Jozua 3:14-17
Hier hebben wij een kort en duidelijk bericht van de verdeling van de wateren van de Jordaan, en Israëls doortocht door deze rivier. Het verhaal is niet opgesmukt met de bloemen van de redekunst, goud behoeft niet verguld te worden, maar kort en eenvoudig deelt het ons het feit mede.
1. Dat deze rivier nu breder en dieper was dan zij gewoonlijk is op andere tijden van het jaar, vers 15. De oorzaak daarvan was het smelten van de sneeuw op de Libanon, dicht bij welk gebergte deze rivier haar oorsprong had, zodat in de tijd van de gersteoogst, die in de lente voorviel, de Jordaan al haar oevers overstroomde. Deze grote vloed juist in die tijd, (die Gods voorzienigheid voor ditmaal had kunnen weerhouden, of God had hun ook kunnen bevelen de stroom op een andere tijd van het jaar over te trekken) verheerlijkte groots de macht van God en Zijn goedheid jegens Israël. Het tegenstaan van de verlossing van Gods volk kan wel alle mogelijke voordelen aan zijn zijde hebben maar God kan en zal ze allen overwinnen. Laat de wateren van de Jordaan al haar oevers vol doen zijn zó vol dat zij overvloeien, het is voor de Almacht even gemakkelijk om ze te verdelen en ze uit te drogen, alsof zij nog zo smal of nog zo ondiep waren-voor de Heere is dit volkomen gelijk.
2. Dat zodra de voeten van de priesters in het uiterste des waters ingedoopt waren, de stroom onmiddellijk bleef stilstaan, alsof er een sluis gemaakt ware, om hem af te dammen, vers 15-16. Zodat aan de bovenzijde de wateren zwollen, op een hoop stonden, en terugvloeiden en zich, naar het schijnt toch niet verspreidden maar stolden. Dit onverklaarbare rijzen van de rivier werd met verbazing opgemerkt door hen, die vele vele mijlen verder aan de oevers woonden, en de herinnering er aan bleef lange tijd onder hen voortduren. Aan de andere zijde van die onzichtbare dam vloeide het water natuurlijk af, en liet de bodem van de rivier even ver afwaarts droog, als zij waarschijnlijk naar de bovenzijde zwol. Toen zij door de Rode Zee gingen, waren de wateren aan weerszijden een muur, hier slechts aan de rechterzijde. De God van de natuur kan, als het Hem behaagt, de loop van de natuur veranderen, haar eigenschappen wijzigen, kan vloeibare lichamen in vaste lichamen verkeren, wateren in staande rotsen, evenals van de anderen kant "de rotssteen in een watervloed, om Zijn eigen doeleinden tot stand te brengen". Zie Psalm 114:5, 8. Wat kan God niet doen? Wat zal Hij niet doen om de verlossing Zijn volks volkomen te maken? Soms klooft Hij de aarde met rivieren, Habakuk 3:9, en soms klooft Hij, zoals hier, de rivieren zonder aarde. Men kan zich gemakkelijk voorstellen hoe, toen de loop van deze sterke en snelle stroom plotseling gestuit werd, "de wateren bruisten en beroerd werden, zodat de bergen daverden door derzelver verheffing," Psalm 46:4, "hoe de rivieren haar bruisen verhieven, de rivieren haar aanstoting verhieven, terwijl de Heere in de hoogte geweldiger was dan het bruisen van grote wateren" Psalm 93:3, 4. Dienaangaande vraagt de profeet: "Was de Heere ontstoken tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee?" Habakuk 3:8. "Neen, Gij toogt uit tot verlossing van Uw volks," vers 13. In toespeling hierop is voorzegd dat, onder de grote dingen, die God in de laatste dagen doen zal voor de Evangeliekerk, de grote rivier Eufraat uitgedroogd zal wezen, opdat bereid zou worden de weg van de koningen, die van de opgang van de zon komen zullen, Openbaring 16:12. Als de tijd daar is voor Israels ingaan in het land van de belofte, zullen alle moeilijkheden worden overwonnen, "zullen bergen tot vlakke velden worden," Zacheria 4:7, en rivieren droog, opdat de verlosten des Heeren daar doorgaan. Als wij onze pelgrimstocht door deze woestijn volbracht hebben, dan zal de dood evenals deze Jordaan, tussen ons en het hemelse Kanaän wezen, maar de ark des verbonds heeft ons een weg er door heen bereid, het is de laatste vijand, die teniet gedaan zei worden. 3. Dat het volk overtrok tegenover Jericho, hetgeen:
a. Een bewijs was van hun stoutmoedigheid en een edel tarten van hun vijanden. Jericho was een van de sterkste steden, en toch durfden zij tegen haar optrekken.
b. Het was een aanmoediging voor hen om door de Jordaan te gaan, want Jericho was een schone stad, en het omliggende land uiterst lieflijk, dit nu, als het hun op het oog hebbende welke moeilijkheden zouden hen nu kunnen weerhouden om er bezit van te nemen?
c. Dat het de verwarring en schrik hunner vijanden zal vermeerderen, die ongetwijfeld hun bewegingen nauwkeurig hebben gadegeslagen, en de verbaasde toeschouwers zijn geweest van dit wonderwerk.
4. Dat de priesters steevast op het droge in het midden van de Jordaan stonden totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken, vers 17. Daar moest de ark blijven om te tonen dat dezelfde macht, die de wateren verdeeld had, ze verdeeld hield zolang dit nodig was, en indien de Goddelijke tegenwoordigheid, waarvan de ark het symbool was, hen niet had beveiligd, het water zou wedergekeerd zijn en hen hebben bedolven. Daar hadden de priesters bevel stil te blijven staan:
a. Om hun geloof te beproeven, of zij het wagen konden de post in te nemen, die God hun had aangewezen, met bergen van water boven hun hoofd, gelijk zij een stoutmoedige stap hadden gedaan, toen zij de eerste voet in de Jordaan gezet hebben, zo bleven zij nu stoutmoedig staan, toen zij het langst in de Jordaan verbleven, maar zij wisten dat zij hun bescherming met zich droegen. In tijden van gevaar moeten Evangeliedienaren voorbeelden zijn van moed en vertrouwen in de goedheid Gods.
b. Het was om het geloof aan te moedigen van het volk, opdat zij juichend Kanaän zouden binnentrekken, en "geen kwaad vrezen, neen zelfs niet in dit dal van de schaduwen des doods," (want dat is de verdeelde rivier geweest) verzekerd zijnde van Gods tegenwoordigheid, die zich stelde tussen hen en het grootste gevaar tussen hen en de stoute wateren, die anders over hun ziel zouden gegaan zijn. Aldus worden de heiligen in de grootste gevaren vertroost door Zijn stok en Zijn staf, Psalm 23:4.