2 Kronieken 32:9-23
Deze geschiedenis van de woede en Godslastering van Sanherib, Hizkia's gebed en de verlossing van Jeruzalem door de verdelging van het Assyrische leger hadden wij uitvoeriger in 2 Koningen 18 en 19. Zij is hier beknopt meegedeeld, maar toch uitvoerig genoeg om deze drie dingen te tonen:
I. De goddeloosheid en boosaardigheid van de vijanden van de kerk. Sanherib had zijn handen vol met de belegering van Lachis, vers 9 , maar hoort dat Hizkia Jeruzalem versterkt, en zijn volk aanmoedigt om stand te houden daarom zendt hij, eer hij in eigen persoon komt om te belegeren, boden om redevoeringen te houden, en hijzelf schrijft brieven om Hizkia en zijn volk te verschrikken en hen alzo tot de overgave van de stad te bewegen. Zie:
1. Zijn grote boosaardigheid tegen de koning van Juda in zijn poging om zijn onderdanen van hun trouw aan hem af te trekken. Hij handelt niet als een man van eer met Hizkia, stelt hem geen billijke voorwaarden, maar wendt lage kunstgrepen aan, een gekroond hoofd onwaardig, om het gemene volk te verschrikken en hen te bewegen van de koning af te vallen.
Hij stelt Hizkia voor als iemand, die zijn volk wilde bedriegen tot hun verderf en hen wilde blootstellen om van honger en dorst te sterven, vers 11, als iemand, die hun een groot onrecht had gedaan, en hen reeds aan de Goddelijke wraak had blootgesteld door de hoogten en altaren weg te nemen, vers 12, en die, tegen het algemeen belang des volks, weerstand bood aan zijn krijgsmacht, dat gewis hun verderf tengevolge zal hebben, vers 15.
2. Zijn grote goddeloosheid tegenover de God Israëls. Hij wordt de God van Jeruzalem genoemd, omdat dit de plaats was, die Hij had verkoren om er Zijn naam te stellen en omdat dit de plaats was, die nu door de vijand werd bedreigd en die onder de bijzondere bescherming stond van Gods voorzienigheid. Deze trotse Godslasteraar vergelijkt de groten Jehovah, de Schepper van hemel en aarde, met de drekgoden van de volken, het werk van `s mensen handen, en denkt, dat Hij niet meer bij machte is om Zijn aanbidders te redden dan zij om de hunnen te verlossen, vers 19.
Alsof een oneindige en eeuwige Geest niet meer wijsheid en macht had dan een steen of een boomstam. Hij snoeft op zijn triomfen over de goden van de volken, dat geen van hen hun volk kon beschermen, vers 13 -15, en daaruit leidt hij nu af, niet alleen: hoe zal uw God u uit mijne hand kunnen redden? vers 14, maar, alsof Hij nog minder was dan die allen, zegt hij: "hoe veel te min zal uw God u uit mijne hand kunnen redden?"
Alsof Hij nog minder dan die allen instaat was hen te helper. Aldus hoonden zij, hoonden zij in geschrifte, (hetgeen meer opzettelijk geschiedt en dus nog zoveel te slechter is) de Heere, de God Israëls, alsof Hij een nul was, een blote naam, evenals al de anderen, vers 17..
In de instructies, die Sanherib gaf, zei hij reeds meer dan genoeg, maar alsof zijn Godslasteringen nog te gering waren, hebben zijn knechten, die van hun meester onbeschaamdheid geleerd hadden, nog meer tegen God, de Heere, en tegen Zijn knecht Jehizkia gesproken, dan hij hun bevolen had, vers 16. En God neemt euvel op wat tegen Zijn knechten gezegd wordt, en zal er rekenschap van eisen, zowel als van hetgeen tegen Hem zelf gesproken wordt. Dit alles had ten doel het volk weg te schrikken van hun hoop in God, waarvan ook Davids vijanden hem zochten af te trekken, Psalm 11:1, 42:11, zeggende: "Hij heeft geen heil bij God", Psalm 3:3, 71:11.
Aldus hoopten zij de stad in te nemen door de handen te verslappen van hen, die haar moesten verdedigen.
II. De plicht en het belang van de vrienden van de kerk, om ten dage van de benauwdheid te bidden en tot de hemel te roepen. Dat hebben Hizkia en de profeet Jesaja gedaan, vers 20.
Het was een gelukkige tijd, toen de koning en de profeet zich aldus verenigden in het gebed. Is iemand in benauwdheid? Is iemand verschrikt?
Dat hij bidde. Aldus brengen wij God aan onze zijde, aldus bemoedigen wij ons in Hem. Het gebed tot God wordt hier een roepen naar de hemel genoemd, omdat wij Hem in ons gebed moeten beschouwen als onze Vader in de hemel, vanwaar Hij de kinderen van de mensen aanschouwt, en waar Hij Zijn troon bereid heeft.
III. De macht en de goedheid van de God van de kerk. Hij is machtig, beide om Zijn vijanden, hoe hoog zij ook zijn in bedwang te houden, en Zijn vrienden, ai zijn zij ook nog zo in de engte gebracht, te verlossen. Gelijk de rasteringen van de vijanden Hem tegen hen stelt, Deuteronomium 32:27,, zo brengen de gebeden Zijns volks Hem aan hun zijde. Zo was het ook hier.
1. Het leger van de Assyriërs werd verdelgd door het zwaard eens engels, dat inzonderheid triomfeerde in de verdelging van de strijdbare helden en vorsten, die het zwaard van iedere mens trotseerden.
God verlustigt zich er in om de hoogmoediger en de vleselijk gerusten te vernederen. De Targum zegt: Het woord des Heeren, (het eeuwige Woord), zond de engel Gabriël om dit gericht te volvoeren en dat het door bliksem geschiedde en in de nacht van het pascha, dat was de nacht, waarin de verderfengel de eerstgeborenen van Egypte doodde. Maar dat was niet alles.
2. De koning van de Assyriërs, aan wie deze schande werd aangedaan, werd gedood door het zwaard van zijn eigen zonen. Zo velden hem met het zwaard die uit zijn lijf voortgekomen waren, vers 21.
Zo werd hij eerst vernederd en toen vermoord, eerst beschaamd en toen omgebracht. Het kwaad vervolgt de zondaren, en als zij aan het een onheil ontkomen, lopen zij een ander tegemoet.
Nu werd door dit wonderwerk:
a. God verheerlijkt als de beschermer Zijn volks. Aldus verloste Hij Jeruzalem, niet alleen uit de hand van Sanherib, maar uit aller hand, want een verlossing als deze was een onderpand van zeer veel genade en zegen, die nog voor hen weggelegd waren, en Hij geleidde hen, dat is: Hij bewaarde en bewaakte hen, rondom heen. God beschermt Zijn volk door hen te besturen, hun te tonen wat zij doen moeten, en zo redt Hij hen van hetgeen tegen hen beraamd of gedaan wordt.
Hierom brachten velen geschenken tot de Heere, toen zij de grote macht Gods zagen in de bescherming Zijns volks.
Vreemdelingen werden hierdoor bewogen Zijn gunst af te smeken, en vijanden om Zijn toorn af te bidden, en beide brachten geschenken tot Zijn tempel, ten teken van hun belangstelling en hun begeerte.
b. Hizkia werd verheerlijkt als de gunstgenoot en beschermeling van de hemel, velen brachten kostelijkheden tot hem, vers 22, 23 ,
ten teken van hun eerbied voor hem en om zijn vriendschap te winnen. Door de gunst van God verliest men vijanden, en wint men vrienden.