Mattheus 23:34-39
Wij hebben de blinde leidslieden verlaten, gevallen in de gracht, onder Christus' oordeel, gevallen in de helse verdoemenis. Laat ons nu zien wat er worden zal van de blinde volgers, van de Joodse kerk, en inzonderheid van Jeruzalem.
I. Jezus Christus bedoelt nog de middelen der genade op hen te beproeven: Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden. Het zinsverband is vreemd: Gij zijt een adderengebroedsel, en zult waarschijnlijk niet aan de helse verdoemenis ontkomen. Men zou zo denken, dat hierop zal volgen: Daarom zal u geen profeet meer gezonden worden, maar neen: Daarom zend Ik tot u profeten, om te zien of er eindelijk iets op u teweeggebracht kan worden, of anders u zonder verontschuldiging te laten, en God te rechtvaardigen in uw verderf. Daarom wordt dit ingeleid met een woord om de aandacht op te wekken, Ziet! Merk op:
1. Dat het Christus is. die hen zendt. Ik zend. Daarmee bekent Hij zich God te zijn, de macht hebbende om profeten te begiftigen en uit te zenden. Het is een daad van koninklijke macht, Hij zendt hen als gezanten om met ons te onderhandelen over de belangen onzer ziel. Na Zijne opstanding heeft Hij Zijn woord gestand gedaan, toen Hij zei: Ik zend ulieden, Johannes 20:21. Hoewel Hij thans in geringen staat was, is Hem toch die grote macht gegeven.
2. Hij zond hen het eerst tot de Joden: Ik zend tot u. Zij begonnen te Jeruzalem, en waar zij ook heengingen, altijd volgden zij dezen regel om den Joden het eerst het Evangelie der genade aan te bieden, Handelingen 13:46.
3. Die Hij zendt worden profeten, wijzen en schriftgeleerden genoemd, Oud-Testamentische benamingen voor Nieuw-Testamentische ambtsdienaren, om aan te tonen, dat de leraren, die Hij hun nu zond, niet minder waren dan de profeten van het Oude Testament, of Salomo, de wijze, of Ezra, de schriftgeleerde. De buitengewone leraren, die in de eerste eeuwen onder de ingeving des Heiligen Geestes hebben gearbeid en geschreven, waren als de profeten, die hun opdracht rechtstreeks van boven ontvingen, die toen waren, en nu nog zijn, en tot aan het einde des tijds zullen blijven, de wijzen en de schriftgeleerden, om het volk in de dingen Gods te onderwijzen en te leiden. Of wel, wij kunnen de apostelen en evangelisten beschouwen als de profeten en wijzen, en de leraren en onderwijzers als de schriftgeleerden, in het koninkrijk der hemelen onderwezen, Hoofdstuk 13:52, want het ambt van schriftgeleerde was eervol, totdat de mensen het onteerd hebben.
II. Hij voorziet en voorzegt de slechte behandeling, die Zijne boden van hen zullen ondervinden, Uit hen zult gij sommigen doden en kruisigen, en toch zal Ik hen zenden. Christus weet van tevoren hoe slecht Zijne dienstknechten behandeld zullen worden, en toch zendt Hij hen, en bestemt hun mate van lijden voor hen, en toch heeft Hij, hen aldus aan mishandeling blootstellende, hen niet minder lief, want Hij wil zich verheerlijken in hun lijden en hun daarna dit lijden vergoeden. Let op:
1. De wreedheid van deze vervolgers, Gij zult hen kruisigen en doden. Het is naar niets minder dan naar het bloed, het levensbloed, waarnaar zij dorsten, hun begeerte kan door niets minder bevredigd worden dan door hen uit te roeien, Exodus 15:9. Zij doodden de beide Jakobussen, kruisigden Simon, den zoon van Kleopas, en geselden Petrus en Johannes. Aldus deelden de leden in het lijden van het Hoofd, Hij werd gedood en gekruisigd, en dat werden ook zij. Christenen moeten verwachten ten bloede toe te moeten weerstaan.
2. Hun onvermoeiden ijver: Gij zult hen vervolgen van stad tot stad. Als de apostelen van stad tot stad gingen om het Evangelie te prediken, gingen de Joden hen heimelijk na, en brachten ene vervolging tegen hen teweeg, Handelingen 14:19, 17:13. De ongehoorzamen in Judea waren heftiger vijandig aan het Evangelie dan alle andere ongelovigen, Romeinen 15:31.
