18. Wien zijt gij alzo, o Faraö, om nu weer de aanspraak aan u (
Vers 2) weer op te nemen, gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? waarlijk gij zijt niet heerlijker dan te voren Assur was, u wacht hetzelfde lot, dat hem heeft getroffen; ja gij zult nedergevoerd worden, met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen, der goddeloze Heidenen, tot welke gij inderdaad ook behoort, zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat wat in Assurs voorbeeld wordt aangetoond, is Faraö, en zijne ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.
"Wien zijt gij gelijk in heerlijkheid en grootheid?" vraagt de Profeet nog eens aan Faraö, nadat hij door zijne voorstelling van Assur het ware antwoord geheel heeft voorbereid. En dat is: in het gezegde is reeds openbaar geworden, dat heerlijkheid en grootheid voor den val niet kan bewaren, integendeel, wanneer zij misbruikt wordt, brengt zij tot den val.
De besnijding maakt zeker een onderscheid in den dood, maar niet die, welke in het vlees geschiedt; wel het besneden hart, en dat kunnen tot op zekere hoogte ook diegenen hebben, die als Heidenen eigenlijk tot de onbesnedenen behoren.
Ziet, hoe ellendig hij daar ligt; ziet, waartoe al die pracht en hovaardij gekomen is. Grote mannen en grote menigten met de grote figuur en het groot geraas, dat zij in de wereld gemaakt hebben, wanneer God komt om met hen te twisten, worden spoedig klein. Alzo is Faraö en al zijne menigte. Het is beter een nederige boom van rechtvaardigheid te zijn, dragende vruchten tot ere van God en tot welzijn der mensen, en ten laatste overgeplant te worden in den tuin Gods daarboven, om daar eeuwig te bloeien, dan een geprezen ceder te zijn en ten laatste neer te vallen; een van de machtigsten der aarde te zijn, en in het helse vuur te dalen. De goddeloze is dikwijls gezien, bloeiende gelijk de ceder, en takken uitspreidende als de groene laurier, maar hij gaat spoedig voorbij en zijne plaats wordt niet meer gevonden. Laat ons letten op den rechtvaardige en zien op den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn. .