Handelingen 7:50-53
Stefanus ging in zijne rede voort met aan te tonen, dat evenals de tempel, ook de tempeldienst tot een einde zal komen en dat het de heerlijkheid zal zijn van beiden om plaats te maken voor die aanbidding van den Vader in geest en waarheid, die ingesteld zou worden in het koninkrijk van des Messias, ontdaan van de pralende ceremoniën der oude wet. En nu ging hij van alles wat hij gezegd had de toepassing maken voor zijn tegenwoordig doel, maar hij bemerkte, dat zij het niet konden dulden, zij konden de geschiedenis van het Oude-Testament niet geduldig aanhoren, (het was ene wetenschap, waarmee zij zelven zich bezig hielden) maar als Stefanus hun gaat zeggen, dat aan hun macht en tirannie een einde gemaakt moest worden, en dat de kerk geregeerd moet worden door een geest van heiligheid en liefde en hemelsgezindheid, willen zij niet eens meer naar hem luisteren. Waarschijnlijk heeft hij dit bemerkt, en dat zij hem het zwijgen gingen opleggen, en daarom breekt hij plotseling zijne rede af, en door dien geest van wijsheid, kloekmoedigheid en kracht, waarmee hij was vervuld, bestraft hij scherpelijk zijne vervolgers, en toont hen in hun waar karakter, want indien zij het getuigenis van het Evangelie niet willen toelaten, dan zal het een getuigenis tegen hen worden.
I. Evenals hun vaderen waren zij hardnekkig en eigenzinnig, en wilden de verschillende methodes, door God aangewend om hen tot inkeer te brengen en te verbeteren, niet op zich laten inwerken, zij waren als hun vaderen, onaandoenlijk voor het woord Gods en voor de leidingen van Zijne voorzienigheid.
1. Zij waren hardnekkig, vers 51, zij wilden hun nek niet buigen onder het lichte en zachte juk van Gods bestuur, maar waren als een ongewend kalf, of, zij wilden het hoofd niet buigen, neen, zelfs voor God niet, wilden zich niet voor Hem verootmoedigen. De harde nek is gelijk aan het harde hart, halsstarrig en weerspannig, niet willende toegeven-de algemene karaktertrek der Joodse natie, Exodus 32:9, 33:3, 5, 34:9, Deuteronomium 9:6 13, 31:27, Ezechiël 2:4. 2, Zij waren onbesneden van hart en oren, hun harten en hun oren waren Gode niet gewijd, zoals het lichaam des volks in belijdenis Gode gewijd was door het teken der besnijdenis. "In naam en naar den schijn zijt gij besneden Joden, maar in hart en oren zijt gij nog onbesneden Heidenen, en gij betoont voor het gezag van uwen God niet meer eerbied dan zij, Jeremia 9:26. "Gij zijt onder de macht van bederf en begeerlijkheden, die gij niet gedood hebt, die uwe oren toestoppen voor de stem van God, en uwe harten verharden tegen hetgeen zowel hoognodig als zeer liefelijk is". Zij hadden niet de besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vlezes, Colossenzen 2:11.
II. Zij waren, evenals hun vaderen, niet alleen niet onder den invloed van de methodes, die God aanwendde, om hen te verbeteren, maar zij waren er in woede tegen ontstoken: Gij wederstaat altijd den Heiligen Geest.
1. Zij weerstonden den Heiligen Geest, die tot hen sprak door de profeten, die zij tegenstonden en tegenspraken, haatten en bespotten. Dit schijnt naar de daarop volgende verklaring, inzonderheid hier bedoeld: Wie van de profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? In hun vervolgen en tot zwijgen brengen van hen, die door de ingeving des Heiligen Geestes hebben gesproken, hebben zij den Heiligen Geest weerstaan. Hun vaderen weerstonden den Heiligen Geest in de profeten, die God hun verwekt had, en hetzelfde deden zij in Christus' apostelen en dienstknechten, die spraken door dezelfden Geest, en ene grotere mate van Zijne gaven hadden ontvangen dan de profeten van het Oude Testament, en nog meer weerstaan werden.
2. Zij weerstonden den Heiligen Geest, die met hen twistte door hun eigen geweten, aan welks overtuiging en vermaningen zij zich niet wilden onderwerpen. Gods Geest twistte met hen zoals met de oude wereld, maar te vergeefs, zij weerstonden Hem, hielden het met hun bederf tegen hun overtuigingen, en rebelleerden tegen het licht. Er is in onze zondige harten datgene, hetwelk altijd den Heiligen Geest wederstaat, een vlees, dat begeert tegen den Geest, en strijdt tegen Zijne bewegingen, maar in de harten van Gods uitverkorenen is, als de volheid des tijds gekomen is, deze weerstand overwonnen, en, na ene worsteling is de troon van Christus opgericht in de ziel, en alle overlegging, die zich verheft tegen de kennis van God, is gevangen geleid tot de gehoorzaamheid van Christus, 2 Corinthiërs 10:4, 5. Die genade dus, welke deze verandering teweegbrengt, zou veeleer overwinnende dan onweerstaanbare genade genoemd kunnen worden.
