29. En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik alsdan Mijnen a) Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, en het als Mijn eigen volk erken, (
Hoofdstuk 37:25-
28) spreekt de Heere HEERE. 1)
a) Joël 2:28. Handelingen 2:17.
1) Hier voorspelt en belooft de Heere God de heerlijkheid, die nog voor Zijn volk is weggelegd. De Heere God heeft Zijn volk zwaar gekastijd. Hij heeft Zijn Aangezicht voor hen verborgen. Hij heeft ze in de macht der vijanden overgegeven. Maar Hij heeft Zich hunner ontfermd. Hij heeft hen wedergebracht naar hun huis. Hij is aan hen geheiligd geworden. De vijanden zijn vernietigd geworden. En nu, opdat Israël niet weer tot dwaasheid zou keren, opdat de Heere Zijn Aangezicht niet weer voor hen zou verbergen, daarom zou Hij Zijn Geest over het huis Israëls zenden, opdat die Geest hun leidsman zou zijn, die hen leiden zou op de paden van recht en gerechtigheid. 2) De schildering van het gericht Gog is voltooid. Nu volgt Vers 21-29, de toepassing tot onderwijzing, die de Heere reeds daar uit de profetie van dit gericht bij voorraad afleidt. Daarin juist ligt het doel dezer profetie voor het Israël van dien tijd, dat nog klaagt: onze hoop is verloren en het is uit met ons. (Ezechiel 37:11).
Door Gods gericht over Gog is de verhouding van Israël tot de heidenwereld duidelijk voorgesteld. Het heidendom heeft noch door zijn kracht Israël overwonnen, noch is dit om zijn zelfs wil daaraan overgegeven. Israël heeft geleden voor zijne zonde. Zijn hoogste Rechter en geen ander heeft de straf aan hen volvoerd. Daarom sleept dat eerste gericht over Israël noodzakelijk het tweede over het heidendom na zich; bij het huis van God wordt het begin gemaakt, het einde met de wereld. Gods ordening is alzo, die alleen zich staande houdt, welke door alle pogingen der mensen om ze om te keren, niet kan worden aangetast, maar de overwinning voor de eeuwigheid behaalt. Even als God Israël alleen om zijne zonde, zonder iets anders te bedoelen, voor zijne vijanden heeft laten bezwijken, zo redt Hij het nu ook uit de hand van deze en wel om dezelfde hoofddeugd Zijner heiligheid. Nu toch is Israël een berouwvol volk, vol erkentenis zijner zonde, en een volk, dat de genade en den zegen van zijnen God krachtig aangrijpt. Gelijk God alzo eens zijne zonde voor de gehele wereld declareerde, zo ook nu Zijn zegen in zijne overwinning.
Drievoudig zal volgens Vers 21-24 de werking zijn, welke de volvoering van het gericht aan Gog zal hebben: 1) zullen, als God zo aan het heidendom Zijne macht openbaart, de heidenen Gods richtenden toorn over hen zelven erkennen; 2) zal Gods volk erkennen, dat Jehova zijn God is, om het nooit te vergeten; 3) zullen de heidenen hun dwaling, waarmee zij volgens Hoofdstuk 36:29, vervuld zijn, afleggen, en erkennen, dat God niet uit machteloosheid Zijn volk uit zijn land heeft laten drijven, maar tot welverdiende straf om de overgrote menigte van zijne zonden. Ten slotte spreekt God in Vers 25-29 uit, tot welk doel hij deze profetie van Gog en in `t algemeen alle van Hoofdstuk 35:1 af medegedeelde voorzeggingen heeft gegeven. Men kan zeer goed het "Nu", in Vers 25 van den tijd, welke voor den Profeet de tegenwoordige was, en de daar aangekondigde terugvoering van Israël van de terugvoering uit de toenmalige Babylonische ballingschap verstaan; nu, binnen korten tijd zegt God vooruit, zal Ik Israël uit deze gevangenschap terugvoeren. "Daarom", waarmee het vers begint, kan zien op al het voorzegde van Hoofdstuk 