12. Om buit te buiten, en om roof te roven; om uwe hand te wenden tegen de woeste plaatsen, tegen de steden en plaatsen, die vroeger in puin lagen, maar die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat in allerijl uit de Heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands 1) (liever: op den navel der aarde, d. i. in het middelpunt der aarde (
Hoofdstuk 5:5.
Jesaja 2:2 v.).
1) Dit laatste gedeelte van dit hoofdstuk is ene herhaling van het eerste, de droom wordt verdubbeld, want de zaak is zeker en moet zeer zorgvuldig in acht genomen worden. De verzen 8, 11, geven ons ene zeer bijzondere beschrijving van de toestanden, waarin zich Israëls land en volk dan zullen bevinden, als Gog hen overvalt. Het land zal te voren lang woest hebben gelegen, maar in den tijd, dat Gog komt, is het van het zwaard wedergebracht en weer bebouwd; Israël zal weer uit de volken verzameld en in zijn land teruggevoerd zijn en veilig daarin wonen. Wanneer zal dat zijn? Op welken tijd wijst ons deze schildering? Zeker niet op den tijd, dat Israël, uit de Babylonische ballingschap teruggevoerd, in zijn land zal wonen; want deze tijd zal volgens de aanwijzing in Hoofdstuk 36:8 spoedig komen, maar onze plaats laat aan het hier bedoelde wonen van Israël in zijn land, ene lange aanhoudend lange verwoesting en verlatenheid des lands voorafgaan. Wij kunnen dus aan geen anderen tijd denken dan aan dien, wanneer Israël als een tot Christus bekeerd volk weer in zijn land zal gebracht zijn en daarin leven zal.
Onze plaats schildert de gemeente Gods Openbaring 4:1, in hare aardse machte- en hulpeloosheid; zij komt voor als een vreedzaam volk, als een volk der stillen in den lande, dat in vertrouwen op zijnen God, naar aardse bescherming niet omziet; in dat opzicht moet het toch altijd bij de wereld ten achteren blijven, daar God heeft beloofd haar beschermer te zijn. Het kennen dier onweerbaarheid geeft dan de aanleiding tot de pogingen der vijanden; zij hebben er geen begrip van, dat in het midden van dit weerloos volk Een woont, bij Wien hun macht niets dan onmacht is.
De goddeloosheid der heidense onderneming blijkt vooral daaruit, dat de tegenstanders der theokratie geen begrip hebben van hare inwendige grootheid en heerlijkheid, dus ook niet daarvan, waar hare ware macht en sterkte ligt, niet van Jehova zelven, den levenden God. Men ziet dus alleen in trotsen overmoed en verachting harer kleinheid op het uitwendige. Maar welk een ruw, onmenselijk gedrag is het dan tegen degenen, die men voor weerloos houdt, en die in stillen vrede leven, zonder iemand te krenken of te benadelen, uit te trekken! De plaats schildert op schone wijze, hoe aan den heidensen overmoed de heerlijkheid der theokratie voorkomt: "Ik zal optrekken naar dat dorpland; ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben. " Hier ligt reeds ten grondslag het oog op de ware bescherming der theokratie, zo als die reeds in de wet ligt voorgesteld: Israël zou niet als een in uitwendigen zin politiek groot volk onder de overige volken zijn; zijne wapenen en eer zouden juist in tegenstelling tegen de machten dezer wereld, tot ene veel hogere sfeer behoren. Israëls God zou werkelijk de enige bescherming en het wapen van Zijn volk zijn, het zou in Hem alleen zijne bescherming tegen al zijne wederpartijders vinden. Hoe zal dan, hoe minder deze hoofdgedachte der theokratie in het verledene hare verwezenlijking had gevonden, des te schitterender in de toekomst der theokratie dit haar ware wezen te voorschijn treden. Het behoort tot den toestand van Israëls heerlijkheid een schrik voor al zijne vijanden te zijn. Maar zijne zegepralen over deze, die tevens Gods vijanden zijn, behaalt het alleen door en in God, door de onmiddellijke werking van de almacht des Heeren. Alle paarden, strijdwagens en burchten zijn dan uitgeroeid (Micha 5:9). Naar `t uitwendige onbeschermd, maar met zijnen God en diens almachtige bescherming in zijn midden, staat de nieuwe theokratie daar, maar om dien schijn ook als een des te welkomer aantrekkingspunt voor den roofgierigen vijand. Hoezeer voor diens begerigheid naar buit de theokratie in haren tegenwoordigen vorm aantrekkelijk is en een voorwerp van verleiding, schildert de beschrijving daarvan in het 12de vers. De nieuwe toestand des volks is ene vernieuwing van den ouden patriarchalen tijd, toen de vaderen, in innige gemeenschap met God staande, zich in ene volheid van hogere zegeningen verheugden.
De uitdrukking "navel der aarde" geeft de symbolische hoge vlakte te kennen, in onderscheiding van de vier hoeken der aarde, dus een toestand van te voorschijn tredende centraliteit.
Die naam ligt voor Palestina te meer voor de hand, daar het land zelf hoog ligt, en naar Oosten en Westen aflopende, als een navel zich vertoont.
Als middenpunt der aarde kan wel is waar bij den eersten opslag van het oog, elk punt van de oppervlakte der aarde naar willekeur worden beschouwd. Maar de plaats, `t zij berg of stad of gewest, waar God Zijn heiligdom heeft gesticht, en van waaruit Zijn Geest en Zijn zegen naar alle zijden heenvloeit, is werkelijk het middenpunt der aarde, als de navel waardoor het voedend bloed der moeder in de ontwikkelende vrucht instroomt. Zulk een middenpunt van den levenwekkenden Geest te zijn, is de bestemming van Jeruzalem.
Dit duidt ons die verheven plaats aan, welke Israël zal innemen. Het wil zeggen, het rijkst gezegend land, zodat zij, die het bewonen, gelukkig en zalig zijn. Het duidt dus op den toestand van hen, die zich mogen verheugen in het volle genot van de genade Gods. De Kerk van Christus, zij, die deel hebben aan Christus en alle Zijne goederen, genieten van de rijkdom Gods en de genade Gods. Dit is de oorzaak dan dat satan met zijn heirleger hen gedurig bestormt, Zijn hand tegen hen keert, om ware het mogelijk, hen te vernietigen.
De Kerk heeft hier echter de belofte dat de poorten der hel haar niet zullen verdelgen.