Johannes 17:20-23
I. Na voor hun reinheid gebeden te hebben, bidt Hij om hun eenheid, want de wijsheid van boven is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, en vriendschap is dan inderdaad vriendelijk en beminnelijk, als zij is gelijk de zalf op het heilige hoofd van Aäron, en de dauw op Zions heiligen berg. Merk op:
1. Wie in dit gebed begrepen zijn, vers 20.
"Ik bid niet alleen voor dezen, die thans Mijne discipelen zijn" (de elven, de zeventigen, met anderen, mannen en vrouwen, die Hem volgden, toen Hij op aarde was), maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen, hetzij door het woord, dat zij zullen prediken gedurende hun leven, of dat zij zullen schrijven voor de volgende geslachten. Ik bid voor hen allen, dat zij allen een mogen zijn in hun deel in dit gebed, er allen het voordeel van deelachtig zullen worden." Zij allen hebben deel in Christus' Middelaarsvoorbede, die in Hem geloven, of in Hem geloven zullen. Dat is het, dat hen beschrijft of kenmerkt, en het sluit de gehele hoedanigheid en den plicht in van een Christen. Zij, die toen geleefd hebben, zagen en geloofden, maar die in latere eeuwen geleefd hebben, hebben niet gezien en nochtans geloofd.
2. Het is door het woord, dat de zielen er gebracht worden, om in Christus te geloven, en het is te dien einde, dat Christus bepaald heeft, dat de Schrift geschreven zou worden, dat er een blijvende Evangeliebediening in de gemeente zijn zou, zolang de kerk bestaan zal, dat is dus, zolang als de wereld zal bestaan.
3. Het is Christus met onfeilbare zekerheid bekend, wie in Hem zullen geloven. Hij bidt hier niet zo maar in den blinde, op een gebeurlijkheid, die afhankelijk is van den verraderlijken wil van den mens, die beweert vrij te zijn, maar vanwege de zonde dienstbaar is met zijne kinderen. Neen, Christus wist wel voor wie Hij bad, door de Goddelijke alwetendheid was die zaak tot zekerheid gebracht. Hij wist wie Hem gegeven waren, wie, verordineerd zijnde ten eeuwigen leven, in het boek des Lams zijn geschreven, en ontwijfelbaar zullen geloven, Handelingen 13:48.
4. Jezus Christus doet niet slechts voorbede voor grote en uitblinkende gelovigen, maar ook voor de geringsten en zwaksten, niet slechts voor hen, die voor de hoogste posten van vertrouwen en eer gebruikt zullen worden in Zijn koninkrijk, maar voor allen, zelfs voor hen, die in het oog der wereld van zeer weinig betekenis zijn. Gelijk de voorzienigheid Gods zich uitstrekt over het geringste schepsel, zo strekt de genade Gods zich uit tot den geringsten Christen. De goede Herder heeft het oog zelfs op de armen der kudde.
5. Als Middelaar heeft Jezus Christus ook het oog gehad op diegenen van het verkoren overblijfsel, die nog niet geboren waren, het volk, dat geboren wordt, Psalm 22:32, de andere schapen, die Hij moest toebrengen. Eer zij in moeders buik geformeerd zijn, kent Hij hen, Jeremia 1:5, en reeds van tevoren worden gebeden voor hen ten hemel opgezonden door Hem, die van den beginne aan verkondigt het einde, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren.
II. Wat bedoeld wordt in dit gebed, vers 21. Opdat zij allen een zijn. Hetzelfde was tevoren gezegd, vers 11, opdat zij een zijn, gelijk als wij, en wederom in vers 22, opdat zij een zijn. Het hart van Christus was hierop gezet. Sommigen denken, dat de eenheid, om welke in vers 11 gebeden wordt, inzonderheid betrekking heeft op de discipelen als leraren en apostelen, dat zij een mochten zijn in hun getuigenis van Christus, en dat de harmonie der evangelisten, en de samenstemming der eerste predikers van het Evangelie aan dit gebed te danken zijn. Laat hen niet slechts een van hart zijn, maar ook een van mond, hetzelfde sprekende. In de eenheid van Evangeliedienaars is de schoonheid en de kracht van de Evangeliebediening gelegen. Maar het is zeker, dat de eenheid, om welke in vers 21 gebeden wordt, alle gelovigen geldt. Het is het gebed van Christus voor allen, die Hem toebehoren, en wij kunnen er ons van verzekerd houden, dat dit gebed verhoord is-dat zij allen een zijn, een in ons, vers 21, een, gelijk als wij een zijn, vers 22, volmaakt zijn in een, vers 23. Dit omvat drie dingen.
