Jesaja 5:1-7
Zie welk een verscheidenheid van methodes God te baat neemt om zondaren op te wekken tot bekering door hen van zonde te overtuigen, en hun hun ellende en hun gevaar te tonen, waarin zij er door gebracht worden, om dit doel te bereiken spreekt Hij soms in eenvoudige duidelijke bewoordingen, en soms in gelijkenissen, soms in proza, en dan weer in verzen, zoals hier. Wij hebben het beproefd, om met u te redeneren, Hoofdstuk 1:18, "laat ons nu uw zaak voorstellen in een gedicht, opgedragen aan mijn beminde." God de Vader dicteert het tot eer van Christus, Zijn geliefde Zoon, die Hij tot Heer van de wijngaard gesteld heeft. Ook de profeet zingt het tot eer van Christus, want Hij is zijn beminde. De oud-testamentische profeten waren vrienden van de bruidegom. Christus is Gods geliefde Zoon en onze beminde Zaligmaker, al wat er gezegd of gezongen wordt van de kerk, moet bedoeld zijn tot Zijn lof, zelfs datgene hetwelk (zoals dit hier) strekt tot onze schande. Deze gelijkenis is tot een lied gemaakt, opdat zij zoveel treffender zou zijn, des te meer het hart zou bewegen, des te gemakkelijker van buiten geleerd, en zoveel nauwkeuriger in het geheugen bewaard zou worden, en aan het nageslacht zou worden overgeleverd. En het is een verklaring van het lied van Mozes, Deuteronomium 32, aantonende dat hetgeen hij toen voorzegd heeft nu vervuld was. Hiëronymus zegt dat Christus, de welbeminde, in werkelijkheid dit treurig lied heeft gezongen, toen Hij Jeruzalem zag, en over haar weende, Lukas 19:41, en dat Hij er naar verwees in Zijn gelijkenis van de wijngaard, Mattheus 21:33, alleen was hier het gebrek in de wijngaard, en daar in de landlieden. Hier hebben wij:
I. De grote dingen, die God voor de Joodse kerk en natie gedaan had. Toen het overige deel van de wereld in diepe onkunde lag verzonken, als een woest veld was, dat door geen goddelijke openbaring was ontgonnen, was dit volk Zijn wijngaard, zij waren Zijn bijzonder volk, Hij erkende hen, zonderde hen voor zich af, het was een buitengewone grond, waarin zij geplant waren, het was een vette, dat is: een vruchtbare heuvel, een hoorn van een zoon van de olie, zegt de kanttekening. Er was overvloed, een hoorn des overvloeds, en er was lekkernij, zij aten er van het vette en dronken van het zoete, en zo hadden zij overvloed van het goede, om God te eren met brandoffers en vrijwillige offers. De voordelen en voorrechten van onze positie zullen eens in rekening gebracht worden. Merk voorts op wat God voor deze wijngaard gedaan heeft:
1. Hij heeft hem omtuind, nam hem onder Zijn bijzondere bescherming, hield er nacht en dag het oog op, opdat hem niemand zou beschadigen, Hoofdstuk 27:2, 3. Als zij niet zelf hun heiningen hadden nedergeworpen er zou geen vijandelijke inval in gedaan zijn Psalm 125:2, 121:4.
2. Hij heeft hem van stenen gezuiverd, gelijk niets van buiten hem moest schaden, zo moest er ook niets van binnen zijn vruchtbaarheid beletten of belemmeren. Hij bood Zijn genade aan om het stenen hart weg te nemen.
3. Hij beplantte hem met edele wijnstokken stelde een zuivere godsdienst onder hen in, gaf hun een allervoortreffelljkste wet, verordineerde inzettingen, die zeer geschikt waren om hun bekendheid met God te onderhouden, Jeremia 2:21.
4. Hij bouwde een toren in het midden ervan, hetzij ter bescherming tegen geweld, of ter woning van hen, die de wijngaard meesten bewerken, of liever, voor de eigenaar des wijngaards, om er in te zitten en de wijnstokken in ogenschouw te nemen, Hooglied 7:12, een zomerhuis. De tempel was deze toren, waaromheen de priesters woonden, en waar God beloofde Zijn volk te ontmoeten, en hun de tekenen gaf van Zijn tegenwoordigheid onder hen en Zijn welbehagen in hen.
5. Hij heeft er een wijnbak in uitgehouwen, heeft er Zijn altaar opgericht, op hetwelk de offeranden, als de vruchten van de wijngaard, gebracht moesten worden.