3. Het voorwenden van godsdienstigheid hierin. Zij geselden hen in hun synagogen, hun bedehuizen, waar zij hun kerkelijke gerechtshoven hielden, zodat zij dit deden als tot den kerkdienst behorende. Zij wierpen hen uit, en zeiden: Dat de Heere heerlijk worde, Jesaja 66:5, Johannes 16:2.
III. Hij rekent hun de zonde hunner vaderen toe, omdat zij haar navolgden: Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, vers 35, 36. Hoewel God een geslacht van vervolgers lang verdraagt, zal Hij het toch niet altijd verdragen, en geduld, waarvan misbruik gemaakt wordt, gaat over in den heftigsten toorn. Hoe langer de zondaren schatten van goddeloosheid hebben opgehoopt, hoe groter en volkomener de schatten des toorns zullen zijn, en het openbreken daarvan zal wezen als het openbreken van de fonteinen des groten afgronds. Merk op:
1. Hoe ver deze toerekening gaat. Zij sluit in al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, dat is: het bloed vergoten om der gerechtigheid wil, dat opgelegd en bewaard is in de schatkamer Gods. Geen droppel er van is verloren, want het is dierbaar, Psalm 72:14. Hij dateert de rekening van het bloed des rechtvaardigen Abels af. Dáár begint de eeuw der martelaars. Hij wordt genoemd de rechtvaardige Abel, want hij heeft het getuigenis ontvangen van den hemel, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijne gave getuigenis gaf. Hoe vroeg is het martelaarschap reeds in de wereld gekomen! De eerste die stierf, stierf voor zijn Godsdienst, en hij spreekt nog nadat hij gestorven is. Zijn bloed riep niet slechts tegen Kaïn, maar blijft roepen tegen allen, die op den weg van Kaïn wandelen, en hun broeder haten en vervolgen, omdat zijne werken rechtvaardig zijn. Hij strekt haar uit tot het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, vers 35, niet Zacharia, de profeet, zoals sommigen denken, hoewel deze de zoon was van Berechja, Zacheria 1:1, ook niet Zacharias, de vader van Johannes de Doper, zoals anderen zeggen. maar zeer waarschijnlijk Zacharia, de zoon van Jojada, die gedood werd in het voorhof van het huis des Heeren, 2 Kronieken 24:20, 21. Zijn vader wordt Barachia genoemd, dat ongeveer dezelfde betekenis heeft als Jojada, en het was een gewoon gebruik onder de Joden, dat dezelfde persoon twee namen had. Welken gij gedood hebt, gij, die van dit volk zijt, hoewel niet van dit geslacht. De Joden verbeeldden zich, dat de gevangenschap die schuld genoegzaam had verzoend, maar Christus zegt hun, dat de rekening volstrekt nog niet afgedaan was. Sommigen denken, dat het profetisch bedoeld kan wezen van Zacharia, den zoon van Baruch, van wie Josephus gewag maakt , die een goed en rechtvaardig man was, en gedood werd in den tempel kort voordat hij door de Romeinen werd verwoest. Sommigen is van mening, dat Christus zowel zinspeelt op den eersten Zacharias uit de Kronieken, als den dood voorspelt van dezen lateren Zacharia in Josephus. Deze laatste was nog wel niet gedood, maar eer de verwoesting komt, zullen zij hem gedood hebben, zodat zij dan allen tezamen zijn genomen, van den eersten tot den laatsten. 2. Het gevolg er van is: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht, al de schuld van dat bloed, al de straf er voor. De ellende en het verderf, die over hen komen, zullen zo ontzettend wezen, dat- hoewel het in vergelijking met het kwaad hunner zonde minder was dan zij verdienden-toch, in vergelijking met andere oordelen, het een algemene afrekening zal schijnen voor al de goddeloosheid hunner vaderen, inzonderheid van hun vervolgingen, waarmee God verklaarde, dat dit verderf zeer bijzonder in verband stond. De verwoesting zal zo vreeslijk wezen, alsof God nu eens voor al met hen afrekende wegens al het rechtvaardige bloed, dat vergoten was in de wereld. Het zal komen over dit geslacht, hetgeen aanduidt, dat het snellijk zal komen, sommigen hier zullen het nog beleven en zien. Hoe ontzettender en meer nabij de straf der zonde is, hoe sterker de roeping tot berouw en bekering.
