3. En zij, de citerspelers aan de glazen zee, zongen het gezang van Mozes, de dienstknecht van God en het gezang van het Lam 1), het lied in
Exodus 15:1-
18 wel niet woordelijk, maar zakelijk en zo dat het tot een verlossingslied werd van de gemeente van het Nieuwe Testament. Aan de daad van de verlossing uit de hand van Farao en diens ruiters werd de redding, door de Heiland teweeggebracht, uit de macht van een veel ergere vervolger vastgeknoopt. Zij zongen die lofzang, zeggend als het gedurig refrein daarop: a) Groot en wonderlijk zijn uw werken, Heere, U almachtige God! want nu blijkt het woord waarheid, dat de poorten van de hel de gemeente van Christus niet zullen overweldigen (
Mattheus 16:18). b) Rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, U Koning van de heiligen 2) (volgens andere lezing "van de heidenen"
Jeremia 10:7).
a) Psalm 111:2; 139:14 b) Psalm 145:17
1)Woordelijke overeenstemming met het lied van Mozes mogen wij reeds na het "en het gezang van het Lam" niet verwachten. Dat zou de zaligheid door het Lam teweeg gebracht, vernederen, het voorstellen als niets dan een herhaling van het vorige. Nieuwe zaligheid, nieuw gezang; maar gemeen met het lied van Mozes heeft het lied van het Lam, dat de heidense wereldmacht het voorwerp van de rechterlijke werkzaamheid van God is.
Mozes, de knecht van God, had de opdracht het volk van God door de krachtige arm van de Heere uit het diensthuis Egypte te leiden en zijn lied is in de eerste betekenis geen ander dan dat loflied op de ondervonden redding dat Mozes met Israël aan de Schelfzee zong. Maar de verlossing uit Egypte, waarvan de gedachtenis tevens op voorafbeeldende wijze door de instellen van het paaslam moest worden onderhouden, is slechts het lied van de grote, algemene en eeuwige verlossing uit de heerschappij van de zonde en van de dood, die wij aan het dierbaar bloed van Christus als van een onschuldig en onbevlekt Lam te danken hebben, en welke ons tot kinderen maakt, terwijl Mozes, de knecht van God, niet anders dan een verhouding van knechten tot God stichten kon. Deze geestelijke verlossing is het dan ook, waarop elke andere verlossing van de kinderen van God berust, krachtens welke zij ook alleen de laatste tijd van strijd en ellende zegevierend kan doorstaan en waarin de lof het hier door hen aangeheven lied van het Lam bestaat. Is nu aan de glazen zee die eerste voorafbeeldende verlossing zowel als de laatste, de eeuwige, het lofgezang van de overwinnaars, dan is hiermee gesproken van een prijzen van alle daden van God, het verlossen van het begin tot aan het einde, zoals dat op dit punt van de ontwikkeling, nu de geschiedenis van de mensheid op aarde haar besluit tegemoet snelt, op haar plaats is. Deze verlossingsdaden van God, zoals die tevens met gerichten over de vijanden verbonden zijn, maken juist de doorzichtig heldere, met vuur vermengde zee uit, in welks diepte de harpspelers aanbiddend neerzien.
In donkere uren op aarde, als de wereldmacht over de Kerk scheen te triomferen, hadden zij vaak getwijfeld aan de grootheid van de werken van God, van de gerechtigheid en waarheid van Zijn wegen, getwijfeld of Hij werkelijk de Almachtige, de Koning van de heidenen was. Nu schamen zij zich over die twijfel; zij zijn met de daad weerlegd; de wolken, die de heerlijkheid van God voor hun ogen verborgen, zijn geheel verdwenen.
De zee is de grote vloed van de wonderbare werken van God, de vloed van Zijn heilige wegen en rechtvaardige daden, waardoor de boosheid eerst getuchtigd en daarna vernietigd wordt. Dat deze zee een glazen is, geeft de helderheid en heerlijkheid van die oordelen te kennen: zij zijn zuiver en doorschijnend als het glas. Die zee is met vuur gemengd; met het vuur van de toorn van God, want deze oordelen zijn openbaringen van Zijn heilige ongenoegens, waardoor de Hem vijandige wereldheerschappij wordt getroffen. Hetgeen het gezicht van de zee in beeldspraak aanduidt, dat zegt het lofgezang van de gezaligden in eigenlijke bewoordingen. Zij hebben door een bloedige strijd, met de dood bezegeld, de overwinning over het beest behaald. Nu aanschouwen zij de getrouwe Kerk op aarde en haar overwinning en hoe zij eenmaal met hulp van de goddelijke kracht volkomen over de macht van de wereld zegepralen zal. Daarom jubelen zij in geloof over de heerlijke uitkomst, die op aarde te beurt valt aan de zaak, waarvoor zij op aarde streden en prijzen de grote daden van God, waardoor het beest wordt neergeworpen. Die heilige wegen van de Heere zijn nog wel niet voleindigd en schijnbaar is het beest nog in het ongestoorde bezit van zijn heerschappij, want de zeven plagen zijn nog niet aangevangen; maar zoals het geloof zich verzekerd houdt van de dingen, die men niet ziet, zo is voor het geloof van de gezaligden het toekomende reeds als tegenwoordig en daarom vermelden zij zingend en op goddelijke citers spelend, Gods lof wegens hetgeen van de engelen zal uitgaan.
