzetting: Wat heb Ik met u te doen? zoals Richteren 11:12, 2 Samuël 16:10, Mattheus 8:29. Het geeft dus te kennen gevoeligheid over iets, dat verkeerd gezegd of gedaan is, maar dat toch volstrekt niet onbestaanbaar is met den eerbied en de onderworpenheid, die Hij aan Zijne moeder bewees overeenkomstig het vijfde gebod, Lukas 2:51, want er was een tijd, dat het Levi tot lof strekte, dat hij tot zijn vader zei: Ik zie hem niet, of ik kende hem niet, Deuteronomium 33:9. Nu was dit bedoeld, ten eerste, als ene bestraffing van Zijne moeder, wijl zij zich mengde in ene zaak, die ene daad Zijner Godheid betrof, die van haar niet afhankelijk was, en waarvan zij de moeder niet was. Hoewel Hij als mens David's Zoon en haar Zoon was, was Hij toch, als God, David's Heere en haar Heere, en Hij wilde dat zij dít zou weten. De grootste ere, waartoe wij geraken, moet ons niet ons zelven doen vergeten, noch de plaats, waar wij moeten staan, en de gemeenzaamheid, die ons door het verbond der genade wordt toegelaten, mag gene minachting, oneerbiedigheid of aanmatiging bij ons wekken.
Ten tweede. Het was bedoeld als ene lering voor anderen onder Zijne betrekkingen, of bloedverwanten (van wie er velen tegenwoordig waren), dat zij nooit moesten verwachten, dat Hij uit aanmerking van Zijne verwantschap naar het vlees ooit enig wonder zou doen, of dat Hij hierin voldoening zou schenken aan hen, die te dien opzichte niets meer voor Hem waren dan andere mensen. In de dingen Gods moeten wij niemands aangezicht kennen.
Ten derde. Het is een blijvend getuigenis tegen de afgoderij, waaraan, naar Hij voorzag, Zijne kerk zich in latere eeuwen zou overgeven, door een onbetamelijke ere te bewijzen aan de maagd Maria, ene misdaad, waaraan, naar bekend is, de Rooms Katholieken, zoals zij zich noemen, schuldig zijn, als zij haar de koningin des hemels noemen, de zaligheid der wereld, hun middelaarster, hun leven en hun hoop, niet slechts steunende op hare verdienste en voorbede, maar haar smekende haar Zoon te bevelen hun goed te doen. Monstra te esse matrem -Toon, dat gij Zijne moeder zijt. Jussu matris impera salvatori. Leg den Zaligmaker uw moederlijk bevel op. Zegt Hij hier niet uitdrukkelijk, als een wonder gewerkt zal worden, zelfs in de dagen Zijner vernedering, en Zijne moeder slechts door een wenk hare tussenkomst of voorspraak wilde te kennen geven: Vrouwe, wat heb Ik met u te doen? Dit was duidelijk bedoeld om zodanige grove afgoderij en gruwelijke Godslastering te voorkomen, of er het ergerlijke van in het licht te stellen. De Zoon van God is verordineerd tot onze Voorspraak bij den Vader, maar de moeder onzes Heeren was nooit bestemd of aangewezen om onze voorspraak te zijn bij den Zoon. De reden voor deze bestraffing. Mijne ure is nog niet gekomen. Voor alles wat Christus deed, en voor alles wat Hem gedaan werd, had Hij Zijne ure, den bestemden tijd, en den geschiktsten tijd, waaraan strikt en nauwkeurig werd vastgehouden. Ten eerste, "Mijne ure om wonderen te doen is nog niet gekomen." Toch heeft Hij dit wonder gedaan voordat die ure daar was, omdat Hij voorzag, dat het geloof van Zijne discipelen, die Hem nog zo kort geleden gevolgd waren, er door versterkt zou worden, vers 11, hetgeen het doel was van al Zijne wonderen, zo dat dit een voorproef was van de vele wonderen, die Hij zou werken, als Zijne ure er voor gekomen was. Ten tweede. "Mijne ure om in het openbaar wonderen te doen is nog niet gekomen, spreek er dus niet zo openlijk over." Ten derde. "Is de ure voor Mij nog niet gekomen, om Mij aan uw moederlijk gezag te onttrekken nu Ik reeds als Profeet ben begonnen te handelen?" Aldus Gregorius Nyssen.
