Genesis 37:23-30
Wij hebben hier de voleinding van het complot tegen Jozef.
I. Zij trokken hem zijn kleed uit, ieder van hen er naar strevende om zich van de benijdde, veelkleurige rok meester te maken, vers 23. Aldus hebben zij hem, in hun verbeelding, verlaagd van zijn geboorterecht, waarvan dit kleed misschien het teken en zinnebeeld was, hem grievende, hun vader beledigende, en zich vermakende, terwijl zij hem honend toeriepen: "Waar is nu uw fraaie rok, Jozef?" Evenzo werd onze Heere Jezus Zijn rok zonder naad uitgetrokken, en zo zijn Zijn lijdende heiligen eerst vol ijver van hun voorrechten en hun eer beroofd, en toen tot uitschot van de wereld gemaakt.
II. Zij wilden hem aan de hongerdood prijsgeven, hem in een droge kuil werpende, om er van honger en kou om te komen, zó wreed waren hun onbarmhartigheden, vers 24. Waar nijd heerst is medelijden verbannen, en zelfs de menselijkheid vergeten, Spreuken 27:4. Zo vol van dodelijk gif is boosaardigheid, dat hoe barbaarser iets is, hoe meer het naar de zin is. Toen heeft Jozef in de benauwdheid van zijn ziel hen om genade gebeden, Hoofdstuk 42:21 hen smekende om zich tevreden te stellen met zijn rok, en zijn leven te sparen. Hij pleit op zijn onschuld, zijn verwantschap met hen, zijn genegenheid voor hen, zijn onderwerping, hij weent en smeekt, maar alles tevergeefs. Ruben alleen wordt vertederd, en treedt voor hem tussenbeide, Hoofdstuk 42:22. Maar hij is niet bij machte om Jozef uit de kuil te verlossen, waarin zij hem langzaam willen laten sterven, omdat hij er levend in begraven wordt. Is hij dit nu, voor wie zijn broeders zich moeten neerbuigen? De leidingen van Gods voorzienigheid schijnen dikwijls in tegenspraak met Zijn voornemens en bedoelingen, zelfs wanneer zij er dienstbaar aan zijn, en van verre tot de vervulling er van medewerken.
III. Zij minachtten hem in zijn benauwdheid, en bekommerden zich niet om de martelgang van Jozef, want terwijl hij daar wegkwijnde in de kuil en zijn droevig lot beweende, en met erbarmelijke kreten tot hen riep om medelijden, zaten zij neer om brood te eten, vers 25.
1. Zij voelden geen berouw, geen gewetenswroeging vanwege de zonde, indien zij die wèl voelden, zou hun eetlust er door bedorven zijn, zij zouden geen smaak hebben gehad in hun maaltijd. Als men het geweten verkracht, dan wordt het verdoofd, en voor het ogenblik van spraak en gevoel beroofd. Brutale zondaren zijn gerust, maar hoewel het geweten van Jozefs broeders thans sliep, zou het lang daarna toch ontwaken, Hoofdstuk 42:21.
2. Het was hen een genot nu te denken dat zij verlost waren van de vrees voor hun broeders heerschappij over hen, en het blaadje omgekeerd was, omdat hij zich nu in hun macht bevond. Zij maakten zich vrolijk over hem, zoals de vervolgers zich verblijdden over de twee profeten, die hen gepijnigd hadden, Openbaring 11:10. Zij, die Gods raad tegenstaan kunnen wel tot zover overheersen, dat zij denken hun doel bereikt te hebben, en toch bedrogen uitkomen.
IV. Zij verkochten hem. Een karavaan van kooplieden trok juist op het goede moment voorbij (Gods voorzienigheid had het zo beschikt) en Juda deed het voorstel om Jozef aan hen te verkopen, ten einde ver weg, naar Egypte, gevoerd te worden, waar hij naar alle waarschijnlijkheid ten gronde zou gaan, zodat men nooit meer van hem zou horen.
1. Juda deed dit voorstel uit medelijden met zijn broeder, vers 26. "Wat voor winst zal het geven als wij onze broeder doodslaan? Het zal een kleinere schuld voor ons zijn, en ons groter voordeel brengen, als wij hem verkopen." Als wij verzocht worden tot zonde, dan moeten wij eens nadenken over het onvoordelige er van voor ons. Het is iets, waar wij niets bij winnen.
2. Zij stemden er mee in, omdat zij dachten dat hij, als hij verkocht werd als slaaf, wel nooit een heer of bestuurder zou zijn, en naar Egypte verkocht zijnde, wel nooit hun heer zal zijn, toch heeft dit alles juist daartoe meegewerkt. "De grimmigheid van de mensen zal God loffelijk maken, en het overblijfsel der grimmigheid zal Hij opbinden," Psalm 76:11. Jozefs broeders werden er op wonderbare wijze van weerhouden hem te vermoorden, en hun verkopen van hem wordt even wonderbaarlijk gekeerd tot Gods lof. Gelijk Jozef voor twintig zilverlingen verkocht werd, op voorstel van Juda, zo is onze Heere Jezus verkocht voor dertig zilverlingen, en door iemand met dezelfde naam, Judas.
Ruben schijnt afwezig geweest te zijn van zijn broeders, toen zij Jozef verkochten, met het voornemen om langs een andere weg naar de kuil te gaan om Jozef er uit te helpen en hem veilig aan zijn vader terug te geven. Dit was een vriendelijk voornemen, maar indien het ten uitvoer was gebracht, wat zou er dan van Gods voornemen zijn geworden, om hem in Egypte te verhogen? Er zijn veel plannen in het hart van de mensen, veel plannen van de vijanden van Gods volk om hen te verdelgen, en van hun vrienden om hen te helpen, die wellicht beiden op niets uitlopen, zoals deze hier op niets uitliepen, maar de raad des Heeren zal bestaan. Ruben achtte zich verloren, omdat de jongeling verkocht was: ik, waar zal ik heengaan? vers 30. Omdat hij de oudste was zou zijn vader van hem rekenschap eisen, maar de uitkomst heeft bewezen, dat zij allen verloren zouden geweest zijn, indien hij niet verkocht was geworden.