Deuteronomium 32:26-38
Na vele schrikkelijke bedreigingen van wèlverdiende toorn en wraak, hebben wij hier verbazingwekkende aanduidingen van genade en onverdiende barmhartigheid, die roemt tegen het oordeel, en waaruit blijkt, dat God geen lust heeft in de dood van zondaren, maar wèl daarin dat zij zich bekeren en leven.
I. In ijver voor Zijn eigen eer, zal Hij geen voleinding met hen maken, vers 26-28.
1. Het kan niet ontkend worden dat zij verdienden geheel ten verderve te worden gebracht en dat God hun gedachtenis van onder de mensen zou doen ophouden, zodat de naam van een Israëliet niet anders dan in de geschiedenis bekend zou zijn, want zij waren een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en waarin geen verstand is, vers 28, het meest dwaze, onnadenkende volk, dat ooit bestond, dat de heerlijkheid Gods niet wilde geloven, ofschoon zij haar zagen, Zijn goedertierenheid niet begrepen hoewel zij haar ondervonden en er op leefden. Van hen, die zo'n God konden verwerpen, zo'n wet, zulk een verbond, voor ijdele drekgoden, kon in waarheid gezegd worden: er is geen verstand is hen.
2. Het zou voor God gemakkelijk zijn geweest hen te verderven en hun gedachtenis uit te roeien, toen de meesten van hen waren gedood door het zwaard, was het slechts een verstrooien van het overblijfsel naar enige onbekende volken van de aarde, dan zou nooit meer van hen gehoord worden, en de zaak ware afgedaan. Zie Ezechiël 5:12. God kan hen verderven, die het best versterkt zijn, hen verstrooien, die het nauwst saamverbonden zijn in eeuwige vergetelheid de namen begraven van hen, die het beroemdst waren.
3. De gerechtigheid eiste het: Ik zei: Ik zou hen verstrooien. Het is voegzaam dat diegenen weggedaan worden van de aarde, die weggegaan zijn van hun God, waarom zou er met hen niet naar verdienste gehandeld worden?
4. De wijsheid dacht aan de hoogmoed en de onbeschaamdheid van de vijanden, die uit het verderf van een volk, dat aan God zo dierbaar is geweest en voor hetwelk Hij zulke grote dingen gedaan had, aanleiding zouden nemen, om zich ongunstig uit te laten over God, en zich in te beelden dat, omdat zij Israël tenonder hebben gebracht, zij nu ook over de God Israëls hadden gezegevierd. De tegenstanders zullen zeggen: Onze hand is hooggeweest, hoog voorwaar, als zij te hoog was voor hen, voor wie God zelf streed, ook zullen zij niet bedenken dat de Heere dit alles heeft gewrocht, maar wanen dat zij het gedaan hebben in weerwil van Hem, alsof de God Israëls even zwak en onmachtig was, en even gemakkelijk ter neer te werpen, als de voorgewende godheden van andere volken.
5. Uit aanmerking hiervan heeft de barmhartigheid de overhand, zodat een overblijfsel gespaard en het onwaardige volk voor een algehele ondergang behoed zal worden: Ik schroomde de toorn des vijands. Het is een uitdrukking naar de wijze van de mensen, het is zeker dat God de toorn niet vreest van een mens, maar in deze zaak handelde Hij alsof Hij hem vreesde. Die weinige vromen in Israël aan wie de eer van Gods naam ter harte ging, vreesden de toorn des vijands ten opzichte van deze zaak meer dan wat het ook zij, zoals Jozua, Jozua 7:9, en dikwijls ook David, en omdat zij hem vreesden, wordt van God zelf gezegd dat Hij hem vreesde. Hij had Mozes niet nodig om hierop bij Hem te pleiten, maar gedacht er zelf aan. Wat zullen de Egyptenaren zeggen? Laat allen, wier hart beeft voor de ark Gods en voor Zijn Israël, zich hiermede troosten, dat God zelf voor Zijn eigen eer zal zorgen en Zijn naam niet zal laten ontheiligen. Hoezeer wij ook verdienen onteerd te worden nooit zal God de troon van Zijn heerlijkheid laten onteren.
