Ezechiël 31:10-18
Wij hebben gezien, dat de koning van Egypte bij die van Assyrië wordt vergeleken, in praal en macht en voorspoed, hoe hij hem geleek in grootheid. Hier zien wij nu,
I. Hoe hij hem ook in trots gelijk was, vers 10, gelijk het aangezicht in een spiegel aan het aangezicht beantwoordt, zo gelijkt het een bedorven vleselijk gemoed op het andere, en dezelfde verzoekingen van een toestand van voorspoed, die de één ten val brengen, zijn ook het ongeluk van menig ander. Gij, o koning van Egypte! hebt u verheven over uw stam, zijt hoogmoedig geweest op uw rijkdom en macht, Hoofdstuk 29:3. En gelijk hij, dat is: gelijk de koning van Assyrië, toen hij zijn top opgestoken had in het midden van de dichte takken verhief ook zijn hart zich over zijn hoogte, Hij werd onbeschaamd en heerszuchtig, achtte God niet en mishandelde Zijn volk, getuige de boodschapper en de brief, die de grote koning de koning van Assyrië aan Hizkia zond, Jesaja 34:4. Hoe hooghartig spreekt hij daar van zijn heldendaden en van zichzelf! hoe verachtelijk van de grote, godvruchtige Hizkia! Er waren nog meer zonden, waarin de Egyptenaren en Assyriërs overeenstemden, vooral die, dat zij Gods volk verdrukt hadden, wat hun beide ten laste wordt gelegd, Jesaja 52. 4. Maar hier wordt die zonde in haar oorzaak nagegaan, en die oorzaak was hoogmoed, want zij waren vervuld met de spot van de weelderige. Zie, wanneer de uiterlijke omstandigheden van een mens vooruitgaan, neemt gewoonlijk ook zijn hoogmoed toe, zelden vindt men een nederige geest te midden van de welvaart.
II. Hoe hij daarom hem ook in zijn val gelijk zal zijn, en als inleiding tot dit deel van de vergelijking.
1. Volgt nu de geschiedenis van de val van de Assyrische koning. Wat hem betreft, zegt God, vers 11, daarom gaf Ik hem in de hand van de machtigste van de heidenen. Cyaxares, de koning van de Meden, vernietigde, in het zes en twintigste jaar van zijn regering, in gemeenschap met Nebukadnezar, de koning van Babel in diens eerste regeringsjaar, Ninevé en daarmee het Assyrische rijk. Nebukadnezar was toen nog niet wat hij later werd, de machtigste onder de heidenen, die later boven allen uitstak.
A. Omtrent de val van de Assyrischen boom worden hier drie dingen betuigd.
a. God zelf verordent zijn ondergang. "Ik gaf hem in de hand van de machtigste onder de heidenen als Zijn beul, Ik dreef hem uit." Zie, God is Rechter, die deze vernedert en gene verhoogt, Psalm 75:7, als het Hem behaagt, roeit hij degenen uit en verdrijft ze, die zelf wanen en door anderen geacht worden, als hadden ze de diepste wortel geslagen. En de machtigste van de heidenen konden zich niet staande houden in hun strijd met anderen, als de Almachtige zelf hen niet overgeeft in de hand hunner vijanden.
b. Het is zijn eigen zonde, die zijn ondergang veroorzaakt: Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid, vers 11. Niets van wat ons leven veraangenaamt verliezen wij, of wij hebben het duizendmaal verbeurd. Indien de goddelozen weggedreven worden, is dat om hun goddeloosheid.
c. Het is de machtigste onder de heidenen, die het werktuig van zijn val zijn, God gebruikt vaak de ene goddeloze om de anderen te straffen. Hij zal zeker met hem richten, zal weten hoe Hij met hem moet handelen, hoe groot hij ook zij. Zie, trotsaards zullen, vroeger of later, hun man vinden.
B. Let in de geschiedenis van de val van het Assyrische rijk op,
a. Een voortzetting van de gelijkenis van de ceder. Hij werd zeer hoog en spreidde zijn takken ver uit, maar zijn dag kwam. Eerst werd deze statige ceder ontworteld: De tirannigste van de heidenen roeiden hem uit. Krijgslieden, die met hun wapens uitgezonden werden om te slaan en te doden en te verderven, kunnen wel onder de tirannigste van de heidenen gerekend worden. Zij hebben eerst zijn takken afgehouwen, enkele delen van zijn rijk hem afgenomen, zodat op de bergen en in alle valleien van de omliggende landen, in hoge laagland, en alle stromen, steden en staten van de Assyrische monarchie afvielen, die haar eerst onderworpen waren, maar nu opstonden of veroverd werden. Haar veren waren geleend, en toen iedere vogel zijn eigen veren had teruggenomen, bleef er zoveel als de kale stronk van de boom over.
Ten tweede werd hij verlaten: Alle volken van de aarde gingen weg uit zijn schaduw, die eerst tot hem gevloden waren om beschutting. Toen hij niet langer in staat was, hun die beschutting te verlenen zeiden zij hem de gehoorzaamheid op. Laat grote mannen niet trots zijn op het aantal dergenen, die hen dienen of van hen afhangen, dat is alleen voor zolang hun invloed duurt. Wanneer de Voorzienigheid het voorhoofd over hen fronst, wordt hun gevolg verstrooid en uiteengedreven.