Toen Mozes en de kinderen van Israël door de Rode zee aan de handen van Farao ontkomen waren, zongen zij de Heere een lofzang; zo zingt de Kerk bij dergelijke gelegenheid het lied van Mozes; niet dezelfde woorden, maar dezelfde zin en inhoud, zijnde de lof van God. Zij zongen het lied van het Lam, van Christus, die gaf de stof, namelijk de verlossing door Zijn bloed; dit legde een nieuw lied in hun mond (Psalm 40:4). Dit gaf hun hart en geest om wel te zingen (1 Corinthiërs 14:15). Dat was het onderwerp van hun gezang en zij zongen het ter ere van Christus, hun Koning.
`k Zal van Jehova, mijn Bevrijder, Het lied doen galmen uit mijn mond. Hij heeft het paard en zijn berijder Ter neer geslingerd tot de grond. Hij is mijn God, mijn roem, mijn zege, De God mijns vaders. `k Geef Hem eer, Dat de aarde zich van schrik bewege! Zijn naam is Held. Zijn naam is Heer.
Het volk van Cham met ros en wagen Het zeepad dreigend ingetreen Zij zijn gevallen, daar wij het zagen, Zij Zijn gezonken als de steen. Ik zal van hulp en uitkomst spreken. Uw rechterhand heeft ze verplet, U heeft hun lijken tot een teken Aan de oevers van de Schelfzee gezet.
De wateren, in twee gekloven, De waatren stonden op een hoop Bij het licht van de vuurkoloms van boven, En zie! de zon hernam haar loop. Daar sprak de vijand: "` k Zal vervolgen! `k Zal koelen aan dat volk mijn moed. Mijn zwaard is dorstig en verbolgen. Opslorpen zal mijn zwaard hun bloed. "
O God! U bliest! het zijn golven weer en van de Egyptenaren dood! Zij stortten in de diepte neer! Zij kleefden aan de grond als lood. Wie is als U, o God der goden? Wie is als U, geducht in macht? Die wind en waatren heeft geboden, Het werk, het werktuig van Uw kracht. En thans! U zult ze verder weiden, Wier boei Uw bondstrouw heeft geslaakt, Ze door de steenwoestijnen leiden, Naar het land, de vaderen vermaakt. De volken horen het. Zij trillen. Heel Palestina dreunt en kraakt. Wie zal uw angst, o Moab! stillen, Of weren het volk, dat u genaakt.
Ja, het volk trekt op, door u verkregen, O God des eeuwgen erfverbonds! U voert het aan op wonderwegen, Gedenkend aan de eed Uws monds. U zult ze nestlen in de steden, U zult ze wortlen in de grond, Nog door van de reuzen voet getreden, Tot wier verdelging U ze zondt.
Van eeuw tot eeuw zult U regeren, U bent mijn God, mijns vaders God! Wie zal uw legerbenden keren, U zult ze voeren in hun lot! Zingt, zingt Jehovah de Bevrijder, Zingt Hem met rei en rinkelbom. Hij blies! het paard en zijn berijder Kwam in de diepe waatren om.
Dus aan de oevers van die baren, eens geëffend tot een pad, Zongen Mirjams maagdenreien het heil, dat God gegeven had, Waar de nagalm van blijft ruisen aller eeuwen loopkring door Dan, opnieuw wordt opgevangen door een maagdelijken koor, Door het koor van Uw verlosten, sterke Held, Emmanuël! Daar zij uw triumfen zingen over zonde, dood en hel.
Aan de oever van geen golven meer, door stormen opgeruid, Maar der spiegelzilvren vlakte, die bij het hemel harpgeluid Afbeeldt slingerende kampen onder worstlend zielsgebed, Vaak met paarlende angstzweetdroppen doorgestreên en neergezet,
Neergezet nu en voor eeuwig opgelost in eeuwgen vreê Aan den oever dier kristallen, maar met vuur gemengde zee, Die Johannes van op Patmos met des Geest oog vernam, Zingt men nog het lied van Mozes, maar ter ere van het Lam.
Van het Lam, de Leeuw uit Juda, Offeraar en Lam te zaam, het Heil van God, in het vlees gekomen, is Zijn nooit volprezen naam. Van dien Heiland, die Bevrijder, zingt de hemel, zinge de aard! Lof, aanbidding, alverloochning is Hij hier en eeuwig waard, Goël, Hij, uit zwaarder dwangjuk dan Egyptes dienstbaarheid, Die geduchter dan de golven van de Schelfzee ten voetpad scheidt; Die een pad vond voor verloornen door de diepten van de dood, Die door moeilijke woestijnen laaft met waatren, zelf het Brood, Dat we U volgen, goede Herder! grote Leidsman, Koning, Held. (Trek ons met genadekoorden!) op de schudding van het meir, Bij Uw zielstrijd in d' Olijfhof, Uw verhoging aan het kruis, Door de nacht van de doodsvallei eens naar het Vaderlijke huis.
.