II. In zorg voor hun welzijn begeert God ernstig hun bekering, en opdat zij hiertoe zullen komen, dat zij op hun einde zullen merken vers 29.
Merk op:
1. Hoewel God hen een dwaas volk genoemd heeft, waarin geen verstand is, wenst Hij toch dat zij wijs waren, zoals Deuteronomium 5:29, Och, dat zij zo'n hart hadden om Mij te vrezen! Psalm 94:8, en gij dwazen, wanneer zult gij verstandig worden? God verlustigt zich er niet in te zien, dat zondaren zich in het verderf storten, maar begeert dat zij zichzelf zullen helpen, en, zo zij willen, is Hij bereid hen te helpen.
2. Het is een groot blijk van verstand, en zal zeer veel bijdragen tot van de zondaren weerkeren tot God, als zij ernstig merken op het einde, of de toekomende staat. Hier is het inzonderheid bedoeld van hetgeen God door Mozes voorzegd had betreffende dit volk in de laatste dagen, maar het kan meer in het algemeen worden toegepast. Wij behoren te denken aan:
a. Het einde des levens en de toekomende staat van de ziel. Wij moeten aan de dood denken als aan ons heengaan van een wereld van de zinnen naar een wereld van geesten, het einde van onze staat van beproeving, en ons ingaan in de onveranderlijken staat van beloning en vergelding.
b. Het einde van de zonde en de toekomende staat van hen, die er in leven en sterven. O dat de mensen wilden merken op de zaligheid, die zij zullen verliezen, en de rampzaligheid, die zij gewis over zich zullen brengen. Indien zij in hun schulden wandelen, wat zal er het einde van wezen? Jeruzalem heeft dit vergeten, doarom is zij wonderbaarlijk omlaaggedaald, Klaagliederen 1:9
III. Hij herinnert aan de grote dingen, die Hij vroeger voor hen gedaan heeft, als een reden, waarom Hij hen niet geheel zou verstoten. Dit schijnt de betekenis te zijn van de woorden, vers 30, 31. "Hoe zou een Israëliet te sterk zijn geweest voor duizend Kanaänieten, zoals zij dikwijls geweest zijn, als het niet was omdat God, die groter is dan alle goden, voor hen heeft gestreden?" En zo komt dit overeen met Jesaja 63:10, 11,. Toen Hij hun, zoals hier, in een vijand was verkeerd, en tegen hen streed om hun zonde, toen heeft Hij gedacht aan de dagen vanouds, zeggende: Waar is Hij, die hen uit de zee opgebracht heeft? Zo ook hier. Evenals vanouds begint Zijn arm zich uit te strekken tegen de toorn des vijands, Psalm 138:7. Er was een tijd, toen Israëls vijanden verkocht werden door hun eigen rotssteen, dat is: hun afgoden, die hen niet konden helpen, maar hen verrieden, omdat JHWH, de God Israëls, hen besloten had als schapen ter slachting. Want de vijanden zelf moeten erkennen dat hun goden volstrekt niet waren opgewassen tegen de God van Israël. Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, vers 32, 33. Dat moet bedoeld zijn van Israëls vijanden, die zo gemakkelijk vielen voor het zwaard van Israël, omdat zij rijp waren voor het verderf en de mate van hun ongerechtigheid vol was. Maar deze verzen kunnen ook verstaan worden van het verwonderlijke overmogen van Israëls vijanden over hen, toen God hen gebruikte als de roede Zijns toorns, Jesaja 10:5,6. "Hoe zou één Kanaäniet duizend Israëlieten jagen" (zoals gedreigd is tegen hen, die op hulp van Egypte vertrouwden, Jesaja 30:17, "van het schelden van een enkeling zullen duizend vlieden) "als het niet was dat Israëls Rotssteen hen had verlaten en overgegeven?" Want anders, hoe zij hun kracht ook mogen toeschrijven aan hun goden, Habakuk 1:11, zoals de Filistijnen hun overwinning toeschreven aan Dagon, het is zeker: de rotssteen van de vijanden zou niet overmocht hebben tegen de Rotssteen Israëls, God zou spoedig hun vijanden gedempt hebben, Psalm 81:15, als niet de goddeloosheid van Israël hen in hun handen had overgeleverd. Want hun wijnstok, dat is: Israëls wijnstok, is uit de wijnstok van Sodom, vers 32, 33. Zij waren geplant als een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad, maar door de zonde zijn zij veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok, Jeremia 2:21, en zij hadden de zonde en ongerechtigheid van Sodom niet alleen overgenomen, maar overtroffen, Ezechiël 16:48. God noemde hen Zijn wijngaard, een plant van Zijn verlustiging, Jesaja 5:7. Maar hun vruchten waren:
