Job 2:11-13
Wij hebben hier een bericht van het vriendelijk bezoek, dat Jobs drie vrienden hem brachten in zijn leed. De tijding van de buitengewone rampen, die hem hadden getroffen, verspreidde zich naar alle zijden, want hij was een voornaam, uitnemend man, zowel in grootheid en aanzien als in goedheid van hart en karakter en de omstandigheden van zijn rampen waren zeer buitengewoon. Sommigen, die zijn vijanden waren, juichten in zijn leed, Hoofdst. 16:10, 19:18, 30:1 en verv. Misschien maakten zij balladen op hem, maar zijn vrienden waren bezorgd over hem en trachtten hem te troosten, een vriend heeft ten allen tijde lief en een broeder wordt in de benauwdheid geboren, drie van hen worden hier genoemd, Elifaz Bildad en Zofar. Later zullen wij een vierde ontmoeten, die bij de gehele bespreking tegenwoordig schijnt geweest te zijn, namelijk Elihu. Of hij kwam als een vriend van Job of slechts als een toehoorder, blijkt niet. Deze drie worden gezegd zijn vrienden te zijn, zijn bekenden, met wie hij vertrouwelijk omging, zoals David en Salomo er ieder een hadden aan hun hof die de vriend van de koning werd genoemd. Deze drie waren zeer wijze en goede mannen, zoals blijkt uit hun gesprekken. Het waren oude zeer oude lieden, zij waren zeer vermaard om hun kennis en wetenschap, en men had grote eerbied voor hun oordeel, Hoofdst. 32:6. Waarschijnlijk waren zij mannen van aanzien in hun land, vorsten, of hoofden van geslachten. Merk nu op:
I. Dat Job in zijn voorspoed vriendschap met hen had gesloten. Indien zij zijn gelijken waren, koesterde hij toch de achterdocht niet tegen hen, en indien zijn minderen, had hij toch de minachting niet voor hen, die een vertrouwelijke omgang met hen in de weg zou gestaan hebben. Zulke vrienden te hebben in de tijd van zijn voorspoed droeg meer bij tot zijn geluk dan al zijn kudden van groot en klein vee die hij bezat. Veel van het lieflijke en aangename van dit leven ligt in vriendschap met hen, die verstandig en deugdzaam zijn, en wie enige van zulke vrienden heeft, behoort hoge prijs op hen te stellen. Men denkt dat Jobs drie vrienden allen nakomelingen waren van Abraham. De Godvruchtige opvoeding, die de vader van de gelovigen heeft gegeven aan hen die onder zijn toezicht en leiding waren, heeft nog ten goede nagewerkt in verscheidene elkaar opvolgende geslachten, zelfs in die, welke buitengesloten waren van het verbond. Elifaz stamde af van Theman, de kleinzoon van Ezau, Genesis 36:11. Bildad was waarschijnlijk een afstammeling van Suah, de zoon van Abraham bij Ketura, Genesis 25:2. Zofar is, naar sommigen denken, dezelfde als Zefo, een nakomeling van Ezau, Genesis 36:11. Dat zoveel wijsheid en Godsvrucht bewaard bleef onder hen, die vreemdelingen waren voor het verbond van de belofte was een gelukkig voorteken van Gods genade jegens de heidenen, als in de laatste dagen de middelmuur van de afscheiding weggenomen zou zijn. Ezau was verworpen, maar velen, die uit hem zijn voortgekomen, hebben sommigen van de beste zegeningen beërfd.
II. Dat zij hun vriendschap voor Job behielden in zijn tegenspoed, toen de meesten van zijn vrienden hem hadden verlaten, Hoofdst. 19:14. Zij toonden hun vriendschap op tweeërlei wijze.