Ten derde werd hij bespot, en zijn val verheerlijkt, vers 13 :Alle vogels des hemels woonden op zijn omgevallen stam en traden op de gebroken takken van deze ceder. Andere bomen maakten zich vrolijk over zijn val, die eerst jaloers waren geweest om zijn overmacht en grotere hoogte. "Alle bomen van Eden, die voor hem afgehouwen en gevallen waren, die in de dauw des hemels nat gemaakt waren, gelijk de afgestroopte stam van die machtigen boom, Daniël 4:23, zullen van de reuk van de wateren uitspruiten, Job 14:9 en zich troosten in het onderste van de aarde," vers 16, wanneer zij zien, dat deze trotse ceder even diep vernederd is als zij zelf. Solamen miserie socios habuisse doloris, in de ellende deelgenoten te hebben is een troost voor de lijdenden. Maar de ceders van de Libanon daarentegen, die nog hoog en sterk stonden, waren zwart om zijnentwille en de bomen des velds waren om zijnentwille bewonden, vers 15, omdat zij in zijn val hun eigen toekomstig lot zagen. "Huilt, gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn, Zacheria 11:2 want dan kunt ook gij niet lang meer blijven staan".
b. Een verklaring van de gelijkenis van de ceders. Het afhouwen van deze boom stelt de slachting van deze machtige monarch voor met al zijn aanhangers en helpers, zij allen zijn overgegeven ter dood, om door het zwaard te vallen gelijk de ceder door de bijl. Hij en zijn vorsten, die, naar hij zei, al tezamen koningen waren, zijn allen op weg naar hun graf, naar het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, "als gewone mensen zonder rang of onderscheiding. zij sterven als een mens", Psalm 82:2, zij worden weggevoerd ais degenen, die in de kuil nederdalen, en hun praal kon hen niet beschermen noch met hen medegaan. Weer, vers 16, Ik deed hem ter helle nederdalen, hij werd aan de doden toegevoegd en werd begraven gelijk anderen, in duisternis en vergetelheid. Wederom, vers 17, die zijn arm geweest waren, op wie hij had gesteund, door wie hij had gehandeld en zijn macht uitgeoefend, allen, die in zijn schaduw hadden gewoond, zijn onderdanen en bondgenoten, en allen, die van hem afhankelijk geweest waren, daalden met hem neer ter helle, tot de verslagenen met het zwaard, tot degenen, die door een ontijdige dood voor hen waren afgesneden, onder het gewicht van schuld en schaamte. Wanneer grote mannen vallen, vallen velen met hen, en velen zijn voor hen gevallen.
c. Wat God bedoelde met deze machtign vorst en zijn rijk ten val te brengen. Hij bedoelde daarmee, eerst de volken rondom wakker te roepen, ze te waarschuwen door hun dit schouwspel te tonen, vers 16. Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen beven. Zij allen werden met verbazing bevangen, zo'n heerlijke vorst zo te zien ondergaan. Het gaf een schok aan aller vertrouwen, en ieder vroeg: Wie zal nu volgen? Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren, vers 15, gelijk een geheel koninkrijk rouwt bij de dood van een koning. Ten teken van die algemene smart, bedekte Ik om Mijnentwille de afgrond, zodat niemand die zien kon, deed alle bedrijvigheid stilstaan, in overeenstemming met de algemene zonde. Ik weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut, opdat ze in een ander bed stroomden namelijk dat van de weeklacht. Vooral de Libanon en het koninkrijk Syrië, dat soms de bondgenoot van Assyrië was geweest, treurden om hem, gelijk de bondgenoten van Babylon, Openbaring 18:9.
Ten tweede om alle volken rondom te vermanen, en tevens hun vorsten, vers 14 :Opdat zich geen waterrijke bomen, hoe voordelig ook geplant, verheffen over hun stam, hoogmoedig en verwaand zijn, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, met minachting op anderen neerziende, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte, vertrouwende op hun eigen staatkunde en macht, alsof zij nimmer konden vallen. Laat ze alle gewaarschuwd worden door de Assyriërs, want ook die hielden eens hun hoofd hoog en stonden op vasten bodem. Maar hun hoogmoed kwam voor de val, en hun vertrouwen begaf hen. Zie, de val van de hoogmoedige en aanmatigende mensen moet zijn een waarschuwing aan anderen, om nederig te blijven. Het zou voor Nebukadnezer goed geweest zijn, die zelf de Assyriërs ten onder bracht, zo hij die vermaning ter harte had genomen.
2. Hier volgt de profetie van Egypte's val op dezelfde wijze, vers 18. Hij achtte zich de Assyriër gelijk in heerlijkheid en grootheid boven alle bomen in Eden, gelijk de cipres boven de struiken. Gij zult nedergevoerd worden, naar de benedenste of onderste delen van de aarde, in het midden van de onbesnedenen zult gij liggen, dergenen, die in onreinheid, zonder roem, sterven, onder de vloek en verre van God. Dan zullen degenen, die gij onder de voet getrapt hebt, over u juichen, zeggende: "Dat is Farao, en zijn gehele menigte. Zie, hoe vervallen zij er uitzien, hoe laag zij liggen, zie wat er van al zijn praal en zijn hoogmoed geworden is, dit alleen is van hem overgebleven." Zie, grote mannen en grote menigten, met hun groot figuur en hun grote drukte in de wereld, wanneer God komt om met hen te twisten, worden zij spoedig klein, minder dan niets, zoals Farao en zijn gehele menigte.