1. Dat zij allen ingelijfd mogen zijn in een lichaam. "Vader, zie op hen allen als een, en bekrachtig de grote overeenkomst, waardoor zij allen tot ene gemeente, ene kerk zijn verenigd. Hoewel zij in ver van elkaar verwijderde plaatsen wonen, van het ene einde der wereld tot het andere, en in verschillende eeuwen, van het begin tot aan het einde des tijds, en dus niet met elkaar bekend kunnen zijn of in gemeenschap met elkaar, zo laat hen toch verenigd zijn in Mij, hun aller Hoofd". Gelijk Christus gestorven is om allen tot een te vergaderen, zo heeft Hij daar ook om gebeden, Hoofdstuk 11:52, Efeze 1:10.
2. Dat zij allen bezield mogen worden door een Geest. Dit wordt duidelijk te kennen gegeven in dit: -opdat zij een zijn in ons. De eenheid met den Vader en den Zoon wordt alleen verkregen en bewaard door den Heiligen Geest. Die den Heere aanhangt, is een geest met Hem, 1 Corinthiërs 6:17. Laat aan die allen het stempel ingedrukt worden met hetzelfde beeld en opschrift, en laat hen allen onder den invloed komen van dezelfde kracht.
3. Dat zij allen saamgevoegd mogen worden door den band der liefde en barmhartigheid, allen een van hart zijn. Dat zij allen een zijn.
a. In oordeel en gevoelen, niet in elke kleinigheid-dat is evenmin mogelijk als nodig, maar in de grote dingen Gods, en door de kracht van dit gebed komen zij allen overeen, dat Gods gunst beter is dan het leven-dat zonde het ergste is van alle kwaad, dat Christus de beste is van alle vrienden, dat er een leven is na dit leven, en dergelijke zaken meer.
b. In gezindheid en neiging. Allen, die geheiligd zijn, hebben dezelfde natuur, zij hebben allen een nieuw hart, en het is een hart.
c. Zij zijn allen een in voornemen en bedoeling. Ieder waar Christen heeft-in zoverre hij dit is de ere Gods op het oog als zijn voornaamste doeleinde, en de heerlijkheid des hemels als zijn voornaamste goed.
d. Zij zijn allen een in hun begeerte en gebeden, al verschillen zij ook in woorden en de wijze van zich uit te drukken, maar allen dezelfden geest der aanneming ontvangen hebbende, en dezelfden regel volgende, bidden zij in werkelijkheid toch om dezelfde dingen. e. Allen een in liefde. Ieder waar Christen heeft datgene in zich, dat hem dringt om alle ware Christenen lief te hebben als zodanig. Waar Christus hier om bidt is die gemeenschap der heiligen, die wij belijden te geloven, de gemeenschap, die alle gelovigen hebben met God, en hun innige eenheid met al de heiligen in hemel en op aarde, 1 Johannes 3. Maar dit gebed van Christus zal niet volkomen verhoord zijn, voordat alle heiligen in den hemel zijn, want dan, en niet eerder, zullen zij volmaakt zijn in een, vers 23, Efeze 4:13.