II. De teleurstelling van Zijn rechtmatige verwachtingen van hen, hij heeft verwacht dat hij goede druiven zou voortbrengen, en Hij had zeer goede redenen om dit te verwachten. God verwacht wijngaardvruchten van hen, die wijngaardvoorrechten genieten, niet slechts bladeren, zoals Markus 11:13. Een blote belijdenis helpt niet, al is zij ook nog zo groen er moet meer zijn dan knoppen en bloesems, goede voornemens en een goed beginnen zijn heel goed, maar het is niet genoeg, er moet vrucht wezen, een goed hart, en een goed leven, wijngaardvruchten, gedachten en neigingen, woorden en daden, overeenkomstig de Geest, die de vettigheid zijn van de wijngaard, Galaten 5:22, 23, overeenkomende met de inzettingen, die het bewerken zijn van de wijngaard, welbehaaglijk aan God, de Heer van de wijngaard, en vruchten op hun tijd. Zulke vruchten verwacht God van ons, druiven' de vruchten van de wijnstok, waarmee wij God en de mensen eren, Richteren 9:15, en Zijn verwachtingen zijn noch hoog noch onbillijk, maar rechtmatig en zeer redelijk. Maar zie nu hoe Hij in Zijn verwachtingen wordt teleurgesteld, hij bracht stinkende druiven voort, niet alleen in het geheel geen vruchten, maar slechte vruchten hetgeen erger is dan helemaal geen vruchten, druiven van de wijnstok van Sodom, Deuteronomium 32:32. Stinkende druiven zijn de vruchten van de verdorven natuur, vruchten van de wilde oningeënte boom, niet van de ingeënten tak, van de wortel van de bitterheid, Hebreeën 12:15. Waar genade niet werkt, daar zal het bederf werken. Stinkende druiven zijn geveinsde verrichtingen in de godsdienst, die er uitzien als druiven, maar zuur of bitter zijn, en zo weinig welbehaaglijk aan God, dat zij tergend voor Hem zijn, zoals hun offers, vermeld in Hoofdstuk 1:11.
III. Een beroep op henzelf of, over het geheel, God niet gerechtvaardigd en zij veroordeeld moeten worden, vers 3,4. En nu wordt de zaak duidelijk voorgesteld. Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en Mijn wijngaard. Hierin ligt opgesloten dat God onder hen gelaakt werd, er was een geschil tussen hen en Hem, maar het recht was zo duidelijk aan Zijn zijde, dat Hij de beslissing in dit geschil gerust aan hun eigen geweten kon overlaten. "Laat iemand uit de inwoners van Jeruzalem, een van de mannen van Juda, die nog in het bezit is van zijn verstand en enig besef heeft van billijkheid en recht, onpartijdig zijn gevoelen uitspreken over deze zaak." Hier wordt iedereen uitgedaagd om aan te tonen:
1. Een omstandigheid, waarin God jegens hen in gebreke was gebleven. Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Hij spreekt van de uitwendige middelen tot vruchtbaarheid, die van de wijngaardenier verwacht konden worden, maar van wie niet geëist werd dat hij de aard van de wijnstok zou veranderen. Wat had er meer gedaan moeten worden? Zo kan dit gelezen worden. Zij hadden alles wat vereist werd voor onderricht en leiding in het betrachten van hun plicht, om er hen toe op te wekken en aan te sporen en om er hen aan te herinneren, geen motieven ontbraken om hen er toe te bewegen, alle argumenten werden gebruikt, die geschikt waren om te werken, hetzij op hun hoop of hun vrees, en zij hadden alle gelegenheden, die zij konden begeren voor het volbrengen van hun plicht, de nieuwe maanden en de sabbatten, en de plechtige feestdagen, zij hadden de Schriften, de levende orakelen, een voortdurende bediening van de godsdienst in hun priesters en Levieten, behalve nog het buitengewone in de profeten. Geen volk had zulke rechtvaardige wetten en inzettingen als zij.
2. Er kon ook geen verontschuldiging ingebracht worden voor hen, dat zij aldus in tegenheid wandelden met God. "Welke reden kan er derhalve aangevoerd worden dat hij stinkende druiven zou voortbrengen, toen Ik naar goede druiven uitzag?" De goddeloosheid van hen die de godsdienst belijden en de middelen van de genade hebben, is de meest onredelijke, onbegrijpelijke zaak ter wereld, en de gehele schuld ervan moet op de zondaars gelegd worden, zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen, en geen woord hebben in te brengen in het oordeel van de grote dag. God zal bewijzen dat Zijn wegen recht zijn, en die van de zondaars onrecht zijn.
IV. Hun oordeel uitgesproken in een rechtvaardig vonnis over hen wegens hun slecht gedrag tegenover God, vers 5, 6. "Nu dan, daar niets ter verontschuldiging van de misdaad aangevoerd kan worden, zal Ik u zeggen wat Ik besloten heb om nu aan Mijn wijngaard te doen, Ik wil er niet meer door gekweld of verontrust worden, daar hij nergens toe deugen wil, zal hij nergens toe deugen, kortom, hij zal ophouden een wijngaard te zijn en in een woestenij verkeerd worden, de kerk van de Joden zal ontkerkt worden, dat is: de eigenschap van een kerk zal haar worden ontnomen, haar handvest zal worden ingetrokken, en zij zal lo-ammi worden, geen volk meer zijn." "Zij zullen niet langer onderscheiden worden als een bijzonder volk, Ik zal zijn omheining wegnemen, en dan zal hij spoedig worden verteerd, en even kaal worden als andere grond." Zij hebben zich vermengd met de volken, en daarom zijn zij rechtvaardig onder hen verstrooid geworden. Zij zullen niet langer beschermd worden als Gods volk, maar aan gevaar blootgesteld gelaten. God zal de muur niet alleen laten vervallen, maar hem afbreken, al hun bescherming en beschutting van hen wegnemen, en dan zullen zij een gemakkelijke prooi worden voor hun vijanden, die lang naar een gelegenheid hebben uitgezien om hun kwaad te doen, en hen nu met hun voeten zullen vertreden.
