Ezechiël 36:16-24
Toen God de arme gevangenen een heerlijke terugkeer, te Zijner tijd, beloofde, was het een grote teleurstelling voor hen, dat zij onwaardig volkomen onwaardig waren om die gunst deelachtig te worden. Daarom toont God hun, om hem te bemoedigen, dat Hij het doen zal, louter om Zijn heilige naam, opdat Hij in hen en door hen verheerlijkt worde, om Zijn genade en goedheid te openbaren en groot te maken, die de grootste ere van Hem is, van al Zijn eigenschappen. En, daar het herstel van dat volk een voorbeeld is van onze verlossing door Christus, is de bedoeling hiervan verder, te tonen, dat het doel, waarop in laatste instantie bij onze verlossing aangelegd wordt, waaraan alle toebereidselen daartoe ondergeschikt gemaakt zijn, de ere Gods is. Dat dat het doel was van alles wat Hij deed, maakte Christus duidelijk in dat korte gebed: "Vader, verheerlijk Uw naam, en God verklaarde, dat dat Zijn doel was bij alles wat Hij deed, door Zijn antwoord dat onmiddellijk op dat gebed gegeven werd, door een stem uit de hemel: "Ik heb hem verheerlijkt en zal hem wederom verheerlijken," Johannes 12:28. Hier dient opgemerkt te worden, hoezeer Gods naam geleden had, beide door de zonden en de rampen van Israël, en dat was meer te betreuren dan al de ellende, die zij over zichzelf gebracht hadden, want de ere Gods gaat goeden mensen meer ter harte dan hun eigen belangen.
1. Gods eer was gekrenkt door de zonden van Israël, toen zij in hun eigen land waren, vers 17. Het was een goed land, een heilig land, een land, waarop Gods oog gevestigd was. Maar zij verontreinigden dat met hun weg, hun goddelozen weg, onze weg is de weg van onze keus, en wij moeten er zelf de blaam en de schande van dragen. De zonde van een volk verontreinigt hun land, maakt het gruwelijk voor God en onbewoonbaar voor hen zelf, zodat zij geen heilige gemeenschap kunnen hebben met Hem, noch met elkaar. Wat onrein was, mocht niet gebruikt worden. Door het misbruik van de gaven van Gods overvloed aan ons, verbeuren wij het gebruik er van, en als ons hart en geweten door schuld verontreinigd zijn, dan wordt ons alle troost geweigerd, alles is ons onrein. Hun weg was in het oog van God als de onreinheid van een vrouw gedurende de dagen van haar afzondering, die haar buiten het heiligdom sloot en alles wat zij aanraakte, naar de wet onrein maakte. Leviticus 15:19. Zonde is de gruwelijke zaak, die de Here haat, en waarvan Hij het gezicht niet verdragen kan. Zij vergoten bloed en dienden de drekgoden, vers 18, en door die zonden verontreinigden zij het land. Daarom goot God Zijn grimmigheid over hen uit, en verstrooide ze onder de heidenen. Hun eigen land was hen moede, en zij werden naar andere landen verdreven. Hierin was God rechtvaardig en Hij werd gerechtvaardigd door wat Hij deed, niemand kon zeggen, dat Hij hem enig onrecht deed, ja, Hij deed recht aan Zijn eigen eer, want Hij oordeelde ze naar hun wegen hun handelingen, vers 19. En toch, daar dit niet recht begrepen werd, werd Hij er niet in verheerlijkt, want de vijanden zeiden, wat, zoals Mozes God voorhield, de Egyptenaars zeggen zouden, als Hij hen in de woestijn verdorven had, dat Hij hen in kwaadheid uitgevoerd had. Hun naburen beschouwden hen meer als een heilig dan als een zondig volk, en daarom namen zij aanleiding uit de ellende, waarin zij verkeerden om, in plaats van God te verheerlijken, zoals zij met recht hadden kunnen doen, Hem te smaden en veracht te maken, en "Gods naam werd geduriglijk de gehele dag gelasterd door hun verdrukkers", Jesaja 52:5.
