Ezechiël 32:1-16
I. Hier wordt de profeet bevolen, een klaaglied on te heffen over Farao, de koning van Egypte, vers 2. Dienaren past het ernstig gestemd te zijn, en daartoe herhaaldelijk klaagzangen op te heffen om de val en ondergang van zondaars, als die de noodlottige dag niet begeerd, maar gevreesd hebben. Predikanten, die anderen willen treffen met de dingen Gods moeten laten zien, dat zij zelf getroffen zijn door de ellende, die de zondaars door de zonde over zich brengen. Het past ons te wenen en te sidderen voor hen, die niet willen sidderen en wenen over zichzelf, om te beproeven of wij ze daardoor kunnen doen wenen en sidderen.
II. Hem wordt bevolen de reden aan te geven voor die klaagzang.
1. Farao is een broeder van de volken geweest, ook van zijn eigen volk, voor welks rust hij had moeten zorgen. Hij is een jonge leeuw onder de heidenen gelijk, vers 2, luid en rumoerig, vrees aanjagend en dreigend, als een leeuw, die brult. Als grote potentaten tiranniek zijn en verdrukken, zijn zij in Gods oog niet beter de roofdieren. Hij is als een zeedraak, of walvis, als een krokodil (volgens sommigen) in de zeeën, zeer woelig en lastig, als "de Leviathan, die de diepte doet zieden gelijk een pot," Job 41:22. Toen Farao een onnodige oorlog begon met die van Cyrene, braakte hij voort in zijn rivieren, in zijn legers, beroerde het water, verstoorde zijn eigen koninkrijk, en de naburige volken vermodderde hun rivieren, en bevuilde ze. Zeer veel onrust wordt dikwijls in de wereld veroorzaakt door de rusteloze eerzucht en de onverzoenlijke wrok van trotse vorsten. Achab is het, die Israël verontrust, en niet Elia.
2. Hij, die anderen verontrust heeft, moet wel verwachten zelf verontrust te worden, want de Here is rechtvaardig, Jozua 7:25.
A. Dit wordt hier uiteengezet door een vergelijking. Is Farao een grote vis, die, als hij de rivier opkomt, grote beroering veroorzaakt een leviathan, die Job niet met de angel trekken kan, Job 48, 20? Toch heeft God een net voor hem, dat groot genoeg is om hem te besluiten en sterk genoeg om hem vast te houden, vers 3 :Ik zal Mijn net over u uitspreiden, het leger van de Chaldeën, een vergadering van vele volken, zij zullen hem zijn sterkte met geweld ontnemen hem uit zijn bezittingen verdrijven, hem als een groten vis op het droge werpen, op het open veld, vers 4, waar hij natuurlijk sterven moet, omdat het zijn element niet is, en een prooi van vogels en wilde dieren worden, zoals voorspeld was, Hoofdstuk 29:5. Wat kan de sterkste vis doen om zichzelf te helpen, als hij naar adem ligt te snakken, op het droge? Het vlees van deze groten vis zal op de bergen weggegeven worden, vers 5, en de dalen zullen met zijn hoogheid vervuld worden. Zulk een groot aantal van Farao's soldaten zal gedood worden, dat hun dode lichamen over de heuvels verspreid en in de dalen opgehoopt zullen liggen. Het bloed zal zo overvloedig vergoten worden dat de rivieren in de dalen er van zullen zwellen of, zo groot zal de omvang en de hoogte van deze leviathan zijn, dat hij op de aarde liggende, de dalen vullen zal. Zulke grote hoeveelheden bloed zullen uit zijn wonden stromen, dat zij het land zullen drenken. waarin hij nu zwemt, en speelt, vers 6. Het zal reiken tot aan de bergen, en de wateren van Egypte zullen op deze wijze opnieuw in bloed veranderd worden. De stromen zullen van u vervuld worden. De gerichten, van ouds aan Farao geoefend, worden uitgedrukt door het verbreken van de koppen van de draken in de wateren, Psalm 73:13, 