Ezechiël 20:5-9
De geschiedenis van de ondankbaarheid en weerspannigheid van het volk Israëls begint hier terstond bij het begin, evenals de geschiedenis van de afval des mensen van zijn Schepper. Zodra wij de geschiedenis van de schepping van onze eerste ouders hebben gelezen, ontmoeten wij terstond die van hun weerspannigheid, wij zien hier, dat het met Israël evenzo was, een volk, dat bestemd was, de gehele mensheid te vertegenwoordigen beide in hun handelingen met Hem en in Zijn handelingen met hen. Hier is
I. De genadige bedoeling van Gods weg met Israël in Egypte, waar zij Farao's lijfeigenen waren. Het zij gezegd, het zij geschreven, tot onsterfelijke eer van de vrije genade.
1. Dat Hij, dan en daar, Israël tot een bijzonder volk voor Zich verkoos, hoewel hun toestand slecht, en hun karakter nog erger was, opdat Hij de eer zou hebben, beide te verbeteren. Hij verkoos hen, omdat zij "het zaad van het huis van Jakob waren, de nakomelingschap van die vorst Gods, opdat Hij hield de eed, die Hij hun vaderen gezworen had", Deuteronomium 7:7, 8.
2. "Hij maakte Zich hun bekend, met de naam Heere (een nieuwen naam, Exodus 6:, toen zij, door hun slavernij de kennis van de naam, waarmee Hij aan hun vaderen bekend was God Almachtig, bijna verloren hadden". Evenals de grondslag van onze zaligheid gelegd wordt door Gods uitverkiezing, zo ook is de eerste stap in die richting, dat God Zich aan ons bekend maakt. En hoe ver wij ook weg zijn, en in welke ellende wij ook zijn, Hij, die zich aan Israël bekend maakte in het land van Egypte, kan ons vinden, en ons achtervolgen met de genadige ontdekking en openbaring van Zijn gunst.
3. Hij maakte Zich door een verbond tot hun God: Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende, en het met een eed bevestigende: "Ik ben de Heere uw God, Wien gij uw hulde brengen moet, en van Wien en in Wien gij uw geluk verwachten moet."
4. Hij beloofde hen uit Egypte te voeren, en volbracht wat Hij beloofde. Hij hief Zijn hand tot hen op, dit is Hij zwoer hun, dat Hij hen verlossen zou, en daar zij zeer onwaardig waren en hun verlossing zeer onwaarschijnlijk was, was het eis, dat de belofte door een eed bevestigd werd. Of, Hij hief Zijn hand tot hen op, dit is, Hij stelde Zijn almacht om het te doen, "Hij deed het met een uitgestrekten arm," Psalm 136:12.
5. Hij verzekerde hun. dat Hij hen in `t bezit zou stellen van het land Kanaän. Daarom voerde Hij hen uit Egypte, opdat Hij ze bracht in een land, dat Hij voor hen uitgespeurd had, een tweede hof van Eden, dat het sieraad van alle landen was. Zo vond Hij het, daar het klimaat gematigd, de bodem vruchtbaar, de ligging aangenaam, en alles even gunstig was, Deuteronomium 8:7, 11:12, of, hoe dat ook wezen mocht, Hij maakte het zo, door Zijn heiligdom daar op te richten.
II. De zedelijke geboden, die Hij hun gaf, en de gemakkelijke voorwaarden van het verbond, dat Hij met hen maakte. Na hun gezegd te hebben, wat zij van Hem mochten verwachten zegt Hij hun vervolgens, wat Hij van hen verwachtte, het was niet meer dan dit, vers 7 :Een ieder werpe weg, de beelden, die hij bij zijn godsdienstige verrichtingen gebruikt, die de verfoeiselen van zijn ogen moeten zijn, maar inderdaad de last er van zijn. Hij moet ze verfoeien en van voor Zijn aangezicht wegdoen en zich niet verontreinigen met de drekgoden van Egypte. Daar waren velen, schijnt het, verzot op, het gouden kalf was er een van. Het was recht, en het mocht redelijker wijze verwacht worden, dat zij, uit de Egyptische slavernij verlost, de Egyptische afgoderij zouden laten varen, vooral, daar God, toen Hij hen uitvoerde, gerichten had geoefend aan de goden van Egypte, Numeri 33:4 en Zich daardoor boven hen verheven getoond had. En, tot welke andere afgoden zij ook neiging mochten betonen, men zou denken, dat zij een diep gewortelde afkeer zouden hebben van de goden van Egypte, om de wille van Egypte, dat hun een diensthuis was geweest. Toch schijnt het, dat zij deze waarschuwing nodig hadden, en er wordt een goede reden voor opgegeven: "Ik ben de Heere uw God, Die geen hulp nodig heeft en geen mededinger wil dulden."
III. Hun onredelijke ongehoorzaamheid aan deze geboden, waarom God hen rechtvaardiglijk had kunnen afsnijden, zodra zij tot een volk geformeerd waren, vers 8 :Zij waren weerspannig tegen God, zij weigerden niet alleen zich te houden aan Zijn bijzondere voorschriften, maar zij zeiden Hem de gehoorzaamheid op, en gaven Hem metterdaad te kennen, dat zij vrij wilden zijn om de god te dienen, die zij verkozen. En zelfs, toen God nederkwam om hen te verlossen, en Mozes met dat doel tot hen zond, wilden zij "de drekgoden van Egypte toch niet verlaten, wat hen misschien met zoveel welgevallen deed spreken van de ajuinen van Egypte", Numeri 11:5, want onder andere dingen vereerden de Egyptenaars de ajuin. Het was vreemd, dat alle plagen van Egypte niet in staat waren hen te genezen van hun genegenheid voor de drekgoden van Egypte. Daarom zei God, dat Hij Zijn grimmigheid over hen uitgieten zou, terwijl zij nog in het midden van Egypteland waren. Naar recht zou Hij hebben kunnen zeggen: "Dat zij sterven met de Egyptenaren". Dit is een verheerlijking van de rijkdom van Gods goedgunstigheid, dat het Hem behaagde, zo groot een verlossing voor hen te werken, op hetzelfde ogenblik, dat Hij zag, dat zij rijp waren voor hun ondergang. Wel mocht Mozes tot hen zeggen: "Het is niet om uw gerechtigheid," Deuteronomium 9:4, 5.
IV. De wonderbare verlossing, die God niettemin voor hen gewrocht heeft. Hoewel zij Zijn gunst verbeurden, terwijl die verleend werd, en "hun ongerechtigheid ontdekt werd, terwijl God hen genas." Hosea 7:1, toch roemde de barmhartigheid tegen het oordeel, en God deed, wat Hij van plan was, louter om Zijns naam wil, vers 9. Als niets in ons reden geeft tot gunstbewijzen, dan geeft Hij er Zichzelf reden toe. God maakte zich hun bekend voor de ogen van de heidenen, toen Hij Mozes beval in `t openbaar tot Farao te zeggen: Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, laat hen trekken, dat zij Mij dienen. Indien Hij hen nu had laten omkomen, wat zij om hun goddeloosheid verdienden, dan zouden de Egyptenaren Hem daarom beschimpt hebben en Zijn naam zou bevlekt zijn geweest, die geheiligd moet worden en dat ook zal worden. De kerk wordt beveiligd, ook al is zij bedorven, omdat God Zijn eigen eer beveiligt.