Jozua 5:13-15
Tot hiertoe hebben wij gezien dat God dikwijls tot Jozua heeft gesproken, maar niet voor nu, lezen wij van enigerlei verschijning van Gods heerlijkheid aan hem. Naarmate echter zijn moeilijkheden toenemen, worden hem ook meer bemoedigingen geschonken.
Merk op:
1. De tijd wanneer hij met dit visioen begunstigd werd, het was terstond nadat hij de grote plechtigheden van de besnijdenis en van het pascha had verricht, toen maakte God zich aan hem bekend. Wij kunnen de openbaringen van Gods genade verwachten als wij in de weg van onze plicht worden gevonden, en naarstig en in oprechtheid des harten Gods inzettingen waarnemen.
II. De plaats, waar hij dit visioen had, het was bij Jericho, in Jericho staat er in het oorspronkelijke, er in door geloof en hoop, hoewel hij nog niet begonnen was de stad te belegeren, er in, in zijn gedachten en verwachting, of in de velden van Jericho, dicht bij de stad. Daar schijnt hij alleen geweest te zijn, onbevreesd voor gevaar, omdat hij zeker was van Gods bescherming. Daar was hij (denken sommigen) in overpeinzing en gebed, en dikwijls openbaart God zich genadiglijk aan hen, die zich aldus bezighouden. Of wellicht was hij daar om de stad in ogenschouw te nemen, haar versterkingen op te nemen, en overdacht hij hoe zijn aanval op haar te richten, en wellicht was hij hieromtrent in verlegenheid, toen God kwam en hem de weg wees. God zal hen helpen, die zichzelf helpen, "Vigilantibus non dormientibus succurit lex De wet helpt hen die waken, niet hen die slapen." Jozua was op zijn post als generaal, toen God kwam en zich bekend maakte als generalissimus.
III. De verschijning zelf. Gelijk meestal de gewoonte is van hen, die vol zijn van gedachten en zorgen, zag Jozua voor zich heen, hield hij zijn blikken op de aarde gericht, toen hij plotseling verrast werd door de verschijning van een man, die op enige afstand voor hem stond, hetgeen hem de ogen deed opslaan, en hem stoorde in zijn overpeinzing, vers 13. Hij verscheen hem als een man, maar een man van gewicht, van wie men wel nota moest nemen.
1. Wij hebben reden te denken, dat deze man de Zoon van God was, het Eeuwige Woord, die, eer Hij voor altijd de menselijke natuur had aangenomen, dikwijls in menselijke gedaante verschenen is. Dat is de mening van bisschop Patrick, in overeenstemming met het oordeel van de kerkvaders. Jozua bewees Hem Goddelijke eer, en Hij nam die aan, hetgeen een geschapen engel niet zou gedaan hebben, en Hij wordt JAHWEH genoemd Hoofdstuk 6:2.
2. Hij verscheen hier als krijgsman, met een uitgetogen zwaard in Zijn hand. Aan Abraham bij zijn tent verscheen Hij als een reiziger, aan Jozua op het veld als een krijgsman, Christus zal voor Zijn volk wezen wat hun geloof verwacht en begeert. Christus had Zijn zwaard uitgetrokken, hetgeen diende:
a. Om de oorlog te rechtvaardigen, die Jozua ging voeren en hem te tonen dat hij van God was, die hem de opdracht gaf te slaan en te doden. Als de souverein het zwaard trekt, kondigt dit oorlog aan, en hierdoor wordt de onderdaan gemachtigd om mee het zwaard te trekken. "Het zwaard is dan goed en rechtmatig getrokken, als Christus het trekt, en dengenen, die Hem vrezen, een banier geeft om die op te werpen vanwege de waarheid," Psalm 60:6. b. Om hem aan te moedigen de oorlog krachtdadig voort te zetten, want het uitgetogen zwaard van Christus in Zijn hand duidt aan hoe gereed Hij is Zijn volk te verdedigen en te behouden, dat door Hem krachtige daden zal doen. Zijn zwaard keert zich naar alle zijden.
IV. De stoutmoedige vraag, die Jozua hem deed. Hij zond geen dienaar, maar trad zelf op hem toe, en vroeg: "Zijt gij van ons of van onze vijanden?" Hetgeen aanduidt, dat hij, zo hij van hen was, bereid was hem te ontvangen, en, zo hij tegen hen was, met hem te strijden. Dit toont,
1. Zijn grote dapperheid en moed. Hij was niet onthutst door deze plotselinge verschijning, noch versaagd of verschrikt door de majesteit en kloekmoedigheid, die ongetwijfeld op het gelaat van de persoon te lezen waren, die hij voor zich zag, maar met de tegenwoordigheid van geest, die zo'n grote generaal voegde, heeft hij hem die rondborstige vraag gedaan. God had aan Jozua bevolen goede moed te hebben, en nu blijkt het dat hij die moed had, want hetgeen God door Zijn woord eist van Zijn volk, zal Hij door Zijn genade in hen werken.
2. Zijn grote zorg over het volk en hun zaak, hij was Israëls belangen zo met hart en ziel toegedaan, dat niemand met het aangezicht van een man bij hem zal staan, of hij moet weten, of deze vriend of vijand is. Hij schijnt hem voor een vijand gehouden te hebben, een Goliath, die gekomen was om de slagorden van de levende God te honen en hem uit te dagen. Zo licht geneigd zijn wij om datgene als tegen ons te beschouwen, wat het meest voor ons is. De vraag geeft duidelijk te kennen, dat de zaak tussen de Israëlieten en de Kanaänieten, tussen Christus en Beëlzebub geen onzijdigheid toelaat. "Wie met ons niet is, is tegen ons."