14. Maar nu gaan ze verder, nu wordt niet alleen de kop van deze oude slang verbroken, maar in stukken geslagen. B. Verder wordt het uiteengezet door een profetie van de diepe indruk, die de verwoesting van Egypte maken zal op de naburige volken, zij zullen er alle van ontsteld zijn, evenals door de val van het Assyrische rijk, Hoofdstuk 31:15, 16. Wanneer Farao, die als een vlammende, brandende toorts was geweest, uitgeblust wordt, zullen daarvan allen om hem heen zwart zien, vers 7. De hemelen zullen als met zwart behangen worden, de sterren zullen geen licht geven, de zon zal verduisterd, en de maan van haar geleend licht beroofd worden. Van de hogere wereld is het, dat deze lagere haar licht ontvangt, en daarom, vers 8, als de lichtende lichten aan de hemel zwart gemaakt worden, zal ten gevolge daarvan een duisternis over het land vallen, over het land van Egypte. Hier schijnt gezinspeeld te worden op de plaag van de duisternis, die van ouds drie dagen over Egypte was, evenals, hiervoor op de plaag, die het water in bloed veranderde. Want, wanneer de vroegere oordelen vergeten zijn, is het rechtvaardig, dat zij herhaald worden. Wanneer hun raadslieden en staatslieden en die het bestuur hebben over de zaken van de staat, van hun wijsheid beroofd en dwaas worden, en de dingen, die tot hun vrede dienen, voor hun ogen verborgen zijn, dan zijn hun lichten verdonkerd, en het land is in duisternis. Dit wordt voorspeld in Jesaja 19:13. De vorsten van Zoan zijn zot geworden. Als het gerucht van de val van Egypte zich verspreidt, en het nieuws naar verre landen gebracht wordt, landen, die zij niet gekend hebben, vers 9, dan zal men er zeer door aangedaan en gevoelig door getroffen zijn. Het zal hen verdrietig maken, zo'n rijk, oud, machtig koninkrijk zo vernederd en ten onder gebracht te zien, en de trots op hun wereldse roem, die zij op zo'n hoge prijs stellen, bezoedeld. "Het hart van vele volken zal verdrietig zijn, als zij zien, dat het woord van de God Israëls door de verwoesting van Egypte vervuld wordt, en dat al de goden van Egypte niet in staat waren, het te verlossen". De verwoesting van de ene goddeloze is een verdriet voor de anderen goddeloze.
a. Het zal hen met verbazing vervullen, vers 10 :Zij zullen zich over u ontzetten en zich verbazen, hoe zoveel macht en zo grote rijkdom verwoest is, Openbaring 18:16. Die met voldoening de praal van deze wereld bewonderen, zullen met ontsteltenis over de verwoesting van die praal zich verwonderen, die volstrekt geen verrassing is voor diegenen, die de ijdelheid ver: alle dingen hier beneden kennen.
b. Het zal hen met vrees vervullen: zelfs hun koningen (die menen, dat het hun koninklijk voorrecht is veilig te zijn) zullen de haren over u ten berge rijze, daar zij besluiten, dat hun eigen huis gevaar loopt, als dat van hun buurman in brand staat. "Als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten, zullen zij elk ogenblik sidderen." Als het zwaard van Gods rechtvaardigheid tegen de een getrokken is, om af te snijden, dan wordt het tevens voor de ogen van anderen gezwaaid, om te waarschuwen. En die er zich niet door willen laten waarschuwen en zich niet verbeteren, zullen er toch door verschrikt worden, en sidderen. Zij zullen elk ogenblik sidderen, ten dage van uw val. Als anderen door de zonde verdorven worden, hebben wij reden om te sidderen van vrees daar wij weten, dat ook wij schuldig en straf baar zijn. "Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van deze heilige God."