Ten vierde. "Mijne ure om dit wonder te werken is nog niet gekomen." Zijne moeder stelde Hem voor te helpen, toen de wijn begon te ontbreken, of schaars te worden (aldus zou vers 3 gelezen kunnen worden) maar Zijne ure was nog niet gekomen, voordat de wijnvoorraad geheel uitgeput was en er dus volstrekt gebrek was, niet slechts om alle vermoeden af te snijden, dat iets van den nog overgebleven wijn met water gemengd was, maar ook om ons te leren, dat des mensen uiterste nood de geschikte tijd voor God ls om Zijn volk te hulp te komen. Zijne ure is gekomen, als wij in den alleruitersten nood zijn gekomen, en niet weten wat te doen. Dat heeft hen bemoedigd, die op Hem wachtten, om te geloven, dat. hoewel Zijne ure nog niet gekomen was, Zijne ure echter komen zou. Het uitstel der genade moet niet aangemerkt worden als een afwijzen van het gebed. Op het einde zal Hij het voortbrengen.
c. Desniettemin heeft zij zich bemoedigd met de verwachting, dat Hij hare vrienden zou helpen in hun verlegenheid, want zij zei tot de dienaars, dat zij acht moesten geven op Zijne bevelen, vers 5. Zij heeft de bestraffing vriendelijk en met onderworpenheid opgenomen, en er niet op geantwoord. Het is het beste, om gene bestraffing van Christus te verdienen, maar als men haar verdiend heeft, dan behoort men er nederig en stil onder te zijn, en haar als ene vriendelijkheid te beschouwen, Psalm 141:5. Zij bleef hopen op Christus' goedertierenheid, en dat Hij haar hare begeerte zou geven. Als wij in Christus tot God komen om enigerlei gunst of zegen, dan zijn er twee dingen, die ons ontmoedigen: Ten eerste. De bewustheid van onze dwaasheden en zwakheden. "Gewis, zulke gebrekkige gebeden, als die wij opzenden, kunnen gene verhoring vinden".
Ten tweede. Een gevoel van onzes Heeren misnoegen en van Zijne bestraffing. De beproevingen houden aan, de uitredding komt niet, en God schijnt vertoornd te zijn door ons gebed. Dat was hier het geval van de moeder onzes Heeren, en toch bemoedigde zij zich met de hoop, dat Hij haar ten laatste een antwoord des vredes zal geven, om ons te leren met God te worstelen door het geloof en vurigheid te hebben in het gebed, zelfs als Hij in Zijne voorzienigheid in tegenheid met ons schijnt te wandelen. Wij moeten tegen hoop op hoop geloven, Romeinen 4:18. Zij zei den dienaars op Hem zelven het oog te hebben, en zich niet tot haar te wenden, gelijk zij waarschijnlijk gedaan hadden. Zij laat alle aanspraak varen om invloed op Hem te kunnen oefenen, of voorspraak bij Hem te zijn' laat de verwachting hunner ziel alleen van Hem wezen, Psalm 62:6. Zij zei hun Zijne bevelen stipt op te volgen, zonder te redetwisten, en zonder vragen te doen. Zich zelf van schuld bewust zijnde in het willen voorschrijven aan Hem wat Hij te doen had, waarschuwt zij de dienaars om niet dezelfde fout te begaan, en acht te geven zowel op den tijd wanneer, als op de wijze waarop, Hij in de behoefte zou voorzien. "Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat, al zoudt gij het ook ongerijmd of ongeschikt vinden. Indien Hij zegt: Geeft den gasten water, als zij om wijn vragen, doet het. Indien Hij u zegt: Schenkt uit de ledige flessen, doet het. Hij is bij machte om enkele droppelen wijn zo te vermenigvuldigen, dat ieder een goede teuge heeft." Zij, die gunsten verwachten van Christus, moeten Zijne bevelen gehoorzamen. De weg des plichts is de weg om zegen te ontvangen, en tegen Christus' wijze van handelen moeten wij gene bezwaren inbrengen.