II. Zij, evenals hun vaderen, vervolgden en doodden hen, die God hun gezonden had, om hen tot hun plicht te roepen, en hun aanbiedingen van genade le doen.
1. Hun vaderen waren de wrede en standvastige vervolgers geweest der Oud-Testamentische profeten, vers 52. Wie van de profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? Meer of minder, op den een of anderen tijd, hadden zij het op hen allen gemunt. Zelfs wat hen betreft, die onder de beste regeringen hebben geleefd, toen de vorsten hen niet vervolgden, was er toch altijd ene kwaadwillige partij onder dat volk, die hen bespotte en mishandelde en de meesten hunner werden ten laatste, hetzij onder den schijn van wet, of door de volkswoede ter dood gebracht. En hetgeen de zonde van de profeten te vervolgen nog verzwaarde, was, dat het de opdracht der profeten was, waartegen zij zich zo vertoornden, namelijk te voren de komst te verkondigen des Rechtvaardigen, kennis te geven van Gods vriendelijke voornemens en bedoelingen met dat volk, om in de volheid des tijds den Messias onder hen te zenden. Zij, die de boodschappers waren van zulke blijde tijdingen, hadden gevierd en bemind moeten worden, als de grootste weldoeners bevorderd moeten worden, maar, in plaats hiervan, werden zij als de ergste kwaaddoeners behandeld.
2. Zij zijn de verraders en moordenaars van den Rechtvaardige zelf, zoals Petrus hun gezegd had, Hoofdstuk 3:14, 15, 5:30. Zij hadden Judas gehuurd om Hem te verraden, en, in zekeren zin, Pilatus gedwongen Hem te veroordelen, en daarom wordt het hun ten laste gelegd, dat zij Zijne verraders en moordenaars geweest zijn. Aldus waren zij het echte zaad van degenen, die hen doodden, welke Zijne komst hebben voorzegd, en door Hem te doden toonden zij, dat zij dit ook gedaan zouden hebben, indien zij toen hadden geleefd. En aldus hebben zij, gelijk onze Heiland hun gezegd had, het bloed over zich gebracht van al de profeten. Wie van de profeten zouden zij eerbied betoond hebben, die zelfs voor den Zoon van God geen eerbied hadden.
IV. Evenals hun vaderen hebben zij versmaadheid uitgestort over de Goddelijke openbaring, en wilden er zich niet door laten leiden of regeren. En het was de verzwaring hunner zonde, dat God aan hun vaderen de wet had gegeven, en aan hen het Evangelie, doch te vergeefs.
1. Hun vaderen hebben de wet ontvangen en haar niet gehouden, vers 53. God schreef hun de grote dingen Zijner wet, nadat Hij ze eerst tot hen had gesproken, en toch hebben zij ze als iets vreemds geacht, waarmee zij niets van doen hadden. De wet wordt gezegd ontvangen te zijn door bestellingen der engelen, omdat engelen gebruikt werden bij de plechtigheid van de wet te geven, in de donderslagen en bliksemen, en het geluid der bazuin. Zij wordt gezegd besteld of verordineerd, te zijn door engelen, Galaten 3 19. God wordt gezegd te zijn gekomen met tienduizenden Zijner heiligen, om de wet te geven, Deuteronomium 33:2, en het was een woord, gesproken door engelen, Hebr. 2:2. Dit was ene ere, aangedaan aan de wet en den Wetgever, en moet onzen eerbied voor beiden doen toenemen. Maar zij, die de wet aldus hebben ontvangen, hebben haar toch niet gehouden, maar haar, door het gouden kalf te maken onmiddellijk in een hoofdbestanddeel overtreden. 3. Zij ontvingen thans het Evangelie, door de bestelling, of ordinering, niet van engelen, maar van den Heiligen Geest, niet met het geluid ener bazuin, maar, hetgeen nog treffender was, met de gave der talen, en toch nemen zij het niet aan. Zij wilden ook voor de duidelijkste bewijzen niet zwichten, evenmin als hun vaderen wilden zwichten, want zij waren besloten zich Gode niet te onderwerpen, noch in Zijne wet, noch in Zijn Evangelie. Wij hebben reden te geloven, dat Stefanus nog zeer veel te zeggen had, en het gezegd zou hebben, indien zij het hem hadden toegelaten, maar het waren boze en onredelijke mensen, met wie hij te doen had, die evenmin rede konden horen, als zij met verstand of billijkheid konden spreken.