1. Door het vriendelijk bezoek, dat zij hem brachten om met hem te treuren over zijn leed en hem te vertroosten, vers 11. Waarschijnlijk plachten zij hem te bezoeken in zijn voorspoed niet om met hem ter jacht te gaan, niet om met hem te dansen of kaart met hem te spelen, maar om zich te onderhouden en te stichten door zijn geleerde en vrome gesprekken, en nu hij in het ongeluk was, kwamen zij om te delen in zijn smarten, zoals zij vroeger gekomen waren om te delen in zijn genietingen. Dit waren wijzen, wier "hart in het klaaghuis" "was," Prediker 7:4. Het bezoeken van beproefden, van zieken en lijdenden, van wezen en weduwen wordt tot een tak gemaakt van "de zuivere en onbevlekte Godsdienst," Jakobus 1:27, en als het uit een goed beginsel gedaan wordt, dan zal het weldra overvloedig beloond worden, Mattheus 25:36. Door de zonen en dochteren van de verdrukking te bezoeken kunnen wij veel toebrengen:
A. Tot bevordering van onze eigen genadegaven, want menige nuttige lering kunnen wij trekken uit de moeilijkheden van anderen, wij kunnen op hen zien en onderricht ontvangen, en er wijs en ernstig door gemaakt worden.
B. Tot hun verlichting, door hun achting te betonen, verlevendigen wij hun moed en er kan een goed woord tot hen gesproken worden, dat er toe bijdraagt hun rust en verkwikking te bezorgen. Jobs vrienden kwamen, niet om hun nieuwsgierigheid te bevredigen met een verhaal van zijn rampen, en nog veel minder zoals Davids valse vrienden om er hatelijke aanmerkingen op te maken, Psalm 41:7-9, maar om met hem te treuren, hun tranen te vermengen met de zijnen en hem aldus te troosten. Het is veel aangenamer om hen te bezoeken, die in het ongeluk zijn en die wij kunnen en mogen vertroosten, dan hen, die wij eerst van zonde moeten overtuigen.
Merk betreffende deze bezoekers op:
a. Dat zij niet geroepen waren, maar uit eigen beweging zijn gekomen, Hoofdst. 6:22, naar aanleiding waarvan Dr. Caryle opmerkt, dat het tot de goede manieren behoort om een ongenodigde gast te zijn in het klaaghuis en voor het vertroosten van onze vrienden hun uitnodiging te voorkomen.
b. Dat zij een afspraak hadden gemaakt om te komen. Godvruchtige mensen behoren afspraken te maken onder elkaar om goed te doen, elkaar hiertoe opwekkende en elkaar er in helpende. Voor een Godvruchtig doel moet men hand aan hand gaan.
c. Dat zij met het doel kwamen om hem te vertroosten (en wij hebben reden te geloven dat dit werkelijk hun doel was), maar toch ellendige vertroosters bleken te zijn, omdat zij zijn zaak onverstandig hebben beschouwd en behandeld. Velen hebben wel goede bedoelingen, maar door zich te vergissen missen zij hun doel.
2. Door hun teer medelijden met hem en bezorgdheid over hem in zijn beproeving. Hij was door zijn zweren zo misvormd dat zij, toen zij hem op een afstand zagen, hem niet hebben herkend, vers 12. Zijn aangezicht was geheel bemodderd van wenen, Hoofdst. 16:16. Gelijk Jeruzalems nazireërs, die "roder van lichaam waren dan robijnen", maar nu "verduisterd waren" "van zwartheid," Klaagliederen 4:7, 8. Welk een verandering zal zware ziekte of, zonder deze, drukkende zorg en hevig leed in weinig tijds op het aangezicht teweegbrengen! "Is dit Naomi?" Ruth 1:19. En zo: Is dit Job? Hoe zijt gij gevallen! Hoe is uw heerlijkheid bezoedeld en al uw eer in het stof gelegd! God make ons geschikt voor zulke veranderingen!