IV. Hij treurt over de boosheid van Jeruzalem, en verwijt hun met volle recht de veelvuldige liefdevolle aanbiedingen, die Hij hun had gedaan, vers 37. Zie met welk een liefdevolle bekommernis Hij spreekt van deze stad, Jeruzalem, Jeruzalem! De herhaling geeft nadruk aan Zijne rede en duidt grote ontferming en medelijden aan. Een paar dagen tevoren had Christus over Jeruzalem geweend, nu zuchtte en kermde Hij er over. Jeruzalem, het visioen des vredes (dat is de betekenis van den naam), moet nu de zetel worden van krijg en beroering. Jeruzalem, de stad, die de vreugde was geweest van de ganse aarde, moet nu gesteld worden tot ene ontzetting en ene aanfluiting en ene spotrede. Jeruzalem, ene stad die wel samengevoegd was, zal nu verbrijzeld en verstrooid en verwoest worden door haar hevige innerlijke twisten. Jeruzalem, de plaats, die God had verkoren, om er Zijn naam te stellen, zal nu overgelaten worden ten buit aan de rovers, Klaagliederen 1:1, 4:1. Maar waarom zal de Heere dit alles doen aan Jeruzalem? Waarom? Jeruzalem heeft zwaar gezondigd. Klaagliederen 1:8.
1. Zij heeft de boodschappers Gods vervolgd. Gij, die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn. Deze zonde wordt inzonderheid aan Jeruzalem ten laste gelegd, omdat het de zetel was van het sanhedrin, of den groten raad, die kennis nam van kerkelijke zaken, en daarom kon een profeet niet anders dan te Jeruzalem gedood worden, Lukas 13:33. Wel is waar hadden zij thans de macht niet om iemand te doden, maar zij doodden de profeten in een volksoploop, lieten hen mishandelen door het grauw, zoals zij met Stefanus gedaan hebben, of spoorden de Romeinse overheden aan om hen te doden. Te Jeruzalem, waar het Evangelie het eerst gepredikt werd, is het ook het eerst vervolgd geworden, Handelingen 8:1, en die plaats was het hoofdkwartier der vervolgers, van daar werden volmachten uitgevaardigd naar de andere steden, en daarheen zijn de heiligen gebonden heengevoerd, Handelingen 9:2. Gij stenigt hen, dat was ene doodstraf, alleen bij de Joden in gebruik. Volgens de wet moesten valse profeten en verleiders tot afgodendienst gestenigd worden, Deuteronomium 13:10, en zo hebben zij onder schijn van deze wet de ware profeten gedood. Het is dikwijls een der kunstgrepen van Satan geweest, om het geschut op de kerk te richten, dat geplant was om haar te beschermen en te verdedigen. Brandmerk de ware profeten als verleiders, en de ware belijders van den Godsdienst als ketters en scheurmakers, en het zal gemakkelijk zijn hen te vervolgen. Er was nog overvloed van andere boosheid te Jeruzalem, maar dat was de zonde, die het luidste riep, en waarop God meer dan op enige andere het oog had, toen Hij dat verderf over hen bracht, zoals 2 Koningen 24:4, 2 Kronieken 36:16. Merk op, dat Christus spreekt in den tegenwoordigen tijd. Gij doodt, gij stenigt, want alles wat zij gedaan hadden en alles wat zij nog zouden doen was voor Christus' oog tegenwoordig. 2. Zij verwierpen Christus en de aanbiedingen des Evangelies. Het eerste was ene zonde zonder middel van herstel, het andere ene zonde tegen het middel van herstel. Hier is de wonderbare genade en gunst van Jezus Christus jegens hen: Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs ene hen hare kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen! Zo vriendelijk en voorkomend zijn de aanbiedingen der Evangeliegenade, zelfs aan de kinderen van Jeruzalem, hoe slecht zij ook is, de inwoners, de kinderen niet uitgezonderd. De gunst, hun aangeboden, was hen te vergaderen. Christus' bedoeling is arme zielen te vergaderen, terug te brengen van hun dwaalwegen, ze te vergaderen tot zich, als het middelpunt der eenheid, want tot Hem moeten de volken vergaderd worden. Hij zou geheel het Joodse volk in de kerk hebben willen brengen, en hen aldus allen vergaderen (zoals de Joden van de Jodengenoten plachten te zeggen) onder de vleugelen der majesteit Gods. Christus zou hen hebben willen vergaderen: Ten eerste. Met zulk ene tederheid van liefde als de hen, die uit haar aard een zeer bijzondere zorg heeft over hare jongen. Christus' bijeen vergaderen van zielen komt voort uit Zijne liefde, Jeremia 31:3.