1. Zij zullen niet langer het aanzien hebben van een wijngaard, de vorm en de gestalte hebben van een kerk en gemenebest, maar verwoest worden en met de grond gelijk gemaakt. Dit is vervuld geworden, toen om hunnentwil Zion als een akker geploegd werd, Micha 3:12.
2. Er zal geen moeite meer aan hen gedaan worden door magistraten of leraren, de hoeders en verzorgers van hun wijngaard, hij zal niet meer gesnoeid en omgehakt worden, maar alles zal in het wilde groeien, en alleen doornen en distelen zullen erin gevonden worden, de voortbrengselen van de zonde en van de vloek, Genesis 3:18. Als dwaling en bederf, ondeugd en onzedelijkheid ongehinderd voortwoekeren, als niemand er tegen getuigt, niemand ze bestraft, niemand ze tegengaat, dan is de wijngaard onbesnoeid, niet behakt of bewerkt, en dan zal hij spoedig wezen als de wijngaard van de verstandeloze, geheel begroeid met doornen en distelen.
3. Wat de ellende volkomen maakt, is dat de dauw des hemels teruggehouden zijn worden Hij die de sleutel heeft van de wolken, zal ze gebieden dat zij geen regen daarop regenen, en dat alleen is al genoeg om hem in een woestenij te verkeren. In de weg van een rechtvaardig oordeel ontzegt God Zijn genade aan hen, die haar lang tevergeefs hebben ontvangen. Waar het alles op neerkomt, is dat zij, die geen goede vruchten wilden voortbrengen, er geen zullen voortbrengen. De vloek van de onvruchtbaarheid is de straf van de onvruchtbaarheid, zo als Markus 11:14. Dit is ten dele vervuld geworden in de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeën, en ten volle in de algehele verwerping van de Joden, en het wordt dikwijls vervuld in het wijken van Gods Geest van hen die Hem lang weerstaan hebben, en met Hem hebben gestreden en getwist, en het wegnemen van het evangelie van die plaatsen, die er gedurende lange tijd een smaad voor geweest zijn, terwijl het voor haar een eer was. Het is voor God geen verlies als de wijngaard in een woestenij wordt veranderd, want als het Hem behaagt kan Hij een woestijn in een vruchtbaar land veranderen, en als Hij aldus een wijngaard ontmantelt, dan is dit slechts wat Hij met de hof van Eden gedaan heeft, die, toen de mens door de zonde er zijn plaats in had verbeurd, spoedig aan de gewone grond gelijk was geworden.
V. De verklaring van de gelijkenis of de sleutel er toe, vers 7, waar ons gezegd wordt
1. Wat met de wijngaard bedoeld wordt: het is het huis Israëls, de massa des volks verenigd tot de kerk en gemenebest, en wat met de wijnstokken, de aangename planten, de planten van Gods welbehagen, waarin Hij zich had verlustigd, en waaraan Hij goed gedaan heeft: het zijn de mannen van Juda, met wie Hij genadiglijk had gehandeld, en van wie Hij dank en vergelding had verwacht.
2. Wat bedoeld wordt met de goede druiven, die verwacht werden. Hij heeft gewacht naar recht en gerechtigheid, dat het volk eerlijk en oprecht zou zijn in al zijn handelingen, dat de magistraten strikt zouden zijn in de bedeling van het recht, dit kon redelijkerwijs verwacht worden van een volk, dat zulke voortreffelijke wetten had en waaraan zulke uitnemende regelen van recht en gerechtigheid gegeven waren, Deuteronomium 4:8. Maar het was geheel anders, in plaats van recht was er de wreedheid van de verdrukkers, en in plaats van gerechtigheid was er het geroep van de verdrukten, alles werd gedaan door geraas en geweld, niet met billijkheid en naar het recht van de zaak. Het is treurig met een volk gesteld, als goddeloosheid de plaats overweldigd heeft van het recht, Prediker 3:16. Het is treurig gesteld met een ziel, als er in plaats van de goede druiven van ootmoed, zachtmoedigheid, geduld, liefde en verachting van de wereld, die God verwacht, de stinkende druiven zijn van hoogmoed, hartstocht, ontevredenheid, boosaardigheid en minachting van God, in plaats van de goede druiven van gebed en lofzegging, de stinkende druiven van vloeken en zweren, die een grote belediging zijn van God. Sommigen van de ouden passen dit toe op de Joden in de tijd van Christus, onder wie God uitzag naar gerechtigheid, en verwachtte dat zij Christus zouden ontvangen en aannemen, maar zie! een geroep, het geroep van: kruis hem! kruis hem!