Ezechiël 23:1-10
God had menigmaal tot Ezechiël, en door hem tot het volk gesproken, om aan te kondigen, dat Zijn oordeel aanstaande was, en nu komt Zijn woord weer. Want God zegt dezelfde zaak eenmaal, ja tweemaal, ja dikmaals, en toch nog zonder uitwerking, want de mens let er niet op. Zie, om zondaren van het kwaad van de zonde, van de ellende en het gevaar, waarin zij verkeren, te overtuigen, is nodig regel op regel, zo traag zijn wij om het ergst van ons zelf te erkennen. "De zondaren, van wie hier sprake is, zijn twee vrouwen, twee koninkrijken, zusterkoninkrijken, Israël en Juda, dochters van één moeder, die lange tijd slechts een volk geweest zijn". Salomo's koninkrijk was zo groot, zo bevolkt, dat het, onmiddellijk na zijn dood, in tweeën gedeeld werd.
Merk op
1. Hun aard, toen zij nog een waren, vers 3. Zij hoereerden in Egypte, want zij stonden schuldig aan afgoderij, gelijk we reeds lezen in Hoofdstuk 20:8. Deze zonden, die God bovenmate tot gramschap verwekken en des volks ondergang na zich slepen, worden met hoererij vergeleken, waaruit duidelijk blijkt, hoe ontzettend zondig, hoe beledigend, hoe verwoestend onreinheid is. Ongetwijfeld is het de ergste zonde, want de ergste andere zonden worden er hier en dikwijls op andere plaatsen mee vergeleken, hetgeen onze afschuw van en vrees voor allerlei vleselijke lust, alle schijn ervan zelfs, moet vermeerderen, als strijd voerende tegen de ziel, de zondaars verdwazende en betoverende, hun geest van God en van alle goed afkerende, hun geweten bevlekkende hen verwerpelijk makende in de ogen vaneen heilig en rein God, en ze ten laatste in verderf en ondergang verzwelgende.
2. Haar namen, toen zij twee werden, vers 4. Het koninkrijk van Israël wordt de oudste zuster genoemd, omdat zij het eerst haar trouw brak en zich afscheidde van het huis van koningen zowel als van priesteren, die God gesteld had, -de grotere zuster, ( zo luidt het letterlijk), want zij stelt de tien stammen van het koninkrijk voor, terwijl de andere slechts twee afbeeldt. God zegt van haar beide: Zij werden van Mij, want zij waren het zaad Abrahams, Gods vriend, en van Jakob, Zijn uitverkorene, zij waren in een verbond met God begrepen en droegen daarvan het zegel met zich om, namelijk de besnijdenis. Zij werden van Mij, en daarom was hun afval het grootste onrecht. Het was van God vervreemden wat Zijn eigendom was, het was de zwartste ondankbaarheid jegens de beste Weldoener, een bedrieglijke verraderlijke schending van de heiligste verbintenis. Zie, degenen, die beleden hebben Gods Volk te zijn maar tegen Hem zijn opgestaan, laden grotere verantwoordelijkheid op zich dan die noodt zo'n belijdenis uitspraken. "Zij werden van Mij, zij werden Mij getrouwd en baarden zonen en dochteren." Velen onder hen leefden tot Gods eer en dienden Hem, zij waren de kracht en schoonheid van deze koninkrijken, gelijk kinderen van de huisgezinnen, waarin zij geboren zijn. In deze gelijkenis zal Samaria en het rijk van Israël de naam van Ohola, haar eigen tabernakel dragen, omdat de plaatsen ter godsverering, die dat koninkrijk had, haar eigen maaksel, haar eigen keuze waren en die dienst zelf haar eigen vinding, nooit heeft God die goedgekeurd. Haar zelf een tabernakel, zo vertalen sommigen, laat ze zich ermee tevreden stellen en zo goed mogelijk ervan gebruik maken. Jeruzalem en het rijk van Juda dragen de naam "Oholiba, mijn tabernakel is in haar," omdat haar tempel de plaats was, door God zelf verkoren om Zijn Naam daar te doen wonen. Hij erkende die als Zijn eigen en vereerde allen met de tekenen van Zijn tegenwoordigheid. Zie, sommigen dergenen, die in betrekking tot God staan en Zijn naam belijden, hebben groter voorrechten dan anderen, zij, die deze voorrechten genieten, zijn daarom te minder te verontschuldigen, indien zij tegen God opstaan, terwijl de minder bevoorrechten ook minder schuldig staan.
