Jeremia 3:1-5
Volgens sommigen behoren deze verzen nog tot de rede in het vorige hoofdstuk. Zij openen een deur van de hope voor hen, die overtuigd werden door de vermaningen, die wij daar lazen. God wondt met het doel om te helen.
Merk hier nu op:
I. Hoe laaghartig het volk God verzaakt had en van Hem afgegaan was. De beschuldiging is hier zeer zwaar.
1. Zij hadden hun afgoden en afgoderijen vermenigvuldigd. Het zou erg genoeg zijn geweest indien zij een vreemde god onder hen toegelaten hadden, maar zij waren onverzadigbaar in hun lust naar vreemde godsdiensten. Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd, vers 1. Zij was voor de afgoden een gewone lichtekooi geworden, er kon geen enkele afgod, hoe dwaas ook, in de nabijheid opgericht worden, of de Joden moesten die spoedig ook hebben. Waar was in het gehele land een hoge plaats waar zij geen afgod gehad hadden? vers 2. Wanneer wij boete doen is het goed berouwvol de aandacht te wijden aan de bijzondere zondige daden, waaraan wij schuldig staan, aan de verschillende plaatsen en gezelschappen, waar wij ze bedreven hebben, opdat wij Gode de eer geven en ons schamen bij de bekentenis van elke zonde afzonderlijk.
2. Zij hadden gelegenheden gezocht voor hun afgoderijen, en onderzoek laten doen naar nieuwe afgoden. "Aan de wegen hebt gij voor hen gezeten, gelijk Thamar, toen zij de vermomming van een lichte vrouw aannam", Genesis 38:14, en gelijk de dwaze vrouw, "die zit om te roepen degenen, die op de weg voorbijgaan," Spreuken 9:14, 15. "Als een Arabier in de woestijn, de Arabische koopvrouw volgens sommigen, die de kopers aanlokt of op de kooplieden wacht om een goeden marktprijs te bedingen, " -als een Arabische rover, volgens anderen, die op zijn prooi zit te wachten. Zo hadden zij gewacht om nieuwe goden tot zich te lokken, hoe nieuwer zoveel beter, en des te meer waren zij er verliefd op, of om anderen te lokken om aan hun afgoderijen deel te nemen. Zij waren niet alleen zondaars, maar satans, niet alleen verraders van zichzelf, maar verleiders van anderen.
3. Zij waren zeer onbeschaamd in de zonde geworden. Zij hadden niet alleen zichzelf besmet, maar zij hadden ook het land ontheiligd met hun hoererijen en hun boosheid, vers 2, want het geschiedde algemeen en ongestraft, er, werd daardoor een nationale zonde. En gij hadt een hoerenvoorhoofd, vers 3, gij weigerde beschaamd te worden. Gij misdeed genoeg om u voor eeuwig te schamen, en toch naams gij geen schaamte aan. Het blozen is de kleur van de deugd, of althans een overblijfsel er van, maar zij die zonder schaamte zijn, zijn buiten hoop. Zij die een overspelig hart hebben, en dat laten begaan, zullen ten laatste een hoerenvoorhoofd hebben, zonder enige schaamte of eerbaarheid.
4. Zij waren op allerlei wijzen overvloedig in zonden. Zij verontreinigden het land niet alleen met hun hoererijen, dat is hun afgoderijen, maar ook met hun boosheid, vers 2, zonden tegen de tweede tafel, want hoe kunnen wij denken dat iemand, die ontrouw is aan God, getrouw zal zijn aan zijn naaste? Ja zelfs: gij spreekt en doet die boosheden en neemt de overhand, vers 5. Of: gij spreekt en doet boosheden zoveel gij kunt, en gij zoudt nog erger gesproken en gedaan hebben indien gij slechts geweten hadt hoe, uw wil was er voor, maar gij hadt de gelegenheid niet. Zij zijn inderdaad slecht, die zondigen zoveel zij maar kunnen, en nooit een verzoeking weerstaan omdat zij er niet aan mogen toegeven, maar omdat zij niet kunnen.