III. Wat bij wijze van pleitgrond, of argument, aangevoerd wordt, om aan die bede kracht bij te zetten. Het zijn drie dingen:
1. De eenheid, die er is tussen den Vader en den Zoon, en waarvan telkens weer melding wordt gemaakt, vers. 11, 21-23.
a. Het wordt als toegestemd beschouwd, dat de Vader en de Zoon een zijn, een in aard en wezen, gelijk in macht en heerlijkheid, een in wederzijdse toegenegenheid. De Vader heeft den Zoon lief, en de Zoon behaagt steeds den Vader. Zij zijn een in voornemen en bedoelen, en een in werking. Het innige dier eenheid wordt uitgedrukt in deze woorden: Gij in Mij, en Ik in Hiervan maakt Hij dikwijls melding ter ondersteuning onder Zijn tegenwoordig lijden, toen Zijne vijanden gereed stonden om op Hem aan te vallen, en Zijne vrienden om van Hem af te vallen, toch was Hij in den Vader, en de Vader in Hem.
b. Hierop wordt nadruk gelegd in Christus' gebed voor de eenheid Zijner discipelen. a. Als voorbeeld van die eenheid, aantonende hoe Hij begeerde, dat zij een zouden zijn. In zekere mate zijn de gelovigen een, zoals God en Christus een zijn, want, Ten eerste. De eenheid der gelovigen is een strenge, nauwe eenheid, zij zijn verenigd door een Goddelijke natuur, door de kracht der Goddelijke genade, tengevolge van de Goddelijke raadsbesluiten. Ten tweede. Het is een heilige eenheid in den Heiligen Geest, tot heilige doeleinden, geen staatkundig lichaam voor wereldlijke doeleinden. Ten derde. Het is, en zal ten laatste wezen, een volkomen eenheid. Vader en Zoon hebben dezelfde eigenschappen en volkomenheden, dat hebben thans ook de gelovigen, in zoverre zij geheiligd zijn, en als de genade volmaakt zal zijn in heerlijkheid, dan zullen zij elkaar nauwkeurig gelijk zijn, allen naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd. b. Als het middelpunt dier eenheid, dat zij een zijn in ons, allen daar elkaar ontmoetende. Er is een God en een Middelaar, en hierin zijn de gelovigen een, dat zij allen afhankelijk zijn van de gunst van dien een God als hun zaligheid, en van de verdienste van dien een Middelaar als hun gerechtigheid. Wat geen middelpunt heeft in God als einddoel en in Christus als den weg, die er heenleidt, is samenspanning, maar geen eenheid. Allen, die in waarheid verenigd zijn met God en Christus, die een zijn, zullen spoedig met elkaar verenigd zijn.
c. Als een pleitgrond voor die eenheid. De Schepper en Verlosser zijn een in belang en bedoeling: maar waartoe zijn zij dit, indien alle gelovigen niet een lichaam zijn met Christus, en niet tezamen van Hem genade ontvangen voor genade, zoals Hij haar heeft ontvangen voor hen? Christus' bedoeling was de rebellerende mensheid aan God te onderwerpen. "Vader," zegt Hij, "laat allen, die geloven een zijn, opdat zij in een lichaam verzoend worden," Efeze 2:15, 16, hetgeen spreekt van de vereniging van Joden en heidenen in de kerk, die grote verborgenheid, dat de heidenen medeërfgenamen zouden zijn, en van hetzelfde lichaam, Efeze 3:6, waarop, naar ik geloof, dit gebed van Christus voornamelijk betrekking heeft, daar dit het grote doel was, dat Hij beoogde in Zijn sterven, en het verwondert mij, dat geen der Schriftuitleggers, die mij bekend zijn, het aldus heeft toegepast. "Vader, laat de heidenen, die geloven, tot een lichaam verenigd worden met de gelovige Joden, en maak die twee tot een nieuwen mens." De woorden: Ik in hen, en Gij in Mij, tonen wat de eenheid is, die zo noodzakelijk is, niet slechts voor de schoonheid, maar voor het bestaan zelfs Zijner kerk. Ten eerste. Eenheid met Christus: Ik in hen. Christus, wonende het hart der gelovigen, is het leven en de ziel van den nieuwen mens. Ten tweede. Eenheid met God door Hem: Gij in Mij, door Mij dus in hen. Ten derde. Eenheid met elkaar, hieruit voortvloeiende: opdat zij hierdoor-volmaakt zijn in een. In Hem zijn wij volmaakt.