V. De verklaring, die Hij nopens zichzelf aflegde, vers 14. "Neen, niet van uw vijanden hier kunt gij zeker van zijn, maar als Vorst van het heir des Heeren ben Ik nu gekomen, niet slechts voor u als een vriend, maar over u als uw Opperbevelhebber." Hier waren nu, evenals van ouds Mahanaim, Genesis 32:2, twee legers een leger van Israëlieten, gereed om de strijd met de Kanaänieten aan te vangen, en een leger van engelen, om hen hierin te beschermen, en als Vorst en Oppergebieder van beide voert Hij het leger Israëls aan, en gebiedt het engelenleger tot hun hulp. Misschien wordt in toespeling hierop "Christus de overste Leidsman van onze zaligheid" genoemd. Hebreeën 2:10, en "een Vorst en Gebieder van de volken," Jesaja 55:4. Zij, die zo'n aanvoerder hebben, kunnen niet anders dan zegevierend zijn. Thans kwam Hij als opperbevelhebber om de troepen in ogenschouw te nemen en hen te bezielen met moed, en hun de nodige orders te geven voor het beleg van Jericho.
VI. De grote eerbied, die Jozua Hem bewees, toen hij wist wie Hij was. Waarschijnlijk heeft hij begrepen, niet slechts door hetgeen Hij zei, maar ook nog aan andere merkbare tekenen, dat Hij een Goddelijk persoon en geen mens was.
1. Jozua deed Hem hulde. Hij viel op zijn aangezicht ter aarde en aanbad. Jozua was zelf generaal van Israëls strijdmacht, en toch was het verre van hem om met naijver op deze vreemdeling te zien, die Zijn aanstelling als Vorst van het heir des Heeren boven hem overlegde, hij heeft niet gepoogd Zijn macht en aanspraken te betwisten, maar heeft zich blijmoedig aan Hem als zijn Opperbevelhebber onderworpen. De grootste mannen betaamt het, om nederig en eerbiedig te wezen in hun spreken met God. 2. Hij verzocht om bevelen en aanwijzingen van Hem: "Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?" Zijn vorige vraag was niet meer kloek en krijgshaftig dan deze vroom en Godzalig was, ook was het voor Jozua's heldhaftig gemoed volstrekt geen vernedering, om zich aldus ootmoedig en nederig te betonen, nu hij wist met God te doen te hebben zelfs gekroonde hoofden kunnen zich niet te laag buigen voor de troon des Heeren Jezus, die Koning is van de koningen, Psalm 2:10, 11, 72:10,11, Openbaring 19:16. Let op:
a. De betrekking, die hij erkent te bestaan tussen hem en Christus: dat Christus zijn Heere is, en hij Zijn dienstknecht die onder Zijn bevelen staaf, dat Christus zien Overste is, en hij een krijgsknecht is onder Hem, om te doen wat hem wordt bevolen, Mattheus 8:9. De grond van alle Gode welbehaaglijke gehoorzaamheid is gelegen in een oprechte toewijding van onszelf als dienstknechten van Jezus Christus als onze Heere, Psalm 16:2.
b. De vraag, die hij doet ingevolge deze betrekking: Wat spreekt mijn Heere? Waarin een ernstige begeerte ligt opgesloten om de wil van Christus te kennen en een blijmoedige bereidheid om hem te doen. Jozua erkent zich als mindere officier, en staaf gereed om orders te ontvangen. Deze gemoedsgesteldheid toont aan dat hij geschikt is voor de post, die hij bekleedt, want diegenen weten het best te bevelen, die ook weten te gehoorzamen
VII. Het nadere betoon van eerbied, dat deze Goddelijke aanvoerder van Jozua eiste, vers 15. "Trek uw schoenen af van uw voeten ten teken van eerbied, hetgeen bij ons aangeduid wordt door het ontbloten van het hoofd, en als een erkenning van de Goddelijke tegenwoordigheid, die, zolang zij daar verwijlde, in zekere zin de plaats heiligde en met eer bekleedde". Wij zeggen dikwijls van iemand, voor wie wij een grote genegenheid koesteren, dat wij zelfs de grond liefhebben, waarop hij treedt, zo moet Jozua zijn eerbied tonen voor deze Goddelijke persoon, hij moet op de grond, waarop hij stond, niet treden met schoenen aan zijn voeten, Prediker 5:1. Uitwendige uitdrukkingen van inwendige eerbied en een heilig ontzag voor God betamen ons en worden van ons geëist, als wij tot Hem naderen in de heilige inzettingen. Bisschop Patrick merkt hier zeer juist op dat dezelfde orders, die God aan Mozes gaf bij het brandende braambos, toen Hij hem zond om Israël uit te voeren uit Egypte, Exodus 3:5. Hij hier geeft aan Jozua ter bevestiging van zijn geloof in de belofte, die Hij hem onlangs had gegeven, namelijk dat Hij met hem zal wezen, gelijk Hij met Mozes geweest is, Hoofdstuk 1:5. Was er met Mozes zo'n tegenwoordigheid van God dat zij, toen zij merkbaar werd, de grond heiligde? Ook met Jozua was God aldus.
Eindelijk. Hiermede bereidt Hij hem om de instructies te ontvangen, die Hij betreffende het beleg van Jericho geven zal, daar de Vorst van het heir des Heeren nu gekomen was, om aan Israël het bezit dier stad te geven.