II. Hoe vriendelijk heeft God hen niet om hun zonden bestraft! Inplaats van vuur en zwavel op hen te regenen, omdat zij, gelijk Sodom, hun zonden vrij uit spraken, en vreemde goden nagegaan waren, gelijk Sodom vreemd vlees, had Hij hun alleen de regendroppelen onthouden, en dat nog slechts gedurende een gedeelte des jaars. Er was geen spade regen geweest, hetgeen hun een bewijs had moeten zijn van hun voortdurende afhankelijkheid van God. Wanneer zij de vroege regen ontvingen, was dat geen waarborg dat de spade regen ook zou komen, maar zij moesten ook daarom tot God opzien. Doch het had die uitwerking niet gehad.
III. Hoe rechtvaardig God hen geheel en al kon verlaten hebben, en geweigerd om hen ooit weer aan te nemen al waren zij ook teruggekeerd. Dat zou slechts geweest zijn volgens de gewone wet op de echtscheiding, vers 1. "Men zegt dit is een algemeen toegestemd feit zelfs is het een geval waarin de wet zeer beslist spreekt, en het is iets dat iedereen weet en toestemt", Deuteronomium 24:4), dat zo een men eens zijn vrouw wegens overspel wegzendt en zij zich aan een anderen man verbindt, haar eerste echtgenoot haar nooit, onder welk voorwendsel ook, weer tot vrouw zal nemen. Zulk loszinnig spel met de huwelijksband zou een ergerlijke verlaging van die instelling zijn en het land zou er grotelijks door verontreinigd worden.
Merk op wat de wet in zo'n geval zegt. Men zegt dat is, iedereen zegt en onderschrijft daardoor van harte hetgeen de wet zegt, want iedere man gevoelt iets in zijn binnenste dat hem verbiedt zich te verbinden met een, die van een andere man is. En op dezelfde wijze zouden zij verwachten dat God altijd zou weigeren hen opnieuw als Zijn volk aan te nemen, nadat zij niet alleen zich met een vreemder god verenigd hadden maar geboeleerd hadden met vele boeleerders. indien wij met een man te doen hadden, gelijk wij zelf zijn, nadat wij hem zo getart hadden, zouden wij er aan moeten wanhopen of we ooit met hem verzoend zouden worden.
IV. Hoe vriendelijk Hij hen niet alleen uitnodigt, maar de weg aanwijst, om tot Hem terug te keren.
1. Hij moedigt hen aan om te hopen dat zij zullen gunst vinden bij Hem, indien zij berouw betonen. Gij hebt met vele boeleerders geboeleerd, keer nochtans weer tot Mij, vers 1. Dit houdt de belofte in dat Hij hen zal aannemen. "Keert terug, en gij zult welkom zijn." God heeft zichzelf niet gebonden door de wetten, die Hij voor ons gemaakt heeft, ook heeft Hij het wraakzuchtig gevoel niet, dat de mensen koesteren. Hij zal voor Israël, ter wille van het verbond, vriendelijker zijn dan ooit een beledigd echtgenoot voor zijn overspelige vrouw was, want in het ontvangen van boetelingen is Hij, evenals in alle andere dingen, God en geen mens.
2. Daarom verwacht Hij vriendelijk dat zij berouw hebben en tot Hem weerkeren zullen, en Hij zegt hun wat zij dan tot Hem zeggen moeten, vers 4. Zult gij niet van nu af tot Mij roepen? Wilt gij, die in zulke betrekking tot Mij gestaan hebt en die zoveel aan Mij verplicht zijt, wilt gij niet tot Mij roepen? Of schoon gij een afkeer van Mij gekregen hebt, zult gij toch, zodra gij de dwaasheid daarvan inziet er zeker aan denken om tot Mij terug te keren, nu nog, nu spoedig, in deze w dag. Wilt gij op die tijd, neen, wilt gij van nu af niet tot Mij roepen? Wat gij ook tot nog toe gezegd of gedaan hebt, wilt gij van nu af u niet tot Mij wenden. Van nu aan, van deze tijd van overtuiging en kastijding, nu gij uw zonden gezien hebt, vers 2, nu gij er ongelukkig door wordt, vers 3, wilt gij nu die zonden niet laten varen en u tot Mij keren, zeggende: "Ik zal heengaan en keren weer tot mijn vorige man, want toen was mij beter dan nu," Hosea 2:6. Of: van nu aan, van de tijd af dat deze vriendelijke uitnodiging tot u kwam om weer te keren en ge de verzekering gekregen hebt dat gij goed ontvangen zult worden? Kan deze genade Gods er u niet toe bewegen? Wilt gij nu niet komen, nu de vergeving is afgekondigd, en daar de voordelen van genieten? Zeker zult gij willen.
