Jeremia 23:1-8
I. Hier lezen wij een woord van verschrikking voor de onachtzame herders. De dag is aanstaande, dat God rekening met hen zou houden aangaande de hun toevertrouwde taak:
"Wee de herders (dit is die in kerk en staat regeren), die gesteld zijn om als herders het volk te leiden, te voeden, te beschermen en er voor te zorgen. Zij zijn niet de eigenaars Mijner schapen. God noemt ze de schapen Mijner weide," waarin Ik belang stel en waarvoor Ik een goede weide heb bereid. Wee daarom dengenen, wie bevolen was Gods volk te voeden, en die wel beweren dat te doen, maar die niettemin, "de schapen van Zijn weide ombrengen en verstrooien door hun geweld en verdrukking, en ze niet bezocht hebben, noch zorg gedragen voor hun welvaart, noch zich om hun belang bekommerd". Door hen niet te bezoeken en hun plicht jegens hen te volbrengen, hebben zij ze inderdaad omgebracht en verstrooid. De roofdieren hebben ze verstrooid en de herders zijn in gebreke gebleven, ze te behoeden. "Wee dengenen, wanneer God aan hen bezoeken zal het kwaad van hun daden en handelingen, naar zij verdienen". Zij wilden de kudde niet bezoeken als hun plicht en daarom zal God hen bezoeken met Zijn wraak.
II. Nu volgt een woord van troost voor de verwaarloosde schapen. Ofschoon de onderherders geen zorg voor hen dragen en geen moeite voor hen doen, zal de Opperherder naar hen omzien. "Als mijn vader en mijn moeder mij verlaten, neemt de Heere mij aan." Al worden de belangen van Gods kerk in deze wereld veronachtzaamd door degenen, die voor haar moesten zorgen, maar hun eigen werelds belang op de voorgrond stelden, toch zullen die belangen daarom niet geheel verzuimd worden. God zal Zijn belofte vervullen, al doen zij, die Hij wil gebruiken hun plicht niet.
1. De verstrooide Joden zullen eindelijk naar hun eigen land terugkeren en daar gelukkig wonen onder een goede regering, vers 3,4 Al blijft slechts een rest van Gods kudde over, een kleine rest, die het verderf ternauwernood ontkomt, Hij zal die rest verzamelen uitvinden waarheen zij ook verdreven moge zijn, en middelen en wegen gebruiken om ze weer te brengen van "waar Hij ze verdreven had." Het was Gods gerechtigheid, die om de zonden van de herders de kudde verstrooide, maar Gods barmhartigheid zal ze weer vergaderen, wanneer de haar verradende herders afgesneden zullen zijn. "Zij zal weergebracht worden tot haar vroegere woningen, gelijk schapen naar hun kooi, daar zal zij vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen." En al droegen haar vorige herders geen zorg voor haar, daaruit volgt niet, dat zij geen herders meer zullen hebben. Als sommigen hun heilig ambt misbruikt hebben ligt daarin nog geen reden dat het ambt moet afgeschaft worden. Zij verstrooiden de schapen, maar Ik zal herders over hen zetten, die ze nauwgezet zullen voeden. Vroeger waren ze aanhoudend blootgesteld aan angst en vrees of verstoord door tegenspoed, maar nu zullen ze "niet meer vrezen noch verschrikt worden, " geen gevaar van buiten zal ze bedreigen, geen verschrikking van binnen. Vroeger werd nu het een dan het andere schaap door een roofdier weggerukt, "maar nu zullen ze niet meer gemist worden". Al heeft de kerk lang slechte tijden moeten doormaken, daarom behoeft het niet immer zo te zijn. Zulke herders als Zerubbabel en Nehemia, al leefden zij niet zo prachtig als Jojakim en Chonja, noch zoveel opzien baarden, toch waren ze even grote zegeningen voor het volk als deze plagen voor hen geweest waren. De vrede van de kerk is niet gebonden aan de praal van haar voorgangers.
2. Vorst Messias, de grote en goede Herder van de schapen, zal in de laatste dagen verwekt worden om Zijn kerk te zegenen, en de roem van Zijn volk Israël te zijn, vers 5, 6. Het huis van David scheen geheel verzonken en uitgeroeid te zijn door de bedreigingen tegen Chonja, Hoofdstuk 22:3, zodat geen van hun zaad ooit op Davids troon zou zitten. Maar hier ligt een belofte, die desniettemin de eer van het met David gemaakte verbond zal verzekeren, want door deze belofte zal het, uit zijn vernedering verheven tot groter luister dan ooit, heerlijker schitteren dan in Salomo's dagen. Dit boek bevat minder Messiaanse profetieën dan dat van Jesaja. Maar hier hebben wij er een, en wel een zeer luisterrijke. Ongetwijfeld spreekt de profeet hier van Hem en van niemand anders. De eerste woorden wijzen erop dat de belofte eerlang zou vervuld worden: "De dagen komen, maar zijn er nog niet, ik zal hem zien. maar niet nu." Maar de overige woorden betuigen, dat de vervulling heerlijk zal zijn.
a. Christus wordt hier genoemd "een Spruit van David, mijn knecht, de Spruit, Zacheria 3:8, Zijn verschijning onaanzienlijk, Zijn begin gering, als van een knop of loot, en Zijn ontstaan als uit de aarde, maar groeiende om groen en groot te worden en met vruchten beladen. "Een spruit uit Davids huis, een wortel uit een dorre aarde", begraven zonder kans op herleving. "Christus is de wortel uit het geslacht Davids, Openbaring 22:16. In Hem spruit David een hoorn uit," Psalm 132:17, Hij is een spruit, door God gekweekt, Hij heiligde Hem, zond Hem in de wereld en gat Hem Zijn macht en Zijn arbeid. "Hij is een rechtvaardige Spruit," want Hij is zelf rechtvaardig, en door Hem zullen velen, ja al de Zijnen, rechtvaardig gemaakt worden. Als een voorspraak is Hij "Jezus Christus de Rechtvaardige.
