28. En de Heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, die Israël heilige 1) (
Hoofdstuk 36:36), als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid 2).
1) De gevolgen der wonderbare openbaring Gods in Israël worden in Vers 27 naar het inwendige, in Vers 28 naar het uitwendige beschreven. Het volk mag zich nu in ene zeer bijzondere bescherming Gods verheugen, het nieuwe heiligdom is de sterkste borg van de even zo grote waarde als eeuwigen duur der gemeenschap met God. De heidenwereld verneemt echter met verwondering, wat grote dingen de Heere kan verrichten, wanneer Hij Zich in de volheid Zijner heiligheid onder het volk openbaart, en zich daaraan als de heiligende God in de volkomenste mate vertoont.
Het is duidelijk dat de Heere hier spreekt van de geestelijke zegeningen, welke het Israël Gods zal genieten. Want wel wordt er gesproken van een heiligdom in het midden van hen, maar dat doelt niet op een heiligdom met handen gemaakt, niet op een plaatselijk heiligdom of tempel, maar op de geestelijke zegeningen, welke, tengevolge van de komst van den Messias, zullen gesmaakt worden. Als straks de Messias zal gekomen zijn, als het Woord zal zijn vlees geworden, dan zal ook Israël delen in de heerlijkheid van het Nieuwe Verbond. En al wie den Christus Gods zullen worden ingeplant, wie lidmaat zullen worden van het geestelijk heiligdom, dat is van de Kerk, die zalig wordt, die delen zullen in de mystieke vereniging met het lichaam van Christus. zullen ervaren dat God hun God, en dat zij Zijn volk zullen zijn.
Van een herbouwen van een aardsen tempel aan het einde der eeuwen is hier geen sprake.
2) Hier wordt Israëls bijeenvergadering duidelijk en klaar voorspeld. Evenwel zullen niet alle Israëlieten zich in hun land vergaderen, maar slechts een heilig overblijfsel der thans onder alle natiën en hemelstreken levende Joden. Vele Joden zijn ongelovig, en zullen eenmaal aan het anti-christendom deelnemen, zo als de Heere zegt Johannes 5:43 : "Mij neemt gij niet aan, zo een ander komt in Mijnen naam (de Antichrist), dien zult gij aannemen. "Uitdrukkelijk zegt de Profeet ook, dat insgelijks de tien stammen zich verzamelen zullen, die nu meer dan twee en een half duizend jaren in de hoog gelegen streken nabij Eufraat en Tigris verstrooid gevonden worden, van welke evenwel velen in den bloeitijd der Morgenlandse kerk op de prediking der van Jezus tot hen gezondene Apostelen en Evangelisten zich tot hunnen Gezalfde en Heiland bekeerd hebben. Nakomelingen van al de twaalf stammen zullen dus verzameld worden, en tot één koninkrijk verenigd, het beloofde land bewonen. Deze verdediging wordt door de verbinding der beide houten, waarop de namen der stam-opperhoofden Juda en Jozef staan aangeduid. De enige Koning, die hen beheersen zal, is in den hoogten zin, Christus, in voorspelling onder het beeld van David voorgesteld, die met zijne heiligen ook zichtbaar aan de spits der natiën zal staan (Daniël 7:27; 2:44; Openbaring 0:6), ofschoon de volken ook nog menselijke koningen hebben. De uitwendige aanleiding tot der Joden terugkeer in het erfland hunner vaderen geeft de Profeet hier niet op, daar hij niets aangaande den toestand der volken, onder welke Israël verstrooid is, voorspelt. De oproeping van Christus aan Zijn volk, om zich te Jeruzalem te vergaderen is bij Jesaja (48:20; 52:11) en bij Jeremia (50:8; 51:7, 45) voorzegd; en deze oproeping doet Jezus zelf met de woorden der oude profeten in de Openbaring 18:4) aan Zijn volk horen: "Gaat uit van Babel o Mijn volk, opdat gij aan hare zonde gene gemeenschap hebt, en van hare plagen niet ontvangt, Daardoor wordt de tijd van de bijeenverzameling der Joden uit Babel, of de afvallige Christenheid van Europa in den tijd geplaatst, waarin de Antichrist met behulp der tien als koningen, of van de tien voorstanders der Europese volksheerschappijen, door ene staatsgreep de macht in handen gekregen heeft, en daardoor aan het hoofd der koningen van den opgang der zon staande, heer van Europa en der aarde wordt. Eer hij alzo zijne werkzaamheid als Anti-christ, heiligen-moordenaar, brandstichter en verwoester van Europa begint, zullen de Joden, om zich voor hem in vrijheid te stellen, naar hun land vertrekken. De Joden zullen voor zovelen zij uit de waarheid zijn, den Antichrist niet aanbidden en zich gedwongen zien, wanneer zij niet omkomen willen, naar het land der belofte te vluchten. Op zijn eersten tocht naar het Morgenland (Daniël 11:40-43) zal de Antichrist Azië veroveren en ook in Kanaän komen en het door den val der Moslim-wereld voor de inbezitneming voor de Joden, zonder het te weten en te willen, toegankelijk maken (Daniël 11:41). Wanneer alzo Jeruzalem vrij is en de veroveraar als Antichrist naar Europa komt, dan zullen de Joden in allerijl optrekken, zovelen de Geest van Jehova daartoe opwekt. Wanneer zij dan tot hun erfgrond zullen zijn teruggekeerd, terwijl Apollyon en Abaddon het Avondland in ene woestijn verandert, zal hij zulks ten laatste vernemen, en met zijne koningen van den opgang der zon en de tien koningen van den ondergang der zon, die allen tot zijn gevolg behoren, vergezeld van de schare der valse profeten, den groten veldtocht ondernemen, welken de Ziener in zijne voorspelling van Gog ons zo indrukmakend voor de aandacht plaatst.