Ten tweede. Met hetzelfde doel. De hen vergadert hare kiekens onder de vleugelen tot bescherming en veiligheid, tot verwarming en behagelijkheid. Arme zielen vinden in Christus veiligheid en verkwikking. De kiekens gaan vanzelf, door haar aard daartoe gedreven, naar de hen om bij haar weg te schuilen, als zij door roofvogels worden bedreigd. Christus heeft wellicht gezinspeeld op de belofte in Psalm 91:4. Hij zal u dekken met Zijne vlerken. Er is genezing onder Christus' vleugelen, Maleachi 4:2, dat is meer dan de hen heeft voor hare kiekens. De ijver en voortvarendheid van Christus om deze gunst te schenken. Zijne aanbiedingen zijn, ten eerste, gans vrijwillig. Ik zou het gedaan hebben. Jezus Christus is waarlijk bereid om arme zondaren, die tot Hem komen, aan te nemen en te behouden. Hij wil hun verderf niet, Hij verlustigt zich in hun bekering. Ten tweede. Zeer dikwijls. Hoe dikwijls! Christus is dikwijls te Jeruzalem gekomen, Hij heeft er gepredikt en wonderen gedaan, en de betekenis van dit alles was: Hij wilde hen vergaderen. Hij houdt er rekening van hoe dikwijls zijne roepingen herhaald zijn geworden. Zo menigmaal als wij het geklank des Evangelies hebben gehoord, zo dikwijls als wij het twisten des Geestes hebben bespeurd, zo dikwijls heeft Christus ons willen vergaderen. Hun moedwillige afwijzing van deze genade en gunst. Gij hebt niet gewild. Hoe nadrukkelijk wordt hun hardnekkigheid gesteld tegenover Christus' genade! Ik wilde, maar gij hebt niet gewild. Hij was gewillig om hen te behouden, maar zij waren niet gewillig om zich door Hem te laten behouden. Het is gans en al aan den bozen wil der zondaars te wijten, dat zij niet onder de vleugelen van den Heere Jezus vergaderd zijn. Zij hielden niet van de voorwaarden, waarop Christus voorstelde hen te vergaderen. Zij hadden hun zonden lief, en betrouwden toch op hun gerechtigheid. Zij wilden zich noch aan Christus' genade, noch aan Zijne heerschappij onderwerpen, en zo is de onderhandeling afgebroken.
V. Hij spreekt het vonnis uit over Jeruzalem, vers 38, 39. Zie, uw huis wordt u woest gelaten. Zowel de stad als de tempel, Gods huis en hun eigen huis, het zal alles verwoest worden. Maar het is inzonderheid bedoeld van den tempel, waarop zij roemden en betrouwden, dien heiligen berg, waarop zij zich zo verhovaardigden. Zij, die niet vergaderd willen worden door de liefde en genade van Christus, zullen verteerd en verstrooid worden door Zijn toorn. Ik wilde, en gij hebt niet gewild. Israël heeft Mijner niet gewild, dies heb Ik het overgegeven. Psalm 81:12, 13.
1. Hun huis zal verlaten worden. Het is u gelaten. Christus ging thans weg van den tempel, en is er nooit meer ingekomen, maar door Zijn woord verliet Hij hem ter verwoesting. Zij waren er uitermate aan gehecht, zij wilden hem voor zich hebben, voor zich alleen. Christus moest er gene plaats in, geen deel aan hebben. Welnu, zegt Christus, hij wordt u gelaten, neemt hem, en doet er mede wat u gelust, Ik wil er nooit meer mede van doen hebben. Zij hadden hem tot een huis van koophandel, tot een moordenaarskuil gemaakt, en zo wordt hij hun dan gelaten. Niet lang daarna werd in den tempel de stem gehoord: "Laat ons van hier gaan. Toen Christus wegging, was het Ikabod, want de eer was weggevoerd. Ook hun stad werd hun gelaten, ontbloot van Gods genade en tegenwoordigheid. Hij was niet langer een vurige muur rondom hen, noch de heerlijkheid in hun midden.