d. Ten laatste heeft Christus op wonderdadige wijze in hun behoeften voorzien, want Hij doet dikwijls meer dan Hij belooft, maar nooit minder. Het wonder bestond in het veranderen van water in wijn, de substantie van water verkreeg een nieuwen vorm, met alle eigenschappen en kenmerken van wijn. Zulk ene transformatie of herschepping is een wonder, maar de transsubstantiatie der Roomse kerk, waarbij de substantie veranderd wordt, terwijl de kenmerkende hoedanigheden er van blijven, is iets gedrochtelijks. Hierdoor heeft Christus zich betoond als de God der natuur, die den wijn uit de aarde doet voortkomen, Psalm 104:14, 15. Het extraheren van het druivebloed uit de vochtige aarde, elk jaar opnieuw, is niet minder een werk van macht, dewijl dit echter naar de gewone wetten der natuur geschiedt, is het niet zulk een wonderwerk als het veranderen van water in wijn. Het begin van Mozes' wonderen was het veranderen van water in bloed, Exodus 4:9, 7:20, het begin van Christus' wonderen was het veranderen van water in wijn, waardoor het onderscheid wordt aangeduid tussen de wet van Mozes en het Evangelie van Christus. De vloek der wet verkeert water in bloed, de gewone gemakken en genoegens des levens in bitterheid en verschrikking, de zegen van het Evangelie verandert water in wijn. Hiermede heet Christus getoond, dat Zijne zending in de wereld was om voor alle gelovigen de aardse zegeningen en weldaden te verhogen en te veredelen. Van den Silo wordt gezegd: Hij wast Zijn kleed in den wijn, Genesis 49:11, het water om te wassen in wijn verkeerd zijnde. En de roepstem, de nodiging, des Evangelies luidt: Komt tot de wateren, en koopt wijn, Jesaja 55:1. Door de omstandigheden, waarvan het wonder vergezeld ging, werd het nog verheerlijkt en tevens gevrijwaard tegen alle verdenking van bedrog, want: Ten eerste. Het geschiedde in de watervaten, vers 6. Aldaar waren zes stenen watervaten gesteld. Merk op:
1. Voor welk gebruik deze watervaten bestemd waren: voor de reiniging van ceremoniële verontreinigingen, verordineerd door de wet van God en door de inzettingen der ouden.
De Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, Markus 7:3, en zij gebruikten veel water voor dat wassen, om welke reden daar zes grote watervaten gesteld waren. Het was een spreekwoord onder hen: "Wie veel water gebruikt om te wassen, zal veel rijkdom in de wereld vergaderen."
2. Tot welk gebruik Christus ze bestemd heeft, gans verschillend van hun oorspronkelijke bestemming nl. om den wonderdadigen wijn te bevatten. Aldus is Christus gekomen om de genade des Evangelies te brengen, die als wijn is, die God en mens vrolijk maakt, Richteren 9:13, in plaats van de schaduwen der wet, die als water waren, zwakke en arme eerste beginselen. Het waren watervaten, die nooit gebruikt waren om wijn te bevatten, en zij waren van steen, dat niet geschikt is om geur of smaak van vroegere vloeistoffen te bewaren, die er in konden geweest zijn, indien er dan ooit wijn in geweest was. Zij bevatten ieder twee of drie metrieten, twee of drie maten, de hoeveelheid is onzeker, maar zeer aanzienlijk. Wij kunnen er ons van verzekerd houden, dat al die wijn niet bestemd was om op dit feestmaal gedronken te worden, maar wel als een vriendelijke gave tot later gebruik van de jonggehuwden, gelijk de olie voor de arme weduwe, om van de opbrengst haren schuldheer te betalen, en bij het overige te leven, 2 Koningen 4:7. Christus geeft, Zijner waardig, overvloediglijk, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid. Het is de taal des schrijvers om te zeggen: "elk houdende twee of drie metrieten", want de Heilige Geest zou den inhoud juist en nauwkeurig hebben kunnen opgeven, ons hiermede (zoals in Hoofdstuk 6:19) lerende om ons voorzichtig uit te laten over dingen, waarvan wij geen volstrekte zekerheid hebben.
