Mattheus 5:33-37
Hier hebben wij ene verklaring van het derde gebod, dat voor ons van des te groter belang is om het goed te verstaan, wijl daar zeer bijzonder van gezegd is, dat God hen niet onschuldig zal houden - hoe onschuldig zij zich zelven ook mogen houden-die dit gebod overtreden, door den naam des Heeren ijdellijk te gebruiken. Betreffende dit gebod nu,
1. Is men het van alle zijden er over eens, dat het meineed verbiedt, en het schenden van eden en geloften, vers 33. Dit is van de ouden gezegd, en is de ware bedoeling en betekenis van het derde gebod. Gij zult den naam Gods niet gebruiken (zoals wij doen met een eed), ijdellijk, of tot ijdelheid, of ene leugen. Door de woorden, die hier op volgen, wordt ene verklaring gegeven van: Hij heft zijne ziel niet op tot ijdelheid, en zweert niet bedrieglijk, Psalm 24:4. Meineed is ene zonde, veroordeeld door het licht der natuur, als een weefsel van goddeloosheid tegenover God, en onrechtvaardigheid tegenover den mens, en den mens zeer bijzonder blootstellende aan den Goddelijken toorn, die men altijd geoordeeld heeft zo onfeilbaar te volgen op die zonde, dat de formule van den eed gewoonlijk als ene verwensing klonk, zoals het: God doe mij zo, en zo daartoe, en bij ons het: Zo waarlijk helpe mij God, wensende dat ik nooit enigerlei hulp van God zal ontvangen, indien ik vals zweer. Aldus hebben, met instemming der natiën, de mensen zich zelven vervloekt, niet twijfelende dat God hen zou vloeken, indien zij logen tegen de waarheid, terwijl zij plechtig God als getuige er van aanriepen. Naar aanleiding van andere Schriftuurplaatsen wordt er bijgevoegd: Gij zult den Heere uwe eden houden, Numeri 30:2, dat bedoeld kan wezen, hetzij:
1. Van die geloften, die aan God gedaan zijn, deze moeten stipt nagekomen worden, Prediker 5:4, 5, of:
2. Van de beloften, gedaan aan onze broederen, en voor welker oprechtheid God als getuige werd aangeroepen, deze moeten den Heere gehouden worden, met het oog op Hem, en om Zijnentwil, want door de belofte met ede te bevestigen, hebben wij ons tot schuldenaars gemaakt van Hem, en indien wij ene aldus bevestigde belofte breken, dan hebben wij niet slechts den mensen, maar ook Gode gelogen.
II. Er wordt bijgevoegd, dat het gebod niet slechts het valse zweren verbiedt, maar ook alle roekeloos, onnodig zweren: Zweert ganselijk niet, vers 34. Jakobus 5:12. Niet alsof alle zweren zondig is, dat is er zo ver vandaan, dat het, indien het op de rechte wijze geschiedt, deel uitmaakt van de Godsverering, en wij er Gode de eer mede geven, die wij Zijn' Naam verschuldigd zijn, zie Deuteronomium 6:13, 10:20, Jesaja 45:23, Jeremia 4:2. Wij bevinden, dat Paulus, als het nodig was, door zulke plechtigheden bevestigde wat hij gezegd had, 2 Corinthiërs 1:23. Als wij zweren, verpanden wij de waarheid van iets, dat bekend is, om de waarheid te bevestigen van iets, dat twijfelachtig, of onbekend is. Wij beroepen ons op ene grotere kennis, een hoger hof, en roepen de wrake over ons in van een rechtvaardig Rechter, in- dien wij bedrieglijk zweren. Nu is het gevoelen van Christus in deze zaak:
1. Dat wij ganselijk niet moeten zweren dan alleen wanneer wij er rechtmatig toe geroepen worden, en de rechtvaardigheid, of de liefde tot onzen broeder, of de eerbied voor het gemenebest, het nodig maken tot een einde van alle tegenspreken, Hebreeën 6:16, over welke noodzakelijkheid de burgerlijke overheid gewoonlijk heeft te oordelen. Wij moeten niet zweren, maar wij kunnen bezworen worden, en aldus er toe worden verplicht, maar wij moeten ons den eed niet opdringen tot ons eigen werelds voordeel.
2. Dat wij niet lichtvaardig of oneerbiedig moeten zweren in gewone dagelijkse gesprekken. Het is een grote zonde om in scherts een beroep te doen op de Majesteit des hemels, dat, iets heiligs zijnde, altijd zeer ernstig moet blijven. Het is ene grove ontheiliging van Gods heiligen Naam en van een der heilige zaken, die de kinderen Israël's den Heere heiligen. Het is ene zonde, waarvoor geen dekmantel, gene verontschuldiging te vinden is, en daarom is het een teken van een ongodvruchtig hart, waarin vijandschap heerst tegen God: Uwe vijanden gebruiken Uwen naam ijdellijk.