C. Het wordt uiteengezet door een duidelijke en uitdrukkelijke voorspelling van de verwoesting zelf, die over Egypte komen zal.
a. De werktuigen van de verwoesting blijken hier zeer geducht te zijn. Het is het zwaard des konings van Babel, van die oorlogszuchtiger, overwinnenden vorst, dat u overkomen zal, vers 11, de zwaarden van de helden, de tyrannigste van de heidenen, al te samen, vers 12, een leger, waarvoor niemand bestaan kan. Die vermaak hebben in de oorlog, en bij iedere gelegenheid twist maken, kunnen te van een of andere tijd verwachten, in strijd te raken met degenen, die hun te sterk zullen blijken. Farao was haastig geweest, om met zijn naburen te twisten en voort te braken in zijn rivieren, in zijn legers, vers 2. Maar God zal hem er nu voor doen boeten.
b. De voorbeelden van de verwoesting blijken hier zeer vreselijk te zijn, over het geheel dezelfde, die wij tevoren hadden, Hoofdstuk 29:10-12-30Ten eerste. De menigte van Egypte zal uitgeroeid worden, niet gedecimeerd, niet enigen er uit genomen en tot voorbeeld gesteld, maar allen zullen afgesneden worden. Het aantal van de zondaars, al vormen zij ook een menigte, zal hen niet tegen Gods macht beveiligen, en hun ook geen recht verlenen op Zijn medelijden.
Ten tweede: De praal van Egypte zal verdorven worden, de praal van hun hof, waarop zij trots geweest zijn. Toen wij van de praal van deze wereld afstand deden, bewezen wij ons zelf een grote dienst, want die dingen zijn spoedig bedorven en stellen hun bewonderaars teleur.
Ten derde. Het vee van Egypte, dat placht te weiden aan de rivieren zal vernietigd worden, vers 13, of afgesneden, of buit gemaakt. Egypte was beroemd om zijn paarden, die een begeerlijke buit weren voor de Chaldeën. De rivieren zullen niet meer bezocht worden door mens of beest, zoals vroeger, toen zij daar kwamen drinken.
Ten vierde. De wateren van Egypte, die tevoren levendig vloeiden, zullen nu zinken, en gaan als olie, langzaam en zwaar, vers 14, een figuurlijke uitdrukking, die betekent, dat er zo'n algemene somberheid en droefgeestigheid over het hele volk zal zijn, dat zelfs de rivieren zacht en stil zullen gaan als treurenden, en hun snelheid van beweging geheel zullen vergeten.
Ten vijfde. Het hele land van Egypte zal van zijn rijkdom beroofd worden, het zal woest werden van zijn volheid, vers 15, koren en vee, en alle smakelijke vruchten, die de aarde voortbrengt, als die daarin wonen, geslagen zijn, wordt de grond niet meer bebouwd, en wat geoogst is wordt een gemakkelijke prooi voor de invaller. God kan spoedig de goederen van deze wereld ontnemen aan hen, die de grootste volheid van deze dingen hebben en er van verzadigd zijn, die er het meest van genieten, en hun hart op die genietingen gesteld hebben. De Egyptenaars waren vol van hun aangenaam land met zijn rijke, overvloedige voortbrengselen. Ieder, die met hen sprak, kon bemerken, hoe vol zij er van waren. Maar God kan hun land woest maken van zijn volheid, in weinig tijds, daarom is het wijs van ons, vol te zijn van schatten in de hemel. Als het land woest wordt,
1. Zal dat tot hun onderricht zijn: Dan zullen zij weten, dat Ik de Here ben. Een verstandelijke overtuiging van de ijdelheid van de wereld, en van de veranderlijke en onzekere aard van de dingen daarvan, zal veel bijdragen tot onze rechte kennis van God als ons deel en onze zaligheid.
2. Het zal een reden tot weeklagen zijn voor allen, die rondom hen zijn: De dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen, vers 16 hetzij omdat zij, als haar bondgenoten, deel nemen in haar ellende en met haar lijden, of als haar bewonderaars, ten minste delen in haar smart en met haar medegevoelen. Zij zullen klagen over Egypte en zijn gehele menigte: het zal hun medelijden opwekken, zo'n grote verwoesting te zien. Door de oorzaken van onze blijdschap te vermeerderen, vergroten wij de mogelijkheid van smart voor ons.