Ezechiël 37:15-28
Hier vinden wij nog voortreffelijker en kostelijker beloften omtrent de toestand van de Joden na hun terugkeer in hun eigen land, maar zien ook verder op het rijk van de Messias en de tijd van het Evangelie.
I. Hier wordt beloofd, dat Efraïm en Juda, in broederlijke liefde en wederzijdse dienstvaardigheid, gelukkig verenigd zullen zijn, zodat, terwijl er altijd, van de tijd van de afscheiding van de tien stammen onder Jerobeam van het huis van David, aanhoudende veten en vijandelijkheden tussen de twee koninkrijken van Juda en Israël waren geweest, naar gevreesd wordt, zelfs in het land van de ballingschap (Efraïm Juda benijdende, en Juda Efraïm benauwende), dat alles nu anders zou worden, er zou thans een verbond tussen hen zijn. Ondanks de vroegere verschillen zouden ze elkaar nu liefhebben en zoveel mogelijk van dienst zijn. Dit wordt door een teken duidelijk gemaakt. De profeet moest twee stokken nemen en schrijven op de ene: voor Juda (Benjamin, de kinderen Israëls, zijn metgezellen ingesloten), op de anderen: voor Jozef, de andere tien stammen inbegrepen, vers 16. Hij moest die twee stokken zo tot elkaar doen naderen, dat ze één werden in zijn hand, vers 17. Het volk lette daarop en vroeg de betekenis daarvan, want ze begrepen, dat de handeling met de twee stokken geen kinderspel tot tijdverdrijf was. Zij, die de betekenis willen weten, moeten vragen naar de betekenis van het woord van God, dat zij lezen en horen, en van de ingestelde tekenen waardoor ons geestelijke zaken worden voorgesteld, "de lippen des predikers moeten wetenschap bewaren en het volk zal uit zijn mond de wet zoeken," Maleachi 2:7. Het is een gepaste vraag, in de mond van groten zowel als van kleinen: Wat hebt gij daar voor een dienst? Of: voor een teken? Exodus 12:26. De betekenis was, dat Juda en Israël één zouden worden in de hand Gods, vers 19.
1. Zij zullen één zijn, één volk, vers 22. Zij zullen geen tegenstrijdige belangen hebben en dus geen tegenstrijdige genegenheden. Er zal geen onderlinge ijverzucht of vijandschap, geen gedachtenis van vroegere onenigheid meerzijn. Er zal integendeel een volmaakte verstandhouding, volkomen harmonie onder hen zijn, bereidheid tot alle goede diensten voor elkanders welzijn en goeden naam. Zij waren twee stokken geweest, dwaas over en tegen elkaar, elkander benijdende en benauwende, ja elkaar slaande en beoorlogende, maar nu zijn ze één, steunende en sterkende elkaar. (Vis unita fortior, verenigde kracht is sterker). "Zie, hoe goed en liefelijk is het, als broeders ook samenwonen," Juda en Israël, die zolang in onenigheid geleefd hadden. Dan zullen zij Gode aangenaam zijn, bemind door hun vrienden en geducht voor hun vijanden, Jesaja 11:13, 14.
2. Zij zullen één zijn in Gods hand, door Zijn kracht zullen zij verenigd zijn, en eens samengebracht, zal Zijn hand ze samenhouden, zodat ze niet weer uit elkaar gaan of gescheiden zullen worden. Zij zullen een zijn in Zijn hand, want Zijn toom zal de band zijn, die ze samenbindt, het cement, waardoor ze samengevoegd zijn. In Hem, in Zijn dienst, in opzien tot Hem, zullen ze één worden. Van beide zijden zal men het erover eens zijn, dat men zich in Zijn hand stelt, en zo zullen ze waarlijk een zijn. (Qui conveniant in aliqua tertio inter se conveniunt, als twee met een derde overeenstemmen, stemmen ze ook onderling overeen.) Zie, zij zijn het best verenigd, die één zijn in Gods hand, wier onderlinge vereniging het gevolg is van hun eenheid in Christus en hun gemeenschap met God door Hem, Efeziers 1:10. "Eén in ons," Johannes 17:21. 3. Zij zullen één zijn in hun terugkeer uit de ballingschap, vers 21. Ik zal ze halen uit het midden van de heidenen en zal ze vergaderen van rondom, samen als een lichaam, en brengen ze in hun land. Ze zullen één zijn in hun scheiding van de heidenen, waaronder zij gemengd waren, zij zullen erin overeenstemmen, hen te verlaten, hun genegenheden van hen af te trekken, en zich niet langer naar hun gebruiken te schikken, en dan zullen ze spoedig ook daarin overeenstemmen, dat zij samen wandelen naar de regel van Gods. Woord. Dat zij samen geleden hebben zal deze gezegende verstandhouding in de hand werken, wanneer zij tot zichzelf komen om de dingen te overdenken. Doe vele stukken metaal samen in een oven, en wanneer zij gesmolten zijn, zullen zij één massa vormen. Het was tijd voor hen, elkaar te sterken, toen hun verdrukkers zo bezig waren, hen te verzwakken en uit te roeien. Evenzo, nu ze gezamenlijk des Heren gunst genieten en de grote, gemeenschappelijke verlossing smaken, zal dit hen helpen tot die vereniging. Dat God hen allen liefheeft, is een goede reden waarom zij elkaar moeten liefhebben. Tijden van gemeenschappelijke vreugde, evenals tijden van gemeenschappelijke smart, moeten ook de onderlinge liefde versterken.