2. Het zal woest gelaten worden. Uw huis wordt u woest gelaten, het is erêmos, ene wildernis gelaten. In het oog van allen was het terstond nadat Christus het had verlaten, een sombere, treurige plaats geworden. Christus' vertrek maakt de best-ingerichte plaats tot een wildernis, al is het ook de tempel, de voornaamste plaats van samenkomst, immers welk genoegen kan men smaken waar Christus niet is? Hoewel er een ganse menigte van andere genoegens zijn kunnen, zal toch, zo Christus' geestelijke tegenwoordigheid er aan onttrokken wordt, die plaats of die ziel, tot een wildernis worden, een stikdonker land als de duisternis zelf. Dit komt van der mensen verwerping van Christus en hun van zich wegdrijven van Hem. Niet lang daarna werd het huis verwoest en vernietigd, geen steen werd op den anderen gelaten. Het lot van Jeruzalems vijanden werd het lot van Jeruzalem. Van de stad werd een steenhoop gemaakt, de vaste stad werd tot een vervallen hoop, Jesaja 25:2, de verheven stad werd vernederd tot de aarde toe, Jesaja 26:5. De tempel, dat heilig, heerlijk huis, werd verwoest. Als God ergens uittrekt, stormen alle vijanden naar binnen.
Eindelijk hier is het laatst vaarwel van Christus aan hen en hun tempel. Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij die komt, Dit duidt aan:
1. Zijn heengaan van hen. De tijd was nabij, dat Hij de wereld zou verlaten en heengaan tot den Vader, en niet meer gezien zou worden. Na Zijne opstanding werd Hij niet gezien dan door getuigen, die van God tevoren verkoren waren, en zij zagen Hem niet lang, want Hij ging weldra heen naar de onzichtbare wereld, en daar zal Hij blijven tot aan den tijd van de wederoprichting aller dingen, wanneer Zijn welkom bij Zijn eerste komst met luiden bijval herhaald zal worden: Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren. Christus zal niet weer gezien worden, totdat Hij komt met de wolken en alle oog Hem zal zien, Openbaring 1:7, en dan zullen zij zelfs, die Hem verworpen en doorstoken hebben, blijde zijn om in te komen met Zijne aanbidders. Dan zal alle knie zich voor Hem buigen, zelfs van hen, die zich voor Baäl hebben gebogen, en zelfs de werkers der ongerechtigheid zullen dan roepen: Heere, Heere, en, als Zijn toorn is ontstoken, erkennen dat zalig zijn, die op Hem vertrouwen. Zal te dien dage ons lot zijn met hen, die zeggen: Gezegend is Hij, die komt? Laat ons thans met hen zijn, met hen, die Jezus Christus in waarheid aanbidden en in waarheid welkom heten.
2. Hun blijvende blindheid en hardnekkigheid. Gij zult Mij niet zien, dat is, Mij niet zien als den Messias (want in ander opzicht zagen zij Hem aan het kruis), Gij zult niet zien het licht der waarheid Mij betreffende, noch hetgeen tot uwen vrede dient, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, die komt. Moedwillige blindheid wordt dikwijls met gerechtelijke blindheid gestraft. Indien zij niet willen zien, dan zullen zij niet zien. Met dit woord besluit Hij Zijn openbare prediking. Na Zijne opstanding, die het teken was van den profeet Jona, zal hun geen ander teken gegeven worden, totdat zij zullen zien het teken van den Zoon des mensen, Hoofdstuk 24:30. Als de Heere komt met tienduizend van Zijne heiligen, dan zal Hij allen overtuigen, en van de hoogmoedigsten Zijner vijanden de erkenning afdwingen, dat Hij de Messias is. Zij, die thans niet op Zijne roepstem wilden komen, zullen dan genoodzaakt zijn om met Zijn vloek van Hem weg te gaan. De overpiesters en schriftgeleerden waren ontevreden op de kinderen, omdat zij Christus hosanna toeriepen, maar de dag komt, wanneer de trotse vervolgers blijde zouden zijn om in den toestand te wezen van de geringsten, die zij thans met hun voeten vertreden. Zij, die thans de hosanna's der heiligen smaden en bespotten, zullen weldra van een andere mening wezen, het zou dus maar beter zijn, om thans van die mening te wezen. Sommigen denken, dat dit ziet op de bekering der Joden tot het geloof in Christus, dan zullen zij Hem zien, en Hem erkennen, en zeggen: Gezegend is Hij, die komt: maar het schijnt veeleer nog verder te zien, want de volkomen openbaring van Christus en de overtuiging van zondaren zijn weggelegd voor de heerlijkheid van den laatsten dag.