1. Zeer walglijk voor God, bitter als gal.
2. Zeer boosaardig en verderflijk voor elkaar, als adderenvergif. Sommigen verstaan dit van hun straf, hun zonde zal in het laatste bitterheid zijn, 2 Samuël 2:26, zij zal bijten als een slang en steken als een adder, Spreuken 23:32, Job 20:14.
IV. Hij besluit tot het verderf ten laatste van hen, die hun vervolgers en hun verdrukkers zijn geweest. Als de beker van de wijn van de grimmigheid rondgaat, dan zal de koning van Babel er ten laatste uit drinken. Jeremia 25:26, zie ook Jesaja 51:22, 23. De dag komt, wanneer het oordeel, dat begon van het huis Gods, zal eindigen met de goddeloze en de zondaar, 1 Petrus 4:17, 18. Ter bestemder tijd zal God de vijanden van de kerk neerwerpen.
1. In misnoegen tegen hun goddeloosheid, die Hij opmerkt, vers 34, 35. "Is deze hun onvermurwbare woede tegen Israël niet bij Mij opgesloten, om hiernamaals verrekend te worden, als het zal blijken, dat Mij de wraak is?" Sommigen verstaan het van de zonde van Israël, inzonderheid van hun vervolgen van de profeten, die tegen hen opgesloten was, dat is: tegen hen bewaard bleef, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, Mattheus 23:35. Hoe dit zij, ons leert het dat de goddeloosheid van de goddelozen in Gods schatkamer bewaard wordt, verzegeld in Zijn schatten.
A. Hij merkt haar, Psalm 90:8. Hij weet beide wat de wijn is en wat de druiven zijn, wat de gezindheid is van het hart en wat de daden zijn van het leven.
B. Van beide houdt Hij een register in Zijn eigen alwetendheid, en in het geweten van de zondaar, en dit is verzegeld in Zijn schatten, hetgeen veiligheid en geheimhouding aanduidt, deze boeken kunnen niet verloren gaan, en zij zullen niet voor de grote dag worden geopend. Zie Hosea 13:12.
C. Dikwijls stelt Hij de straf van de zonde zeer lang uit, zij is weggelegd tot dat de maat vol is, en de dag van de lankmoedigheid Gods voorbij is. Zie Job 21:28-30.
D. Er komt een dag van afrekening, als al de schatten van schuld en toorn opengedaan zullen worden, en de zonde van de zondaren hen gewis zal vinden.
a. De zaak zelf zal voorzeker geschieden, want de Heere is een God, wiens de wraak is, en daarom zal Hij het vergelden, Jesaja 59.: 18. Dit wordt aangehaald door de apostel, om de strengheid te tonen van Gods toorn tegen hen, die van het geloof van Christus afvallen, Hebreeën 10:30. b. Het zal ter bestemder tijd geschieden in de beste tijd, ja het zal binnen korte tijd geschieden. De dag van hun ondergang is nabij, en hoewel hij schijnt te toeven, draalt hij toch niet en sluimert niet, maar zal haasten. In één uur zal het oordeel over Babylon komen.