A. Hij verwacht dat zij zich op hun betrekking tot God zullen beroepen. Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de leidsman mijner jeugd!
a. Zij zullen zeker tot Hem komen als tot een vader, om Hem vergeving te vragen voor hun onbetamelijk gedrag jegens Hem (Vader, ik heb gezondigd), en zij zullen hopen in Hem de tedere ontferming te vinden van een vader voor een verloren zoon. Zij zullen tot Hem komen als tot een vader, wie zij hun leed kunnen klagen en op wie zij mogen vertrouwen om verlichting en hulp. Zij zullen Hem nu als hun vader erkennen, en zichzelf als vaderloos zonder Hem, en daarom hopen bij Hem barmhartigheid te vinden, gelijk die berouwhebbenden in Hosea 14:3.
b. Zij zullen tot Hem komen als tot "de leidsman hunner jeugd," dat is als tot hun echtgenoot, want zo wordt die uitdrukking omschreven in Maleachi 2:14. Ofschoon gij vele minnaars nagelopen hebt, zult gij u eindelijk de liefde van uw echtverbintenis herinneren, en wederkeren tot de "echtgenoot van uw jeugd." Of men kan het meer algemeen nemen: Als mijn Vader, die de leidsman van mijn jeugd is. Gij hebt een leidsman nodig. In ons weerkeren naar God moeten wij ons dankbaar herinneren dat Hij de leidsman van onze jeugd was in de weg van vertroosting, en wij moeten gelovig verwachten dat Hij ook voortaan onze leidsman zal zijn in de weg van plicht en dat wij Zijn leiding zullen volgen en ons geheel daaraan overgeven, dat wij in alle twijfelachtige gevallen zullen geleid worden door onze godsdienst.
B. Hij verwacht dat zij zich beroepen zullen op de barmhartigheid Gods en de zegen van die barmhartigheid zullen afbidden, vers 5, dat zij tot hun aanmoediging zichzelf zullen zeggen bij hun terugkeren tot Hem. Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zeker zal Hij dat niet, want Hij heeft afgekondigd dat Zijn naam is barmhartig en genadig. Berouwhebbende zondaren mogen zich aanmoedigen met de gedachte dat, ofschoon God kastijdt, Hij niet altijd kastijden zal, ofschoon Hij toornig is, Hij de toorn niet zal behouden, maar ofschoon Hij wondt, helen toch Zijn handen. Wij mogen dus pleiten om herstelling. Sommigen beschouwen dit als een omschrijving van hun huichelarij en kwaadaardigheid. Ofschoon gij een hoerenvoorhoofd hebt, vers 3, en steeds zoveel kwaad doet als ge kunt, vers 5, toch blijft gij voor en na roepen: Mijn vader. Zelfs wanneer zij zich het meest met hun afgoden verbonden, beweerden zij ontzag voor God te hebben, en hielden de uiterlijke vormen van godsdienst en verering. Het is schande als mensen op die wijze God hun Vader noemen, en toch de werken des duivels doen, gelijk de Joden, Johannes 8:44, Hem de leidsman hunner jeugd noemen, en toch zich overgeven aan een wandel naar het vlees, terwijl zij zich ondertussen vleien met de verwachting dat Zijn toorn een einde zal hebben, ofschoon zij bezig zijn zich toorn te vergaderen als een schat tegen de dag des oordeels.