3. Dat wij zeer bijzonder eden van belofte moeten vermijden, van welke Christus hier inzonderheid spreekt, want dezen moeten gehouden worden. De invloed van een eed ter bevestiging houdt onmiddellijk op, als wij getrouwelijk de waarheid, de gehele waarheid, ontdekt hebben, maar een eed van belofte verbindt zo lang, en kan op zo velerlei wijze gebroken worden, door het plotselinge overvallen worden, zowel als door de kracht van ene verzoeking, dat hij niet anders dan in grote noodzakelijkheid afgelegd moet worden. Het herhaalde eisen en gebruiken van eden is een blaam op de Christenen, die van zulk ene erkende waarheidsliefde en trouw behoorden te zijn, dat hun eenvoudig woord even heilig moest wezen als hun plechtige eden.
4. Dat wij bij generlei schepsel moeten zweren. Er schijnen mensen te zijn, die uit eerbied voor den naam Gods (naar zij denken) er geen gebruik van willen maken om te zweren, maar wel zweren bij den hemel, of bij de aarde, enz. Christus verbiedt dit hier, vers 34, en Hij toont, dat er niets is, waarbij wij kunnen zweren, of het staat op de ene of andere wijze in betrekking tot God, die de Bron en Oorsprong is van alle wezens, en dat het dus even gevaarlijk is bij hen te zweren, als bij God zelf, het is de waarheid van het schepsel, die op het spel staat, nu kan deze niet anders tot getuigenis dienen, dan in zover zij in betrekking staat tot God, die de summum verum -de hoogste Waarheid is. Bijvoorbeeld:
a. Zweert niet bij den hemel:" Dit is waar, zo waar als er een hemel is", want hij is Gods troon, waar Hij woont, en op ene bijzondere wijze Zijne heerlijkheid openbaart, zoals een vorst op zijn troon. Daar dit de onafscheidelijke waardigheid is der bovenwereld, kunt gij niet zweren bij den hemel, of gij zweert bij God zelf.
b. Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten. Hij bestuurt de bewegingen van deze lagere wereld, zoals Hij heerst in den hemel, zo regeert Hij over de aarde, en hoewel zij onder Zijne voeten is, is zij ook onder Zijn oog en onder Zijne zorge en staat in betrekking tot Hem als Zijner, Psalm 24:1. De aarde is des Heeren, zodat, bij haar zwerende, gij bij haren Eigenaar zweert.
c. Noch bij Jeruzalem, ene plaats, waarvoor de Joden zulk een verering koesterden, dat zij van niets heiligers konden spreken om bij te zweren. Maar behalve de algemene betrekking van Jeruzalem tot God, als zijnde een deel der aarde, staat zij ook in ene bijzondere betrekking tot Hem, want zij is de stad des groten Konings, Psalm 48:3, de stad Gods, Psalm 46:5, daarom heeft Hij er belang bij, en bij elke eed, die er bij gezworen wordt. d. Noch bij uw hoofd zult gij zweren, hoewel het nabij u is, en een deel van u uitmaakt, is het toch meer van God dan van u: want Hij heeft het gemaakt, en heeft er al de krachten en vermogens van geformeerd, terwijl gij zelf door generlei natuurlijken of innerlijken invloed de kleur van een haar kunt veranderen in wit of zwart: zodat gij niet kunt zweren bij uw hoofd, of gij zweert bij Hem, die het Leven is van uw hoofd, en het opheft." Psalm 3:4.
e. Dat wij ons dus in al onzen omgang moeten vergenoegen met Ja, ja, en Neen, neen, vers 37. Laten wij in onze gewone gesprekken, als wij iets verklaren, of bevestigen, alleen zeggen: Ja, het is zo, en, zo het nodig is, om aan onze verzekering kracht bij te zetten, mogen wij het verdubbelen, en zeggen: Ja, ja, het is wezenlijk zo. Voorwaar, voorwaar, was het ja, ja, van onzen Heiland. En zo ook, als wij iets ontkennen, laat het genoeg zijn te zeggen: Neen, of, indien het vereist wordt de ontkenning te herhalen, zo laat ons zeggen: Neen, neen. Indien onze trouw bekend is, dan zal dit volstaan om ons geloof te doen vinden, en zo onze trouw in twijfel getrokken wordt, dan zal het zweren en vloeken om ons beweren te steunen, het nog meer verdacht maken. Wie een onheiligen eed kan doorzwelgen, zal geen leugen uitzijgen. De reden is opmerkelijk: Wat boven deze is, dat is uit den boze, al staat het niet gelijk met de ongerechtigheid van een eed. Het komt voort uit het bederf van de menselijke natuur, uit drift en hartstocht, uit ene heersende ijdelheid in het hart, en ene minachting van heilige zaken. Het komt voort uit die bedrieglijkheid, die in de mensen is: Alle mensen zijn leugenaars, daarom gebruiken de mensen deze betuigingen, omdat zij elkaar wantrouwen, en denken, dat zij zonder die betuigingen niet geloofd zullen worden. Christenen behoren, om den goeden naam van hun Godsdienst, niet slechts na te laten hetgeen in zich zelf reeds kwaad is, maar ook hetgeen uit kwaad voortkomt en er den schijn van heeft. Datgene kan verdacht worden slecht te zijn, dat uit ene slechte oorzaak voortkomt. Een eed is ene remedie, welke een ziekte veronderstelt.