Psalm 125:1-3
Hier zijn drie zeer dierbare beloften, gedaan aan het volk van God, die, hoewel zij bestemd zijn om het welzijn van de kerk in het algemeen te verzekeren, door particuliere gelovigen op zichzelf toegepast kunnen worden, evenals dit ook met andere soortgelijke beloften gedaan kan worden.
1. Hier is: het karakter van Gods volk, aan wie deze beloften toekomen. Velen noemen zich Gods volk, die part noch deel hebben aan deze zaak. Maar diegenen zullen er het voordeel van hebben en kunnen er de vertroosting van smaken:
a. Die rechtvaardig zijn, vers 3, rechtvaardig voor Gods aangezicht, rechtvaardig jegens God, en rechtvaardig jegens alle mensen, om Zijnentwil gerechtvaardigd en geheiligd.
b. Die op de Heere vertrouwen, steunen op Zijn zorg, en zich toewijden aan Zijn eer. Allen, die met God handelen, moeten handelen op vertrouwen, en Hij zal alleen aan diegenen troost schenken, die Hem vertrouwen schenken en dit doen blijken door af te laten van op iets anders te vertrouwen, en hun alles met God wagen. Hoe meer onze verwachtingen alleen van God zijn, hoe hoger onze verwachtingen van Hem kunnen zijn.
2. Hier zijn de beloften zelf.
A. Dat hun hart vast zal zijn door het geloof, diegenen zullen in waarheid ondersteund worden, die op God steunen. Zij zullen wezen als de berg Zion. De kerk in het algemeen wordt de berg Zion genoemd, Hebreeën 12:22. En zij zal in dit opzicht als de berg Zion zijn, zij zal op een rots gebouwd wezen, en haar belangen zullen zo wel beveiligd zijn, dat de poorten van de hel niet tegen haar zullen overmogen. De vastheid van de kerk is de voldoening van hen die het goede voor haar wensen. Particuliere personen, die op God vertrouwen, zullen bevestigd worden, Psalm 112:7, hun geloof zal hun bevestiging zijn, Jesaja 7:9. Zij zullen wezen als de berg Zion, die vast is, daar het een berg is geschraagd door Gods voorzienigheid, en nog veel meer als een heilige berg, gesteund door Gods belofte.
a. Zij kunnen niet aan het wankelen worden gebracht door de overste van de macht van de lucht, door al zijn list en kracht niet. Zij kunnen niet tot wankelen worden gebracht in hun oprechtheid, noch in hun vertrouwen op God.
b. Zij bleven in eeuwigheid in de genade, die het onderpand is van hun eeuwig blijven in de heerlijkheid.
B. Dat zij, zich toevertrouwende aan God, veilig zullen zijn onder Zijn bescherming tegen al de aanvallen hunner vijanden. Gelijk Jeruzalem een natuurlijke vastheid en sterkte had in de bergen, die haar omringden, vers 2, (die bergen beschutten haar niet slechts tegen winden en stormen en braken er de kracht van, maar zij maakten er ook de toegang toe zeer moeilijk voor een vijand), zo'n beschutting en bescherming is Gods voorzienigheid voor Zijn volk.
Merk op: a. De omvang ervan: de Heere is rondom Zijn volk, Hij omringt hen van alle zijden, er is geen opening in de omtuining van de bescherming, die Hij maakte rondom Zijn volk, door welke de vijand, die erom heen gaat, zoekende hun kwaad te doen, een ingang kan vinden, Job 1:10,
b. De voortduur er van, van nu aan tot in eeuwigheid. Bergen kunnen vermolmen "en vergaan en rotsen uit haar plaats verzet worden," Job 14:8, maar Gods verbond met Zijn volk kan niet verbroken worden, Jesaja 54:10, toch kan Zijn zorg voor hen ophouden. Dat er gezegd is dat zij blijven in eeuwigheid, vers 1, en dat God tot in eeuwigheid rondom hen is, geeft te kennen dat de beloften van de vastheid en heiligheid van Gods volk ten volle vervuld zullen worden in hun eeuwige staat. In de hemel zullen zij tot in eeuwigheid blijven, zullen zij "tot pilaren gemaakt zijn in de hemel onzes Gods, en niet meer daaruit gaan," Openbaring 3:12, en daar zal God zelf met Zijn heerlijkheid en gunst "rondom hen zijn tot in eeuwigheid."
C. Dat hun benauwdheid niet langer zal duren dan hun kracht zal strekken om er hen in te ondersteunen, vers 3..
a. Er wordt ondersteld dat de roede of scepter van de goddelozen over hen kan komen, op het lot van de rechtvaardigen kan vallen. De scepter hunner macht kan hen verdrukken, de roede huns toorns kan hen kwellen en pijnigen. Zij kan vallen op hun persoon, hun bezittingen, hun vrijheid, hun gezin, hun naam, op alles wat hun ten deel is gevallen, doch hun ziel kan zij niet bereiken.
b. Er is beloofd dat hoewel de roede van de goddelozen over hen kan komen, zij toch niet op hen zal rusten, zij zal er niet zolang op blijven als de vijanden bedoelden en als het volk van God vreest, maar God zal het bekorten in gerechtigheid, zodat Hij met de verzoeking ook de uitkomst zal geven.
c. Het wordt beschouwd als een reden voor deze belofte, dat, indien de benauwdheid al te lang aanhield, de rechtvaardigen zelf in verzoeking zouden zijn om hun handen tot onrecht uit te strekken, zich met goddelozen te verenigen in hun goddeloze praktijken, zullen spreken zoals zij spreken, zullen doen zoals zij doen. Er is gevaar dat zij, lang vervolgd wordende om hun Godsdienst, ten laatste hun Godsdienst moede zullen worden en bereid zullen zijn om hem maar op te geven, dat ze, lang in verwachting gehouden wordende van de beloofde zegeningen de belofte beginnen te wantrouwen, en er aan te denken om God te verlaten, daar zij Hem verdenken van hen verstoten te hebben. Zie Psalm 73:13, 14. God weet wat maaksel Zijn volk is, en zal hun beproevingen in evenredigheid brengen met hun kracht door de zorg van Zijn voorzienigheid, zowel als hun kracht met hun beproevingen door de macht van Zijn genade. Verdrukking zou een wijze dol maken, inzonderheid als zij lang aanhoudt, daarom zullen om der uitverkorenen wil die dagen verkort worden, opdat, wat er ook van hun lot verloren ga in deze wereld, zij hun deel onder de uitverkorenen niet mogen verliezen.