Ten tweede. De watervaten werden door de dienaars tot boven toe gevuld met water, zoals Christus het hun gebood, vers 7. Evenals Mozes, de dienstknecht des Heeren, op Gods bevel tot de rots ging om er water uit te doen voortkomen, zo hebben deze dienaars, op Christus' bevel, zich naar het water begeven, om wijn te halen. Evenals gene moeilijkheden den arm van Gods macht kunnen weerhouden, zo kan geen onwaarschijnlijkheid tegen het woord Zijns gebods worden aangevoerd.
Ten derde. Het wonder werd plotseling gewrocht, en op ene wijze, waardoor het grotelijks wordt verheerlijkt.
A. Zodra zij de watervaten gevuld hadden zei Hij terstond: Schept nu, vers 8, en het geschiedde.
a. Zonder enigerlei ceremonie voor het oog der toeschouwers. Men zou, evenals Naäman gedacht hebben, dat Hij zou uitkomen, en staan, en den naam des Heeren, Zijns Gods aanroepen, 2 Koningen 5:11. Neen, Hij zit stil op Zijne plaats, zegt geen woord, maar wil de zaak, en aldus werkt Hij haar. Christus doet grote en wonderbare dingen zonder gerucht of gedruis, op verborgen wijze werkt Hij voor ieder waarneembare veranderingen. Soms heeft Christus bij het doen van Zijne wonderen woorden en tekenen gebruikt, maar het was om der schare wil, die rondom stond, Hoofdstuk 11:42.
b. Zonder enige aarzeling of onzekerheid in Zijn eigen gemoed. Hij zei niet: "Schept nu, en laat het Mij proeven", niet wetende of de zaak geschied was zoals Hij het wilde, maar met de grootst- mogelijke zekerheid, hoewel het Zijn eerste wonder was, zendt Hij het eerst tot den hofmeester. Gelijk Hij wist wat Hij wilde, zo wist Hij ook wat Hij kon, en heeft dus Zijn werk niet eerst beproefd of onderzocht, maar alles was goed, zeer goed, zelfs in den beginne.
B. Onze Heere Jezus zei tot de dienaars
a. te scheppen, niet om het in het vat te laten en er bewonderd te worden, maar het te scheppen om gedronken te worden. Alle Christus' werken zijn nuttig, zijn tot gebruik, Hij geeft aan niemand een talent om het te begraven, maar om er handel mede te doen. Heeft Hij uw water in wijn veranderd, u kennis en genade gegeven? Het is om er nut mede te doen tot hetgeen oorbaar is, en daarom: Schep nu. Zij, die Christus willen kennen, moeten Hem op de proef stellen in het gebruik der gewone middelen, en dan kunnen zij er een buitengewone werking van verwachten. Hetgeen weggelegd is voor allen, die God vrezen, heeft Hij gewrocht voor degenen, die op Hem betrouwen. Psalm 31:20, opdat zij door de beoefening van geloof te voorschijn brengen, wat voor hen was weggelegd. b. Het aan den hofmeester te brengen. Sommigen denken, dat deze hofmeester slechts de voornaamste gast was, die aan het boveneinde der tafel zat. Maar, indien dat zo is, dan voorzeker zou onze Heere Jezus op die plaats hebben moeten zitten, want Hij was, in elk opzicht, de voornaamste gast, maar het schijnt, dat iemand anders aan het boveneinde der kamer was gezeten, waarschijnlijk iemand, die deze plaats beminde, Mattheus 23:6, en haar verkoos, Lukas 14:7. En, overeenkomstig Zijn eigen regel en voorschrift, zat Christus in de laatste plaats. Maar hoewel Hij niet geacht werd de voornaamste, de heer van het feest te zijn, heeft Hij zich toch vriendelijk welgezind betoond voor het feest, en hoewel niet de aanlegger er van, was Hij toch wel de grootste weldoener er van. Anderen denken, dat deze hofmeester de opziener en leider van het feest was, hetzelfde als de symposiarcha van Plutarchus, wiens ambt het was te zorgen, dat ieder genoeg had, en niemand te veel, en dat er gene wanorde of onbetamelijkheid zou heersen. Feesten vereisen opzieners, omdat velen, als zij aan den maaltijd zijn, niet toezien op zich zelven. Sommigen denken, dat deze hofmeester een priester of Leviet was, die het gebed voor en na den maaltijd moest uitspreken, en dat Christus zich den beker liet brengen om hem te zegenen en er God voor te danken, want de buitengewone tekenen van Christus' tegenwoordigheid en macht moesten de gewone regelen van het Godsdienstig gebruik vervangen noch verdringen.