4. Zij zullen allen onderdanen zijn van één koning, en zo ook onderling één worden. De Joden zijn, na hun terugkeer, onder één bestuur geweest, en niet als vroeger verdeeld. Maar dit heeft gewis een verder reikende betekenis, namelijk voor het rijk van Christus: Hij is die éne Koning, in gehoorzaamheid aan Wien Gods geestelijk Israël met vrolijkheid één, en onder Wiens bescherming allen zullen vergaderd worden. Alle gelovigen samen "één Here één geloof één doop." En de vereniging van joden en heidenen in de kerk van het Nieuwe Verbond, hun samenkomen tot een kudde onder één, de grote Herder, is ongetwijfeld de grote vereniging waarop al de profetie doelt. Door Christus is de muur des afscheidsels verbroken en de vijandschap teniet gedaan, zodat deze beide één gemaakt worden, Efeziers 2:14, 15.
II. Hier wordt beloofd, dat de Joden door hun ballingschap van hun geneigdheid tot afgoderij zullen genezen worden, dit zal de gelukkige vrucht van deze beproeving zijn, de wegneming dier zonde, vers 23. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden en met hun verfoeiselen, en met alle hun overtredingen. Zie, wanneer een bijzondere zonde overwonnen wordt, dan wordt alle zonde verlaten, want hij, die een zonde haat als zonde zal alle zonde haten. En degenen, die van hun geestelijke afgoderij, hun liefde voor de wereld en het vlees genezen zijn, zodat ze niet langer van hun geld of hun buik hun god maken hebben in beginsel al hun zonden overwonnen. Twee wegen zijn er, om ze van hun afgoderij te helen:
1. Door hen ver van de verzoeking te houden: "Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, omdat zij daar gedurig met verzoeking en allerlei aanlokselen te kampen hadden." Zie, wij handelen wijs, als wij de plaatsen mijden waar wij verleid zijn, er niet terugkeren, gelijk wij met besmette plaatsen zouden doen, zie Zacheria 2-:7, Openbaring 18:4. En het is een grote genade, zo God in Zijn voorzienigheid ons verlost uit de plaatsen, in dewelke wij gezondigd hebben en ons voorde zonde bewaart, door ons voor de verzoeking te bewaren, is antwoord op ons gebed: "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze."
2. Door de neiging huns harten te veranderen "Ik zal ze reinigen, dat is: Ik zal ze heiligen vers 23, 28, zal in hen een afkeer wekken tegen de verontreiniging van de zonde en een welbehagen in heiligheid, en dan kunnen wij zeker zijn, dat zij zichzelf niet meer met hun afgoden zullen ontwijden." Dien God gereinigd heeft, houdt Hij rein. III. Hier wordt beloofd, dat zij Gods volk zullen zijn, en Hij hun God, en de onderdanen en schapen van Christus, hun Koning en Herder.
Deze beloften hebben wij tevoren al gehad, hier worden ze herhaald, vers 23, 24, tot bemoediging van Israëls geloof: Zij zullen Mij tot een volk zijn, om Mij te dienen, en Ik zal hun tot een God zijn, en hen te verlossen en gelukkig te maken. Mijn knecht David zal koning over hen zijn, om hun strijd te strijden, ze tegen mishandeling te beschermen, hen te regeren en alles wat hun ten goede dienen kan, te beschikken Hij zal hun goede Herder zijn, hen weiden en hoeden. Christus is deze David, Israëls Koning van ouds, en degenen, die Hij aan Zich onderwerpt, en gewillig maakt op de dag van Zijn heirkracht, leert Hij wandelen in Zijn inzettingen en Zijn geboden onderhouden.
IV. Hier wordt beloofd, dat zij behagelijk zullen wonen, vers 25, 26. Zij zullen wonen in het land Israëls, want waar andere zouden Israëlieten wonen? Vele dingen zullen medewerken om hun woning aangenaam te maken.