2. Als zij nu tot de heidenen kwamen, ontving God daar geen ere van hen ú maar integendeel werd Zijn heilige naam ontheiligd, vers 20.
a. Hij werd ontheiligd door de zonden van Israël, zij waren nergens een eer voor hun belijdenis, maar overal een smaad. "De naam van God en Zijn heilige dienst werden om hunnentwille gelasterd," Romeinen 2:24. Als zij, die beweerden tot God in betrekking te staan, en in verbond en gemeenschap met Hem te zijn, werden bevonden te zijn: zedelijk bedorven, slaven van hun lusten en hartstochten, oneerlijk in hun handel, ontrouw aan hun woord, vals tegenover wie hen iets toevertrouwden, dan werd daarmee aan de vijanden van de Here gerede aanleiding gegeven om te lasteren, vooral, als zij twistten met hun God, omdat Hij hen kastijdde, en niets kan schandelijker zijn dan dat.
b. Hij werd ontheiligd door het lijden van Israël, want daaruit namen de vijanden van God aanleiding God te smaden, alsof Hij niet in staat was Zijn vereerders te beschermen en Zijn geschenken te doen gedijen. Zij zeiden verachtelijk: "Dezen zijn het volk des Heren, dit goddeloze volk (men kon wel zien, dat Hij niet in staat was hen in gehoorzaamheid aan Zijn geboden te houden), dit erbarmelijke volk, -het was duidelijk, dat Hij hen niet in het genot van Zijn gunsten laten kon. Dezen zijn het volk dat uit Zijn land is uitgegaan. Zij zijn het schuim van de volken. Zijn deze het, wier inzettingen zo rechtvaardig, en wier wandel zo onrechtvaardig was? Is dit het volk, dat zo beroemd is, als een wijs en verstandig volk en hetwelk de Here God zo nabij is? Behoren deze tot dat dappere, dat heilige volk, dat zo laag en verworpen blijkt te zijn?" Aldus verkocht God Zijn volk en verhoogde hun prijs niet, Psalm 44:13. De schande, waaronder zij gebukt gingen, viel op Hem terug.
II. Laat ons nu zien, hoe God Zijn eer herstellen, beveiligen en bevorderen zal door een grote verbetering in hen en een grote verlossing voor hen te werken. "Hij zou ze verstrooien in alle hoeken, ten ware, dat Hij de toornigheid des vijands schroomde", Deuteronomium 32:26, 27. Maar, hoewel zij Zijn mededogen onwaardig waren, toch verschoonde Hij hen om Zijn Heilige naam, en duizendmaal jammer was het, dat die vertreden en gehoond werd. Met mededogen zag Hij neer op Zijn eigen eer, die bloedend onder de heidenen lag, op dat juweel, dat in het stof vertreden was, 't welk het huis Israëls, zelfs in het land van zijn gevangenschap, ontheiligd had, vers 21. Uit mededogen daarmee voerde God hen uit van onder de heidenen, omdat hun zonden daar aanstotelijker waren dan in hun eigen land." Daarom zal Ik u uit de heidenen halen en u in uw land brengen vers 24. Niet om uwentwille, als zijt gij die gunst waardig, want gij zijt ze onwaardig in de hoogste mate, maar om Mijn heilige naam vers 22, om Mijn grote naam te heiligen" vers 24. In `t voorbijgaan, Gods heilige naam is Zijn grote naam. Zijn heiligheid is Zijn grootheid, zo beschouwt Hij het zelf. Ook maakt niets iemand waarlijk groot, dan dat hij waarlijk goed, en Gods heiligheid deelachtig is. God zal Zijn naam groot maken als een heiligen naam, want Hij zal die heiligen: Ik zal Mijn naam heiligen, allen gijlieden ontheiligd hebt. Als God volbrengt, wat Hij gezworen heeft bij Zijn heilige naam, dan heiligt Hij Zijn naam. Het gevolg hiervan zal zeer gelukkig zijn. De heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, als Ik aan u geheiligd zal zijn voor hun ogen en de uwe. Als God Zijn heilige naam handhaaft, en Zijn heiligen die loven, dan wordt Hij aan hen geheiligd, en dat is een bijdrage tot de verbreiding van de kennis des Heren.
1. De redenen voor Gods genade zijn alle ontleend aan Hem zelf, Hij zal Zijn volk uit Babel voeren, niet om hunnentwille, maar om Zijn heilige naam, opdat Hij verheerlijkt zal worden.
2. Gods goedheid neemt aanleiding uit de slechtheid des mensen om zoveel te schitterender uit te komen, daarom zal Hij Zijn naam heiligen door de vergeving van de zonde omdat die ontheiligd is door het bedrijven van de zonde.