Jesaja 50:10-11
Nu de profeet een tong van de geleerden gegeven is om ieder naar zijn eis te woord te staan maakt hij daarvan gebruik, en hij verkondigt het woord van de waarheid naar eis. De korte inhoud van het Evangelie is: Hij die gelooft zal behouden worden, die vertrouwt in de naam des Heeren zal vertroost worden ofschoon hij in duisternis wandelt en geen licht heeft. Maar die niet gelooft zal verdoemd worden, ofschoon hij wandelt in het licht van zijn eigen vlam, hij zal in smart nederliggen.
I. Hier wordt troost gegeven aan de terneergeslagen heiligen, en zij worden aangemoedigd om te vertrouwen op Gods genade.
1. Zie hier wat het karakter van een kind van God is. Hij is iemand, die met kinderlijke vreze de Heere vreest, ontzag heeft voor Zijn majesteit, en bevreesd is zich Zijn ongenoegen op de hals te halen. Deze genade openbaart zich gewoonlijk in alle gelovigen, wanneer zij wandelen in duisternis, als van de andere genaden niet veel gezien wordt, Dan beven zij voor Zijn Woord, Jesaja 66:2, en zijn bevreesd voor Zijn oordelen, Psalm 119:120. Een kind van God gehoorzaamt de stem van Gods dienstknecht, dat is, laat zich gewillig regeren door de Heere Jezus, buigt in oprechte gehoorzaamheid onder de wet van Christus en leeft gaarne overeenkomstig de voorwaarden van het verbond. Zij, die waarlijk God vrezen zullen de stem van Christus gehoorzamen.
2. Wat is soms het lot van een kind van God? Hier wordt te kennen gegeven dat, ofschoon de vreze Gods en het geloof in Christus in zich hart wonen, hij soms in de duisternis wandelt en geen licht heeft, verontrust wordt en weinig vertroosting geniet. Wie is er onder ulieden, die het zo gaat? Door die vraag wordt aangeduid dat dit soms ofschoon niet zeer dikwijls, het geval is met de belijders van de godsdienst, maar wanneer het voorkomt, dan let God er op. Het is geen vreemd ding voor de kinderen en erfgenamen van het licht om soms in de duisternis te wandelen en gedurende enige tijd geen enkele lichtstraal te zien. Hiermede worden niet zozeer de gemakken van dit leven bedoeld, zij die God vrezen hebben over `t algemeen daar van geen grote overvloed en wandelen er in eIk geval niet in als in hun licht, maar er is sprake van de geestelijke vertroostingen, die hun zielen aangaan. Zij wandelen in de duisternis wanneer hun uitzichten op de hemel bewolkt zijn, hun vreugde in God onderbroken wordt, het getuigenis van de Schrift wordt opgehouden en het licht van Gods aangezicht verduisterd. Ernstige Christenen zijn geneigd om zwaarmoedig te worden, en vreesachtigen om te veel te vrezen.
3. Wat zal een goed geneesmiddel voor deze kwaal zijn? Hij die zo in het duister is,
a. moet betrouwen op de naam des Heeren, op de goedheid van Zijn natuur en hetgeen Hij van zichzelf heeft bekend gemaakt, van Zijn wijsheid, macht en goedheid. De naam des Heeren Is een sterke toren, hij moet daarheen lopen. Hij moet hiervan zich verzekerd houden dat, indien hij voor Gods aangezicht wandelt hetgeen iemand doen kan ofschoon hij in duisternis wandelt, hij God algenoegzaam voor hem bevinden zal.
b. Hij moet steunen op zijn God, zijn Verbondsgod. Hij moet vasthouden aan zijn verbondsbetrekking met God en God zijn alles in alles noemen. Hij moet als Christus aan het kruis zeggen: Mijn God mijn God! Hij moet gaan staan op de beloften van het verbond en daarop al zijn hoop bouwen. Wanneer een kind van God geneigd is om neer te zijgen, zal hij God algenoegzaam bevinden om hem staande te houden. Hij moet vertrouwen op Christus, "want Gods naam is in hem," Exodus 23:21, vertrouwen in zijn naam: "De Heere onze gerechtigheid, "en aan God als zijn God, in en door de Middelaar zich vastklemmen.
II. Hier wordt gesproken tot overtuiging van aanmatigende zondaren en zij worden gewaarschuwd om niet op zichzelf te vertrouwen vers 11. Let op:
a. de beschrijving die van hen gegeven wordt. Zij ontsteken een vuur en wandelen in de vlam van dat vuur. Zij maken staat op hun eigen gerechtigheid, zij brengen al hun offeranden, zij branden al hun wierook met dat vuur, gelijk Nadab en Abihu, en niet met vuur van de hemel. In hun hoop op aanneming bij God, hebben zij niet het oog op de gerechtigheid van Christus. Zij verheugen zich en scheppen behagen in een namaaksel van hun eigen vinding, dat hun voldoende toeschijnt, en warmen zich daarbij, dat is voor hen licht en warmte tegelijk. Zij omgorden zich met de spranken van hun eigen vuur. Gelijk zij vertrouwen op hun eigen gerechtigheid, en niet op de gerechtigheid van Christus, zo stellen zij hun geluk en hun blijdschap in hun wereldse bezittingen en vermaken en niet in de gunst van God. Menselijke vertroostingen zijn gelijk spranken, kort van duur, spoedig voorbijgegaan, maar toch wandelen de kinderen van de wereld met hoogmoed en blijdschap in hun licht zolang zij duren, en warmen zich er bij.
b. Het vonnis, dat over hen geveld wordt. Hun wordt schertsend geraden te wandelen in die vlam van bun eigen vuur, en er zoveel mogelijk voordeel van te genieten zolang het duurt. Dat geschiedt u van Mijn hand, zegt Christus, want aan hem is het oordeel overgegeven, "in smart zult gijlieden nederliggen", zie Job 18:5, 6. Zijn lamp zal boven hem uitgeblust worden. Zij die de wereld tot hun troost en hun eigen gerechtigheid tot hun vertrouwen maken, zullen zeker bitter teleurgesteld worden, het zal aan het einde enkel bitterheid zijn. De weg van een godvruchtige moge duister zijn, meer het einde zal vrede en eeuwigdurend lichtzijn, de weg des goddelozen zij aangenaam, maar hij eindigt in de afgrond van de buitenste duisternis.