1. Zij zullen die krachtens het verbond bezitten, zij zullen binnenkomen op grond van hun oude aanspraak, om de belofte aan Jacob, Gods knecht. Als Christus David, Gods knecht is, dan is de kerk Jacob, ook Zijn knecht, en de leden van de kerk zullen binnenkomen, elk voor zijn deel, als ingeborenen van Gods huis. Hij zal een verbond des vredes met hen maken, vers 26, en volgens dit verbond zal Hij hen inzetten en vermenigvuldigen. Zie, tijdelijke zegeningen zijn dubbel aangenaam, wanneer zij uit het verbond voortvloeien, en niet uit Zijn algemene voorzienigheid.
2. Zij zullen binnenkomen volgens voorschrift. "Het is het land, waarin uw vaders gewoond hebben, en daarom moet ge er wel een bijzondere voorliefde voor koesteren, waaraan God tegemoet komt." Het was de erfenis hunner voorvaderen en zal daarom de hunne zijn. Zij zijn beminden om van de vaderen wil.
3. Het zal op hun naam geschreven worden en op die hunner erfgenamen, hun gezinnen zullen gebouwd worden, zodat het land hun niet kan ontvreemd worden bij gebrek aan erfgenamen. "Zij zullen daarin wonen al de tijd, en nimmer uit de bezitting verdreven worden, zij zullen het hun kinderen en hun kindskinderen overlaten als een erfenis, die zullen het genieten na hun dood, en dit vooruitzicht zal hun een voldoening zijn."
4. Zij zullen wonen onder een goed bestuur, wat zeer veel zal bijdragen tot veraangenaming huns levens "Mijn knecht David zal koning over hen zijn voor eeuwig. Dit kan niemand anders wezen dan Christus, van Wien, komende in de wereld, gezegd is: Hij zal over het huis Jacobs koning zijn in der eeuwigheid," Lukas 1:33. Zie, het is een onuitsprekelijke troost voor al Christus' getrouwe onderdanen, dat Zijn koninkrijk een eeuwig koninkrijk, en Hij een eeuwig koning is die leeft en regeert in alle eeuwigheid. En zolang Hij leeft en regeert, zolang zullen zeker ook zij leven en regeren.
5. Het verbond, krachtens hetwelk zij al hun voorrechten genieten, is onverbrekelijk. Godsverbond met hen zal een eeuwig verbond zijn, het verbond van de genade, want het verzekert een eeuwige zaligheid. V. Hier wordt beloofd, dat God onder hen wil wonen, en dit vooral zal hun wonen vol genot maken: Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid, en Mijn tabernakel zal bij hen zijn, vers 26, 27.
1. Zij zullen de tekenen van Gods bijzondere tegenwoordigheid in hun midden en zijn genaderijk wonen onder hen bezitten. God zal inderdaad op de aarde onder hen wonen, want waar Zijn heiligdom is, daar is Hij. Toen zij Zijn heiligdom ontheiligden, nam Hij het van hen weg, Jesaja 14:11, maar nu zij gereinigd zijn, woont God weer onder hen.
2. Zij zullen gelegenheid hebben, met God omgang te hebben, Hem te horen, tot Hem te spreken, en zo met Hem te wandelen, wat de troost van hun leven zijn zal.
3. Zij zullen de genademiddelen hebben. Door de godsspraken in hun tabernakel zullen zij wijzer en beter gemaakt worden, en al hun kinderen zullen van de Here geleerd zijn.
4. Zo zal hun verbondsbetrekking tot God inniger en sterker worden: "Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn," zij zullen dat weten, als Mijn heiligdom onder hen is en zij daarvan de troost genieten.
Vl. Beiden, God en Israël, zullen daarom onder de heidenen geëerd worden, vers 26. Nu zullen de heidenen opmerken, dat Israël zijn eigen kroon had ontheiligd door zijn zonden, en God die had ontwijd door Zijn oordelen. Maar dan, als Israël weergekeerd is en God in genade tot hen is wedergekeerd, dan zullen diezelfde heidenen leren verstaan, dat de Here Israël heiligt, recht op hen heeft en belang in hen stelt, meer dan in enig ander volk, omdat Zijn heiligdom onder hen is en zal blijven. Zie God bedoelt de heiliging van degenen, onder wie Hij Zijn heiligdom zet. Welgelukzalig en heilig zijn zij, die, de zegeningen Zijns heiligdoms genietende, zulke duidelijke bewijzen van hun heiliging geven, dat de heidenen het niet minder zien dan de almachtige genade Gods, die hen heiligt. Dezulken hebben Gods heiligdom in hun midden het koninkrijk Gods in hun binnenste, in de voorschriften van het geestelijk leven, en zullen dat eeuwiglijk bezitten in de zaligheid des eeuwigen levens.