2. Het doel van Christus in al Zijne mededeling van licht en genade aan hen. "De heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, als het kanaal, waardoor zij tot hen gevoerd moet worden-heb Ik-diensvolgens aan hen gegeven, opdat zij een zijn, gelijk als wij een zijn, zodat die gaven tevergeefs zijn, indien zij niet een zijn". Deze gaven nu zijn:
a. Hetzij die, welke verleend zijn aan de apostelen en eerste grondleggers der kerk. De heerlijkheid van Gods gezanten te zijn in en tot de wereld-de heerlijkheid van wonderen te doen-de heerlijkheid van ene gemeente te vergaderen uit de wereld, en den troon van Gods koninkrijk op te richten onder de mensen-deze heerlijkheid was aan Christus gegeven, en iets van die heerlijkheid heeft Hij op hen gelegd, toen Hij hen uitzond om al de volken te onderwijzen. Of:
b. Die aan alle gelovigen gegeven zijn. De heerlijkheid van in verbond te zijn met den Vader, en aangenomen te zijn door Hem en bestemd te wezen voor ene plaats aan Zijne rechterhand, dat was de heerlijkheid, die de Vader aan den Verlosser heeft gegeven, en Hij heeft haar bevestigd aan de verlosten. a. Deze eer zegt Hij hun gegeven te hebben, omdat Hij haar voor hen bestemd heeft, en haar voor hen verzekerd heeft, als zij geloven dat Christus' beloften wezenlijke gaven zijn. b. Dit was Hem voor hen gegeven, het was Hem voor hen toevertrouwd, en Hij was getrouw degenen, die Hem gesteld heeft.
c. Hij heeft het hun gegeven, opdat zij een zijn. Ten eerste. Om hun recht te geven op het voorrecht van eenheid, opdat zij krachtens hun gemene betrekking tot een God, den Vader, en een Heere Jezus Christus, in waarheid een genoemd kunnen worden. De gave des Geestes, die grote heerlijkheid, door den Vader gegeven aan den Zoon, om door Hem aan alle gelovigen gegeven te worden, maakt hen een, want Hij werkt alles in allen, 1 Corinthiërs 12:4 en verder.
Ten tweede. Om hen te verbinden tot den plicht der eenheid. Opdat zij uit overweging van hun overeenkomst en gemeenschap in ene geloofsbelijdenis en een verbond-uit overweging van hetgeen zij hebben in een God en een Christus, en hetgeen waarop zij hopen in een hemel, van een gevoelen en van een mond zullen zijn. Wereldlijke eer maakt de mensen onenig, want zo sommigen worden bevorderd, anderen worden in de schaduw gesteld. Zolang dus de discipelen nog droomden van een wereldlijk koninkrijk, hebben zij voortdurend met elkaar getwist. Maar dewijl geestelijke eer aan alle onderdanen van Christus gelijkelijk verleend wordt, daar zij allen Gode tot koningen en priesters gemaakt worden, is er gene aanleiding tot strijd of eerzuchtigen wedijver. Hoe meer de Christenen zich bezig houden met de heerlijkheid, die Christus gegeven heeft, hoe minder zij begerig zullen zijn naar ijdele eer, en hoe minder zij, bijgevolg, tot twist geneigd zullen zijn. 3. Hij pleit op den gelukkigen invloed, dien hun eenheid op anderen zal hebben, en hoe het openbare welzijn er door bevorderd zal worden. Dit wordt tweemaal als drangreden aangevoerd, vers 21:Opdat de wereld geloven, dat Gij Mij gezonden hebt, en wederom, vers 23:Opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, want zonder kennis, kan er geen waar geloof wezen. De gelovigen moeten weten wat zij geloven, waarom en waartoe zij geloven. Zij, die maar op goed geluk af wagen te geloven, wagen te veel. Christus nu toont hier:
a. Zijn goeden wil aan de wereld van het mensdom in het algemeen. Hierin, gelijk in alles, is Hij van het gevoelen Zijns Vaders, dat Hij wil, dat alle mensen zalig zullen worden en tot de kennis der waarheid zullen komen, 1 Timotheus 2:4, 2 Petrus 3:9. Daarom is het Zijn wil, dat alle mogelijke middelen gebruikt zullen worden, geen middel onbeproefd zal worden gelaten, om de wereld tot overtuiging en bekering te brengen. Wij weten niet wie uitverkoren zijn, maar wij moeten waar wij kunnen alles aanwenden, om de verlossing en zaligheid der mensen te bevorderen, en er ons ten zeerste voor wachten om iets te doen, waardoor dit verhinderd kan worden.
