Genesis 17:23-27
Hier hebben wij Abrahams gehoorzamen aan de wet van de besnijdenis, hij zelf en geheel zijn gezin werden besneden, aldus het teken ontvangende van het verbond, en zich onderscheidende van andere gezinnen of geslachten, die geen deel en lot hadden in die zaak.
1. Het was een onbepaald, volstrekt gehoorzamen, hij deed wat God hem gezegd had zonder te vragen waarom of waartoe. Gods wil was voor hem niet slechts wet, maar ook reden, hij deed het omdat God het hem gebood.
2. Het was een snel gehoorzamen, op dezelfde dag, vers 23, 26. Oprechte gehoorzaamheid is niet traag, Psalm 119:60. Het is goed om, terwijl het gebod ons nog in de oren klinkt en het besef van plicht nog krachtig is, ons er terstond toe te begeven, opdat wij onszelf niet misleiden door het uit te stellen tot een meer gelegen tijd.
3. Het was een algemeen gehoorzamen, hij heeft niet zijn gezin besneden en zichzelf voor verontschuldigd gehouden, maar juist zelf het voorbeeld gegeven. Hij heeft ook de vertroosting van het zegel van het verbond niet voor zichzelf alleen gehouden, maar begeerd dat allen er met hem in zouden delen. Dit is een goed voorbeeld voor hoofden van huisgezinnen, zij en hun huis moeten de Heere dienen. Hoewel Gods verbond niet opgericht werd met Ismaël, werd hij toch besneden, want kinderen van gelovige ouders hebben, als zodanig, een recht op de voorrechten van de zichtbare kerk en op de zegels van het verbond, wat zij dan ook later blijken te zijn, Ismaël is gezegend en dus besneden.
4. Abraham deed dit, hoewel er veel tegen aangevoerd had kunnen worden, hij deed het hoewel de besnijdenis pijnlijk was, hoewel het voor volwassen mannen een gevoel van schaamte meebracht, en hoewel, terwijl zij nog in de smart er van waren en ongeschikt tot een handelend optreden, hun vijanden hiervan gebruik konden maken om hen te overvallen, zoals Simeon en Levi met de Sichemieten gedaan hebben, hoewel Abraham negen en negentig jaren oud was en reeds lang tevoren door God gerechtvaardigd en aangenomen was, hoewel zo'n vreemde zaak, Godsdienstig gedaan, hem door de Kanaänieten en de Ferezieten, die toen in het land woonden, tot smaad gerekend kon worden. Maar Gods gebod volstond om al die tegenwerpingen en bedenkingen tot zwijgen te brengen, wat God van ons eist moeten wij doen, niet te rade gaande met vlees en bloed.