b. Hier wordt van Hem gesproken als de Koning van Zijn Kerk. Dit rijsken zal zo hoog stijgen als de troon van zijn vader David, en daar zal Hij "regeren en voorspoedig zijn," niet gelijk het huis Davids, dat al dieper en dieper was gedaald. Neen, Hij zal in de wereld een koninkrijk stichten, dat allen tegenstand zal teniet doen. In de wagen van Zijn eeuwig Evangelie zal Hij voortgaan, "overwinnende en opdat Hij overwinne." Als God Hem doet opgaan, zal Hij Hem ook voorspoedig maken, want Hij zal Hem het werk van Zijn handen geven, wat "het welbehagen des Heeren is," zal voorspoedig zijn in de handen desgenen, wie het is toevertrouwd. Hij zal voorspoedig zijn, want "Hij komt om de aarde te richten, Hij zal de wereld richten met rechtmatigheid," Psalm 96:1. De toenmalige koningen uit Davids huis waren onrechtvaardig en verdrukkers, en het is daarom geen wonder, dat zij niet voorspoedig waren. Maar Christus zal, door Zijn Evangelie, de aangematigde macht van Satan breken, een volmaakten regel voor een heilig leven geven, en zover Hij regeert, de wereld rechtvaardig maken. De uitwerking daarvan zal zijn een heilige veiligheid en blijdschap des gemoeds in al Zijn getrouwe onderdanen. "In Zijn dagen onder Zijn heerschappij, zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen," dit is: al het geestelijke zaad van de gelovigen Abraham en de biddenden Jacob zal beschermd worden tegen de wraak des hemels en de boosheid van de hel zal de oordelen van Gods wet ontkomen en van Satans aanvallen verlost worden, van de zondeschuld en heerschappij bevrijd. "Dan zal het zeker wonen en alle vrees des kwaads verdwijnen". Zie Lukas 1:74, 75. Zij, die van de toekomende toorn verlost worden, kunnen nu zeker wonen, want "zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" In de dagen van Christus' heerschappij in de ziel, wanneer Hij daar het oppergezag voert, woont de ziel in vrede.
c. Ook wordt Hij hier genoemd "de Heere onze Gerechtigheid."
Merk op:
a. Wie en wat Hij is. Als God is hij Jahweh de enige naam van God, die Zijn eeuwigheid en zelfstandig bestaan aanduidt. Als Middelaar is Hij onze Gerechtigheid. Door voor de zonde van de mensen aan de gerechtigheid Gods te voldoen, heeft Hij een eeuwige gerechtigheid aangebracht en zo een genadeverbond met ons opgericht, opdat, door het geloof in Hem, dat verbond het onze zou worden. Dat Hij "Jahweh onze Gerechtigheid is," betekent ook, dat Hij zo volkomen onze gerechtigheid is als geen schepsel zou kunnen zijn. Hij is souverein, algenoegzaam, eeuwige gerechtigheid, al onze gerechtigheid komt van Hem, ze bestaat door Hem, en wij worden "gemaakt gerechtigheid Gods in Hem."
b. Deszelfs belijdenis en verklaring. "Dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen, Hij zal dat niet alleen zijn, maar men zal Hem ook zo noemen". God zal Hem bij die naam noemen, want Hij zal Hem tot onze gerechtigheid stellen. Met die naam zal Israël Hem noemen, als ook iedere ware belijder. Dat is onze gerechtigheid, waardoor wij, als onze pleitgrond, voor God gerechtvaardigd worden, de schuld ons kwijtgescholden en wij in gunst aangenomen. Op niets anders kunnen wij pleiten: Christus is gestorven, ja, is ook opgestaan, en wij hebben Hem als onze Heere aangenomen.
3. Deze grote verlossing, die de Joden later geschonken zou worden, namelijk na hun terugkeer uit Babylon, zal de verlossing van Israël uit Egypte verre, zeer verre overtreffen, vers 7, 8. Zij zullen niet meer zeggen: Zo waarachtig als de Heere leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd, maar: zo waarachtig als de Heere leeft, die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd en die het aangebracht heeft uit het land van het Noorden. Dit komt ook voor in Hoofdstuk 16:11, 15. Maar het schijnt hier nog duidelijker op de dagen van de Messias te slaan, en niet zo zeer de twee verlossingen zelf te vergelijken (waarbij de laatste hoger wordt gesteld) als wel de toestanden, waartoe de kerk door die verlossingen zou komen. Geef op deze verhouding acht: Juist vierhonderd en tachtig jaren na de uittocht uit Egypte werd Salomo's tempel gebouwd, 1 Koningen 6:1, te die tijde had het volk, dat zo wonderlijk uit Egypte uitgeleid was, zijn hoogtepunt bereikt. Juist vierhonderd en negentig jaren (zeventig weken), nadat ze uit Babel wedergekeerd waren, zou Vorst Messias Zijn Evangelie brengen, de grootste heerlijkheid van het volk, dat zo wonderlijk uit Babel was uitgeleid. Zie Daniël 9:24, 25. Nu is de geestelijke heerlijkheid van het tweede tijdperk van de Israëlietische geschiedenis, de Evangelietijd, veel bewonderenswaardiger en glorievoller dan al de stoffelijke heerlijkheid uit de dagen van Salomo's tempel, want die glorie was niets, vergeleken met die, welke later zou volgen.