35:1 af. Daarom, omdat God het voornemen heeft, zulke grote dingen te doen, aan Zijn volk zulk een heerlijkheid te bereiden en aan het heidendom zulk een einde te maken, in `t kort zulk een einde van alle zaken te weeg te brengen, als de vooraf gaande voorzeggingen deden verwachten, daarom geeft God de verzekering, dat Hij nu spoedig Israël uit zijne tegenwoordige ballingschap in Babel terug zal leiden. Deze terugvoering uit de Babylonische ballingschap is noodzakelijk, opdat te zijner tijd dit voorzegde einde der heerlijkheid zou komen; daarom moet Israël, wanneer daaraan een zo heerlijk einde voorzegd is, daaruit vertrouwen putten, dat het zeker spoedig uit zijne latere ballingschap moet en zal verlost worden. Zo wordt van de gehele voorgaande voorzegging als doel aangewezen, dat het Gods volk moet vertroosten en het tot vertrouwen opwekken, dat het als een volk, voor heerlijkheid is bestemd, ook uit zijne ellende in lateren tijd zal worden gered. Het 25ste vers houdt zich dus bezig met de naaste toekomst van Gods volk, met zijn terugkeren uit de toenmalige Babylonische ballingschap; maar terwijl nu de profetie haren blik in de volgende verzen verder verheft tot datgene, wat op dit terugkeren uit de Babylonische ballingschap zal volgen, springt zij over de daar tussen liggende ontwikkelingen heen, gaat de naaste toekomst voorbij en schildert hoe Gods volk, nadat het uit zijne tegenwoordige ballingschap zal zijn teruggevoerd, ten laatste een tijd zal beleren, waarin het na doorleving van alle welverdiende gerichten, boetvaardig en met den Geest Gods vervuld door God, in het land van zijne rust geleid, zal kunnen leven.
Na Israëls wonderbare redding uit de hand van Gog door het strenge oordeel over dezen, zullen alle volken met Israëls geschiedenis bekend worden. De volken zullen over de wonderbare wegen van Gods ondoorgrondelijke wijsheid verbaasd staan. Het zaad Abrahams, door God twee duizend jaren vóór Christus geboorte tot een volk Gods aangenomen, aan de slavernij in Egypte overgegeven, door Mozes geweldige wonderen naar zijn erfland gevoerd. onder David en Salomo het beroemdste koninkrijk van den ouden tijd, om zijner zonden wille naar de Babylonische en Assyrische gevangenschap gevoerd, uit deze wederom na zeventig jaren tot Zion teruggebracht, na de verschijning en verwoesting des door de Profeten beloofden Gezalfden, door de Romeinen ten ondergebracht en onder alle volken verstrooid, vervolgens in alle landen veracht, mishandeld en diep vernederd, onder dat alles niet verstoken van bijzondere zegeningen Gods, totdat Jafets stammen, die sinds zijne verwerping in Sems tenten woonden, de zaligheid Gods tijdens het Antichristendom van zich stieten; dit oude bondsvolk, nu evenwel tot zijn Messias bekeerd, uit alle landen der wereld. Sommigen na ene nabij tweeduizendjarige verstrooiing, als heilig overblijfsel te Zion herzameld, door Jehova tegen den woedenden moordlust van den Antichrist beveiligd, en boven alle natiën vier duizend jaren na zijne roeping in Abraham, ja, hoog boven alle volken verheven, zijn zij, ontegenzeglijk het merkwaardigste volk onder de zon, bij de beschouwing van welks geschiedenis een Paulus vol bewondering en aanbidding van de wijsheid der Goddelijke raadsbesluiten uitroept: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordelen, hoe onnaspeurlijk Zijne wegen? Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem gegeven en het zal Hem weer vergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. " .