13. Maar nu in Christus Jezus bent u, die eertijds verre was Ac 2:39 nu, in tegenstelling tot die vroegere toestand (
Vers 12.
Colossenzen 1:21 v.), nabij geworden (
1 Petrus 2:10) door het bloed van Christus, als waardoor voor u alleen zo'n verplaatst worden in het gebied van de koninkrijk van God mogelijk is geworden (
Johannes 12:10). 14. a) Want Hij is onze vrede (
1 Corinthiërs 1:30.
Colossenzen 1:27), de vredemaker van ons, Joden en heidenen, de beide tot hiertoe afgescheiden delen van de volken-wereld. Hij is het, die deze beiden (
Vers 18) één gemaakt heeft, tot een heilige Christelijke kerk heeft samengevoegd (
Colossenzen 3:11.
Galaten 3:28.
Johannes 10:16) en de middelmuur van de afscheidsels, de scheidsmuur, die alle gemeenschap van de Joden met de heidenen als onreinen, verhinderd (
Handelingen 10:28) gebroken hebbend,
a) Jesaja 9:5. Micha 5:4. Johannes 16:33. Handelingen 10:36. Romeinen 5:1.
Men wacht naar vrede en daar is niets goeds, dus horen wij Jeremia op klagende toon van zijn dagen getuigen, Jeremia 18:13 en hoe menige tijd in het leven, hoe menig leven in de tijd, waarvan men hetzelfde verhalen kan. Maar hoe heerlijk tevens dat Evangelie, dat juist dan met dubbele nadruk op de Gekruisigde en Verheerlijkte heen wijst als in de hoogsten zin van het woord de vrede van de Zijnen. Paulus spreekt er in het tekstverband van bepaald in deze zin, dat Christus het was, die door Zijn kruis de eeuwenoude scheidsmuur tussen Jood en heiden deed vallen en zo mensen met mensen tezamen bevredigd heeft. Maar waar u deze zinrijke uitspraak in het volle licht van een vervuld Evangelie beschouwen, daar is zij waarheid in nog veel ruimere zin en geen toestand kunnen wij ons voorstellen zo donker en droef, waarin dit Evangeliewoord geen vriendelijke lichtstraal doet vallen. Hij is onze vrede allereerst bij wat ons bezwaart hier beneden. Is het goed met u? U denkt hier bovenal aan de zonde, die telkens ook in het aanvankelijk gelovig hart de rust verstoort en aan de hoge troost, die dat liefelijk "vrede door het bloed van het kruis" zou vaak in het harte deed dalen. Maar bovendien, hoeveel hier beneden, dat ons als lood aan de vleugels hangt en zoals een verborgen kanker de edelste levensdelen doorknaagt, hoeveel rondom en in ons, dat wij zonden willen, maar God weet het, onmogelijk kunnen veranderen. Wel van onze dan, die het weten dat Christus onze vrede is bij al wat ontbreekt hier op aarde. Juist de edelste geesten en de grootste harten voelen zich het minst verzadigd door wat de wereld hen aanbiedt, van de draf, die de zwijnen eten, walgt hun ziel; maar ach het echte hemelbrood, waarbij de mens echt kan leven, het groeit toch ook niet in het zand van de woestijn. Ziedaar komt de Christus en verkondigt vrede u, die ver was en die, die nabij waren (Vers 17). Ieder ledig vervult Hij met Zijn algenoegzame volheid en elke hartetraan vindt bij Hem een vriendelijke hand, die hem afdroogt. Ben Ik u niet beter? zo vraagt Hij telkens in heilige stilte, dan al wat u buiten Mij zoekt en heeft u nooit ervaren, dat de goede Herder gekomen is, opdat de Zijnen niet slechts het leven, maar ook de overvloed hebben. Maar zo is Hij dan ook in de volste zin de vrede van de Zijnen bij alles wat hen anders verdeelt. Ach hoeveel is er hier beneden, dat mensen van mensen verwijdert en hoe kan het zelfs soms zijn alsof de Meester gezegd had: Hieraan zullen zij allen bekennen dat u Mijn discipelen bent, als u haat heeft onder elkaar. Zeker tussen vijanden en vrienden van de waarheid kan geen waarachtige vrede, maar ten hoogste slechts wapenstilstand bestaan en boven iedere valse vrede moet de waarheid in Christus ons dierbaar zijn. Maar waar deze wordt geloofd en verstaan, daar kunnen, daar mogen, daar moeten zij, die één plant met Christus worden, dan ook elkaar de hand van de broederschap reiken en niet in de eerste plaats vragen waarin men samen stemt. De bewijzen zijn hoezeer al te weinig voorhanden, dat er geen heiliger banden bestaan dan die aan de voet van het kruis zijn geknoopt en eerst van de Geest van Christus laat zich die gouden eeuw van de vrede verwachten, waarnaar het zuchtend schepsel zolang reeds reikhalzend heeft uitgezien. En zo blijft hij eindelijk onze vrede bij al wat ons nog in tijd en toekomst verwacht. Wie kent niet het donkere uur, dat de moed hem ontzinkt, om in het boek van een toekomst te staren, die hem wel niets meer te brengen heeft dan nevelen, die hem steeds dichter omhullen, of stormen, die hem eindelijk vellen. Maar heil ons, die geloven; boven die nevelen rijst een zilveren ster en nog vóór de storm klinkt het in het suizen van de zachte stilte ons tegen: Ik ben het, wees niet bevreesd. Wij weten volstrekt niet wat komt, maar wij weten te zeker wat blijft en vooral dat ene, dat al was ook zelfs het voorlaatste woord van de Zijnen nog strijd, het allerlaatste vrede zal zijn, zo echt Hij heeft gezegd: heb goede moed, Ik heb de wereld en ook de dood overwonnen. Slechts op dit ene komt het aan en alles hangt daarvan eniglijk af of wij het Apostolisch woord aldus overnemen: Hij is mijn vrede en Hij zal het blijven in eeuwigheid. Wensen we dat echt, bedenken wij het dan telkens opnieuw, onze vrede is geen afgetrokken denkbeeld, geen louter inwendige toestand, maar een persoon, in wie deze vrede als belichaamd is en onsterfelijk leeft, om telkens opnieuw als uit de hemel in onze harten weer in te dalen. Staren wij zo aanhoudend en vast en blij op Hem, dat al de innerlijke tweespalt en onvrede van ons hart als wegsmelt voor de vuurblik van Zijn zalige en ontfermende ogen. En hebben wij het vroeger of later ervaren wat vrede van God is, die alle verstand te boven gaat, zien wij dubbel ernstig toe, dat het Gideons-altaar in hart en huis niet vervalt, waarop te lezen staat: de Heer is vrede. (Richteren 6:24).