Hem aldus deerlijk veranderd ziende, hebben zij hem uit schrik en afgrijzen niet verlaten maar hem zoveel te meer teer medelijden betoond. a. Komende om met hem te treuren hebben zij aan hun ongeveinsde smart lucht gegeven op de toenmaals gewone wijze: zij hebben overluid geweend. Door hen te zien werd-zoals het gewoonlijk gaat- Jobs smart weer opgewekt, begon hij weer te wenen, waardoor ook stromen van tranen uit hun ogen vloeiden. Zij scheurden hun kleren en strooiden stof op hun hoofden, als mensen die zich willen ontbloten en vernederen met hun vriend, die aldus ontbloot en vernederd was.
b. Komende om hem te vertroosten, zaten zij bij hem neer op de grond want aldus ontving hij bezoeken, en zij hebben, niet uit hoofse plichtpleging maar in oprecht medelijden, zich in dezelfde nederige en ongemakkelijke houding geplaatst. Waarschijnlijk hadden zij menigmaal met hem op zijn rustbanken gezeten en aan zijn tafel, toen hij nog in voorspoedige toestand was en daarom wilden zij nu ook delen in zijn smart en armoede, met hem gedeeld hebbende in zijn blijdschap en overvloed. Het was geen bezoek naar de hedendaagse mode, dat zij hem brachten, waarbij zij hem even aanzagen en toen weggingen, maar als mensen, die geen genot zouden kunnen smaken, indien zij naar hun plaats terugkeerden terwijl hun vriend zich in zo grote ellende bevond, besloten zij bij hem te blijven totdat zij hem beter zagen, of aan het einde van zijn leven en lijden, en daarom sloegen zij hun verblijf op in zijn nabijheid, hoewel hij nu niet instaat was om hen zoals vroeger gastvrij te onthalen, en zij dus op hun eigen kosten bij hem bleven. Zeven dagen lang zijn zij dagelijks in de uren, wanneer hij bezoekers bij zich toeliet, gekomen, en zaten zij bij hem neer als zijn medegenoten in de verdrukking, en als uitzonderingen op die regel: Nullus ad ammissas ibit amicus opes-Zij, die hun rijkdom verloren hebben, moeten geen bezoeken van hun vrienden verwachten.
Zij zaten bij hem, maar geen van hen heeft een woord tot hem gesproken, zij luisterden slechts naar het verhaal, dat hij hun deed van zijn rampen. Curae leves loquunter, ingentes stupent-Onze lichtere verdrietelijkheden hebben een stem, maar de zware smarten zijn stom. Wat zij ook tot elkaar gezegd mogen hebben om lering en nut te trekken uit deze zo treurige omstandigheden, tot hem spraken zij geen woord. Zij zeiden niets van al datgene, waarvan zij later zoveel tot hem gezegd hebben-niets om hem te grieven, Hoofdst. 4:2, omdat zij zagen dat de smart reeds zeer groot was, en in het eerst waren zij er afkerig van om aan de beproefde nog meer beproeving toe te voegen. Er is "een tijd om te zwijgen," of wanneer de goddeloze nog tegenover ons is, en wij door te spreken hem zouden kunnen verharden, Psalm 39:9, of wanneer wij door te spreken "trouweloos zouden zijn aan het geslacht van Gods kinderen," Psalm 73:15. Dat zij de volgende plechtige redenen niet hielden voor de zevenden dag, kan misschien aanduiden dat dit de sabbatdag was, die in de patriarchalen tijd ongetwijfeld werd waargenomen, en tot aan die dag hebben zij de samenspreking uitgesteld, omdat toen waarschijnlijk, naar gewoonte, mensen in Jobs huis zouden komen om zich met hem te verenigen in zijn Godsdienstige handelingen en dan door die gesprekken gesticht zouden kunnen worden. Of liever: zij wilden door hun langdurig stilzwijgen te kennen geven dat hetgeen zij zeggen zullen wèl overwogen en de vrucht van veel nadenken was. Het hart van de rechtvaardige bedenkt zich om te antwoorden. Wij moeten ons, eer wij eenmaal spreken, tweemaal bedenken, inzonderheid in een geval als dit, langdurig denken, en dan zullen wij beter instaat zijn om kort en ter zake te spreken.