b. De goede vruchten van de eenheid der kerk. Het zal een bewijs wezen van de waarheid van het Christendom, en een middel om er velen toe te brengen het te omhelzen. a. In het algemeen: het zal het Christendom der wereld aanbevelen, en hun, die nog buiten zijn, er een goed denkbeeld van geven. Ten eerste. Het verenigen van de Christenen in ene maatschappij, een gezelschap, door de grondwet des Evangelies, zal het Christendom grotelijks bevorderen. Als de wereld zo velen van hare kinderen zal zien, die van uit haar midden geroepen, van de anderen onderscheiden zijn, en veranderd van hetgeen zij geweest waren-als zij zien zal, hoe deze Christelijke maatschappij ontstaan is door de dwaasheid der prediking, en in stand wordt gehouden door wonderen van Gods voorzienigheid en genade, en hoe bewonderenswaardig zij is ingericht, dan zal zij gereed zijn te zeggen: Wij zullen met ulieden gaan, want wij zien dat God met ulieden is. Ten tweede. De eenheid der Christenen in Liefde en barmhartigheid is de schoonheid hunner belijdenis, en nodigt anderen om zich bij hen te voegen, zoals het was onder de eerste Christenen, Handelingen 2:42, 43, 4:32, 33. Als het Christendom, in plaats van twist te verwekken over zich zelven, alle andere twistingen doet ophouden, -als het de vurigen en driftigen tot bedaren brengt, de ruwheid verzacht, en de mensen geneigd maakt om vriendelijk en liefdevol, wellevend en weldadig te zijn jegens alle mensen, er zich op toeleggende om vrede te bevorderen en te bewaren in alle betrekkingen des levens en der samenleving, dan zal het zich aanbevelen aan allen, die nog iets hebben, hetzij van den natuurlijken Godsdienst of van natuurlijke genegenheid. b. In het bijzonder: Het zal goede gedachten in de mensen opwekken: Ten eerste. Van Christus: Zij zullen bekennen en geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. Hieruit zal blijken, dat Christus van God was gezonden, en dat Zijne leer Goddelijk was, daar door den invloed van Zijn Godsdienst zo velen, die ten opzichte van andere dingen zo verschillend zijn in aanleg en karakter, en zo verschillende belangen hebben, saamgevoegd worden tot een lichaam in geloof, en tot een hart door de liefde. Voorzeker was Hij gezonden door God almachtig, die het hart der mensen formeert en de God der liefde en des vredes is, als de aanbidders van God een zijn, dan is Hij een, en Zijn naam is een. Ten tweede. Van de Christenen: Zij zullen bekennen, dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt." Hier is:
1. Het voorrecht der gelovigen, de Vader zelf heeft hen lief met ene liefde, gelijkende op Zijne liefde voor Zijn Zoon, want in Hem heeft Hij hen lief met een eeuwige liefde. 2. Het bewijs van hun delen in dat voorrecht, en dat is hun eenheid. Hieraan zal het blijken, dat God ons liefheeft, als wij elkaar liefhebben uit een rein hart, want, waar de liefde Gods in het hart is uitgestort, daar zal zij het naar hetzelfde beeld in gedaante veranderen. Zie hoeveel goed het aan de wereld doen zou, om beter te weten hoe dierbaar alle goede Christenen aan God zijn. Er was onder de Joden een gezegde: "Indien de wereld de waardij kende van vrome mensen, zij zou hen met paarlen omheinen." Zij, die zoveel liefde van God ontvangen, moesten meer liefde ontvangen van ons.