2. Hij zal het doen in mededogen met Zijn eigen volk, dat, hoewel het Hem grotelijks getergd had, toch in betrekking tot Hem stond, en in hun ellende en beroep deed op Zijn ontferming, vers 36. De Heere zal Zijn volk recht doen, dat is hun recht doen tegen hun vijanden, hun zaak voorstaan, het juk van de verdrukking verbreken, waaronder zij zolang gezucht hadden. Het zal Hem over Zijn knechten berouwen, Hij zal niet van zin veranderen, maar van weg en wijze, voor hen strijdende zoals Hij tegen hen gestreden heeft, als Hij ziet dat hun kracht is weggegaan. Dit verwijst duidelijk naar de verlossingen, die God voor Israël gewrocht heeft door de richteren uit de hand dergenen, aan wie Hij hen verkocht had om hun zonden. Zie Richteren 2:11-18, en hoe Zijn ziel verdrietig werd over de arbeid van Israël, Richteren 10:16, en dat wel, toen zij tot de uiterste nood en ellende waren gekomen. God hielp hen, als zij zichzelf niet konden helpen, en toen er niemand besloten of gelaten was, dat is niemand van hen die in steden of ommuurde plaatsen woonde waarin zij opgesloten waren, noch iemand, die in verstrooide huizen op het land woonde, waar zij op een afstand waren van hun naburen. Gods tijd om te verschijnen voor de verlossing van Zijn volk is gekomen, als het op zijn ergst met hen is. God beproeft hun geloof, wekt hen op tot gebed, door de benauwdheid het zwaarst te laten worden, en dan verheerlijkt Hij Zijn kracht, beschaamt het aangezicht van Zijn vijanden, en vervult het hart van Zijn volk met zoveel grotere vreugde, door hen uit dit uiterste gevaar te redden, hen als vuurbranden uit het vuur te rukken.
3. Hij zal het doen in minachting en tot versmaadheid van de afgoden, vers 37, 38. Waar zijn hun goden? Dit kan op tweeërlei wijze verstaan worden.
a. Dat God voor Zijn volk doen zal wat de afgoden die zij gediend hadden, niet voor hen konden doen. Zij hadden God verlaten en waren zeer mild in hun offeranden aan de afgoden, brachten het vet van hun slachtoffers en de wijn van hun drankoffers naar hun altaren, en veronderstelden dat hun godheden er zich mee voedden, en met hen vergastten zij er zichzelf op. "Welnu" zegt God, zullen deze goden, die gij met zo grote onkosten gediend hebt, u helpen in uw benauwdheid en u aldus belonen voor de onkosten, die gij voor hen gedaan hebt? Gaat henen en roept tot de goden die gij verkoren hebt, laat u die verlossen ten tijde uwer benauwdheid, Richteren 10:14. Dit is bedoeld om hen hun dwaasheid te doen inzien door God te verlaten, die hen kon helpen, voor goden die het niet konden, en hen aldus tot berouw en bekering te brengen en hen toe te bereiden voor de verlossing. Als de overspeelster haar boeleerders naloopt, maar dezelf niet aantreft tot haar afgoden bidt, en geen goedheid van hen ervaart, dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan en keer weer tot mijn vorige man Hosea 2:6. Zie Jesaja 16:12, Jeremia 2:27, 28. Of
b. Dat God aan Zijn vijanden doen zal hetgeen waarvan de afgoden, die zij gediend hebben, hen niet kunnen redden. Sanherib en Nebukadnezar hebben de God van Israël stoutmoedig getart om Zijn aanbidders te verlossen Jesaja 37:10, Daniël 3:15, en Hij heeft hen verlost, tot beschaming van hun vijanden. Maar de God van Israël heeft Bel en Nebo getart om hun aanbidders te verlossen op te staan en hen te helpen en hun bescherming te zijn, Jesaja 47:12, 13, maar zij hebben hen zo weinig kunnen helpen, dat zij zelf, dat is hun beelden, hetgeen alles was wat er van hen was, in gevangenschap gingen, Jesaja 46:2. Zij, die op enigerlei rotsstenen vertrouwen buiten God zullen die ten dage van hun benauwdheid zand bevinden, zij zullen hun falen, als zij ze het meest nodig hebben.