Ten vierde. De wijn, op zo wonderdadige wijze voorzien, was van de beste soort en hoedanigheid, hetgeen erkend werd door den hofmeester, en dat dit werkelijk zo was, maar geen spel was van zijne verbeelding, is zeker, daar hij niet wist, waar die wijn vandaan kwam, vers 9. 10.
1. Het was zeker, dat het wijn was. De hofmeester wist dit, toen hij hem dronk, hoewel hij niet wist van waar hij was, de dienaars wisten het, maar hadden hem nog niet geproefd. Indien de proever den wijn had zien scheppen, of indien zij, die hem schepten, hem geproefd hadden, dan zou men iets aan hun verbeelding kunnen toeschrijven, maar nu is er voor die verdenking geen plaats.
2. Dat het de beste wijn was Christus' werken bevelen zich aan, zelfs bij hen, die er den Werker niet van kennen. Hetgeen door wonderen werd voortgebracht, was altijd het
beste in zijne soort. Deze wijn was lijviger en geuriger dan gewone wijn. Op een zekeren toon van vrolijkheid spreekt hij hiervan tot den bruidegom. als zijnde iets ongewoons. De gewone wijze van doen was anders. Goede wijn doet men het best uitkomen bij het begin van den maaltijd, als het hoofd der gasten nog helder is en hun eetlust nog opgewekt, zodat zij er smaak in kunnen hebben en hem dus zullen loven, maar, als zij goed gedronken hebben, hun hoofd niet meer zo helder is, en hun eetlust minder wordt, dan is goede wijn aan hen verspild, minder goede zal hun dan evengoed kunnen dienen. Zie hierin het ijdele van al de genoegens der zinnen: men krijgt er spoedig te veel van en wordt er toch nooit door voldaan, hoe meer men ze geniet, hoe minder aangenaam zij ons worden. De bruidegom bewees zijn vrienden de aangename verrassing door den besten wijn voor het laatst te bewaren. Gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard, niet wetende aan wie zij dien goeden wijn te danken hadden, brengt hij den dank der gasten over aan den bruidegom. Zij weten niet, dat Ik haar het koren en den most en de olie gegeven heb, Hosea 2:7. Hoewel Christus nu door aldus overvloedig voor de gasten te voorzien en daarbij een sober blijmoedig gebruik van wijn toelaat, inzonderheid in tijden van verheuging, Nehemia 8:10, doet Hij hiermede toch Zijn eigen waarschuwing niet teniet, noch maakt Hij er ook maar in het minst inbreuk op, waarmee Hij ons zegt niet te eniger tijd -dus ook niet op ene bruiloft-bezwaard te worden met brasserijen en dronkenschap, Lukas 21:34. Als Christus zo veel goeden wijn gaf voor hen, die reeds wel gedronken hadden, dan wilde Hij hiermede hun soberheid op de proef stellen, en hun leren zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. Gedwongen matigheid is een deugd, die geen lof verdient: maar als de Goddelijke voorzienigheid ons in overvloed voorziet van de genietingen der zinnen, en de Goddelijke genade ons dan in staat stelt om er een matig gebruik van te maken, dan is dit prijzenswaardige zelfverloochening. Het was ook Zijne bedoeling, dat er wat zou overblijven van den wijn ter bevestiging van de waarheid van het wonder voor het geloof van anderen. En wij hebben reden om te denken, dat de gasten aan deze tafel zo wèl onderwezen waren, of ten minste nu zo in ontzag werden gehouden door de tegenwoordigheid van Christus, dat niemand hunner zich aan een overdadig gebruik er van schuldig maakte. Deze twee overwegingen naar aanleiding van deze geschiedenis kunnen volstaan om ons ten allen tijde te versterken tegen de verzoeking tot onmatigheid.