3. De verraderlijke afval van het rijk van Israël van God, vers 5. Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij. Ofschoon de tien stammen van Davids huis waren afgevallen, erkent God ze nog als de Zijnen. Hoewel Jerobeam zondigde, toen hij de gouden kalveren oprichtte, en Israël deed zondigen, toch, zolang zij de God Israëls nog alleen vereerden, zij het ook met beeldendienst, sneed Hij hen niet geheel af. Maar de weg van de zonde gaat naar beneden. Ohola bedreef hoererij. toen zij de Baälsdienst invoerde, 1 Koningen 16:31, die anderen god diende, die drekgod, en JHWH de rug toekeerde, 1 Koningen 18:21, gelijk een vuile overspeelster op haar hoerenlopers verliefd is. En waarom? Omdat zij goed gekleed zijn en een goed voorkomen hebben, omdat zij jong en schoon zijn, vers 6, bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, allemaal gewenste jongelingen, edel en van aanzien. Zo werd zij verliefd op de Assyriërs, die nabij waren, die hun veroveringen tot nabij het land Kanaän hadden uitgestrekt. Zij bewonderde hun afgoden en aanbad ze, bewonderde de praal van hun hoven en hun militaire macht en zochten op iedere voorwaarde een verbond met hen te maken, alsof haar eigen God niet sterk genoeg ware om op Hem te vertrouwen. Wij lezen van een koning van Israël, dat hij de koning van Assyrië duizend talenten gaf, om hem voor zijn belangen te winnen, 2 Koningen 15:19. Zij werd verliefd op de keur van de kinderen van Assur, als waardig om vertrouwd en in de dienst van de staat gebruikt te worden, vers 7, en met alle hun drekgoden verontreinigde zij zicht Zie, als wij op welk schepsel ook verliefd worden, dat wij vereren en waarop wij ons vertrouwen zetten, dan maken wij van dat schepsel ons een afgod, en wanneer wij iets ten afgod maken, dan verontreinigen wij ons daarmee. En nu loopt haar zonde terug tot aan de aanvang van haar bestaan: zij verliet ook niet haar hoererijen, gebracht uit Egypte, vers 8. Dat zij in Egypte afgoderij gepleegd had, werd nimmer geheel door haar vergeten, verliefd op de Egyptische afgoden, zelfs toen zij in gestadige vreze verkeerde voor de Egyptische aandrijvers Maar (zoals sommigen bij deze plaats opmerken) daarom, toen "Satan zich beroemde, de aarde als zijn eigendom omgetrokken en doorwandeld te hebben", Job 1:7, zei God, om zijn aanmatiging te logenstraffen, niet: "Hebt gij gezien Mijn volk in Egypte (want zij waren afgodendienaren geworden en gaven geen aanleiding tot roem), maar: hebt gij gezien Mijn knecht Job in het land Uz?" En deze verdorven gezindheid, toen zij voor het eerst een volk werden, is een beeld van de algemene verdorvenheid, waarin wij allen geboren worden en die als in ons gestel geweven is, een sterke neiging naar de wereld en het vlees, gelijk die van de kinderen Israëls naar afgoderij. Het zat hun in het gebeente, en lang daarna werd het hun ten laste gelegd, dat zij ook haar hoererijen, gebracht uit Egypte, niet verlaten had zij had die natuur niet verloochend, hoewel Egypte een huis van de dienstbaarheid voor haar was geweest. Zo hebben wij de verdorven neigingen en genegenheden, die wij mee op de wereld brachten, niet verloren, niet afgezworen, maar behouden, zodat de zonde, waarin wij geboren zijn, de bron is gebleken van alle ellende, die het menselijk leven verbittert.
4. De verwoesting van het rijk Israël om zijn afval van God, vers 9, 10. Ik gaf haar in de hand harer hoerenlopers over. God gaf haar eerst naar recht over aan haar lust (Efraïm is vergezeld met de afgoden, laat hem varen), en daarna gaf Hij haar in de hand harer hoerenlopers. De naburige volken, naar welker afgoderij zij zich gevoegd had, en op welker vriendschap zij vertrouwd had, waardoor zij telkens God had gehoond, worden nu de werktuigen voor haar verderf. De Assyriërs, op wie zij verliefd was, ontdekten spoedig de naaktheid van het land, bemerkten haar zwakke zijde, waar ze haar konden aanvallen, ontroofden haar al haar versierselen en verdedigingsmiddelen, zij ontdekten haar schaamte, haar zonen en dochteren namen zij weg in ballingschap, doodden haar met het zwaard, verwoestten het rijk en maakten er een eind aan. Wij vinden deze geschiedenis in den brede in 2 Koningen 17:6 enz, waar de reden van de ondergang van dat eens bloeiende koninkrijk door de Assyriërs wordt aangetoond, te weten, dat het de God Israëls had veracht, andere goden gediend en gewandeld in de inzettingen van de heidenen. Daarom had God zich grotelijks over hen vertoornd en had ze weggedaan van Zijn aangezichte, vers 18. En dat de Assyriërs, op wie zij zo verliefd was geweest, zouden gebruikt worden, om gerichten over haar te oefenen, was hoogst merkwaardig en toont, hoe God, als rechtvaardig oordeel, dikwijls datgene als roede bezigt om zondaren te geselen, waarop zij juist hun hart gezet hebben. De duivel zal altijd die onboetvaardige zondaren kwellen en pijnigen, die nu naar hem luisteren en zich door hem laten verleiden. Zo kreeg Samaria een naam onder de vrouwen, een schandnaam, zij werd een naam (zo staat er letterlijk). Niet alleen werd zij het onderwerp van de dagelijkse gesprekken en ging overal over de tong, gelijk de ondergang van steden en koninkrijken de nieuwsbladen vullen, maar ze werd dus verwoest om haar afgoderijen in te voeren, om schrik in te boezemen aan al het volk, om niet desgelijks te doen. Zo is ook de openbare voltrekking van de doodsstraf aan beruchte misdadigers een middel om hun een naam te maken, maar een slechte naam, zo'n slechte naam dat anderen erdoor kunnen afgeschrikt worden van goddeloze wegen, die tot een dergelijk ellendig en schandelijk einde leiden. Deuteronomium 21:21 :Dat het geheel Israël hore en vreze.