Ten eerste. Dat onze spijs en drank de gaven zijn van Gods goedheid over ons, en onze vrijheid om ze te gebruiken, en ons lieflijk genot in ze te gebruiken zijn wij aan Christus' Middelaarschap verschuldigd, waarom het ondankbaar en goddeloos is om er misbruik van te maken.
Ten tweede. Dat Christus, waar wij ook zijn, het oog op ons gevestigd heeft, wij moesten brood eten voor het aangezicht Gods, Exodus 18:12, dan zouden wij ons zelven weiden-dat is voeden- zonder vreze. Hij heeft ons hier ook een voorbeeld gegeven van Zijne wijze van handelen met hen, die met Hem handelen, namelijk, het beste te bewaren voor het laatst, en daarom moeten zij in vertrouwen met Hem handelen. Het loon voor hun diensten en de vergoeding voor hun lijden zijn weggelegd voor de toekom ende wereld, het is ene heerlijkheid, die geopenbaard moet worden. De genoegens der zonde geven hun wijn in den beker, maar in het einde bijten zij als een slang, maar de genoegens van den Godsdienst zijn lieflijkheden tot in eeuwigheid.
III. Aan het einde van dit verhaal, vers 11, wordt ons gezegd:
1. Dat dit het beginsel was der tekenen, die Jezus deed. Vele wonderen, Hem betreffende, zijn gedaan bij Zijne geboorte en Zijn doop, en Hij zelf was het grootste wonder van allen, maar dit was het eerste wonder, dat door Hem gedaan werd. Hij zou wonderen hebben kunnen doen, toen Hij in het midden der leraren zat, hen horende en hen ondervragende, maar Zijne ure was toen nog niet gekomen. Hij had sterkte, maar er was een tijd voor de verberging Zijner sterkte.
2. Dat Hij hierin Zijne heerlijkheid heeft geopenbaard, hiermede heeft Hij bewezen de Zoon van God te zijn, en dat Zijne heerlijkheid was als die van den Eengeborenen des Vaders. Hij heeft hiermede ook den aard en het doel van Zijn ambt blootgelegd, de macht eens Gods, en de genade eens Zaligmakers zijn geopenbaard in al Zijne wonderen, in dit wonder werd inzonderheid de heerlijkheid van den lang-verwachten Messias geopenbaard.
3. Dat Zijne discipelen in Hem geloofden. Zij, die door Hem geroepen werden, Hoofdstuk 1, die geen wonder hadden gezien en Hem toch gevolgd waren, zagen nu dit wonder, hebben er in gedeeld, werden er door versterkt. Ook het oprechte geloof is in den aanvang nog zwak. De krachtigste mannen zijn eens kinderkens geweest, en dat zijn ook de krachtigste Christenen eerst geweest. De openbaring van Christus' heerlijkheid is de grote bevestiging van het geloof der Christenen.