Ezechiël 23:22-35
Jeruzalem staat getekend met de naam "Oholiba," want dat is ze, een valse verraadster jegens haar souvereine Heere, de God des hemels, Wiens vreze niet voor haar ogen is, zij wordt bewogen door de ingevingen des duivels, heeft haar trouw aan God gebroken, bedacht en volvoerd Zijn heerschappij af te schudden, heeft gemeenschap gezocht met Zijn vijanden en zich met hen verbonden, en, met versmading van Zijn kroon en waardigheid, gewaande goden gediend. Op deze beschuldiging heeft ze geantwoord: "Niet schuldig, ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld." Maar haar schuld wordt door ontegensprekelijke bewijzen duidelijk aan de dag gebracht, zij wordt overtuigd en kan niets aanvoeren ter verontschuldiging, opdat het oordeel afgewend worde. In deze verzen, derhalve, volgt haar vonnis.
I. Haar oude bondgenoten worden haar beulen, degenen, met wie zij gehoereerd heeft en die haar tot zonde verleid hebben, worden nu werktuigen om haar te straffen, vers 22 :"Ik zal uw ontuchtbedrijvers tegen u verwekken, namelijk de Chaldeën, die gij tevoren zo zeer bewonderde en zo zeer tot uw hulp begeerde", maar van wie uw ziel is afgetrokken en wier verbond gij verraderlijk gebroken hebt." Zij heten haar ontuchtbedrijvers, vers 22, en tevens, vers 28, degenen, die zij haar. Zie, het is niets ongewoons voor zondaars, dat hun liefde ras in haat verkeert, gelijk bij Ammon tegenover Thamar. Sterke en onredelijke hartstochten zijn vaak vol afkeer tegen personen en dingen, die zij even te voren vurig liefhadden. Zotten vallen in uitersten, maar wijzen overdenken een verandering eerst. En daarom, gelijk wij moeten blijde zijn en wenen als niet blij zijnde en niet wenende, zo moeten wij ook liefhebben, en haten als niet liefhebbende en niet hatende. "Ita ama tanquam osurus, liefhebben als iemand, die reden kan krijgen om een afkeer te hebben."
II. De uitvoering van het vonnis zal vreselijk zijn.
1. Haar vijanden zullen tot haar komen van rondom, vers 22, van de verschillende volken die het Chaldeeuwse leger vormden, vers 23 alle vorsten en overheden en vermaarde lieden, wier pracht en grootheid en schitterend aanzien hen beminnelijk maakten, toen zij als vrienden kwamen om Jeruzalem te verdedigen en te beschermen, maar te verschrikkelijker, toen zij naderden om haar trouweloosheid te straffen en het op niets minder dan haar verderf toeleiden.
a. Zij zullen komen met militaire macht, vers 24, met karren, wagenen en wielen, voorzien van al wat voor een legerkamp nodig is, wat wapens en ammunitie, met pek en zak met een groot leger, wel bewapend.
b. Zij zullen het recht aan hun zijde hebben: Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen (zij zullen met recht, zowel als met macht komen, om oorlog te voeren tegen de koning van Juda, omdat die trouweloos het verbond met hen heeft gebroken) en derhalve zullen die u richter naar hun rechten, niet alleen naar Gods recht als werktuigen van Zijn gerechtigheid, en u te vergelden wat gij Hem hebt misdaan, maar ook naar hun eigen recht, naar volkerenrecht, om u te tuchtigen voor uw verbondsbreuk.
c. Zij zullen die oorlog in woede en verbolgenheid voeren. Het is een strijd van de wraak, die zullen met u handelen uit haat, vers 29. Dit zal de straf te strenger maken, dat hun zwaarden in vergif gedompeld zijn. Gij haat hen, en zij zullen uit haat met u handelen. d. God zelf zal hen leiden, en Zijn gramschap zal met de hun gepaard gaan, vers 25 :En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, die zal dat vuur aanblazen, en dan zullen zij in grimmigheid met u handelen. Hoe hatelijk en hoe verwoed mensen ook met ons handelen, als wij God aan onze zijde hebben, kunnen zij ons niet wezenlijk schaden. Maar wanneer mensen in haat met ons handelen en God zet ze tegen ons op, wat zal dan van ons worden?
2. De enkele artikelen van het vonnis, hier over deze overspeelster geveld, zijn,
a. Dat al het hare zal weggenomen worden. De kleden en het sieraadtuig, waarmee zij getracht heeft, zich in de ogen van haar ontuchtbedrijvers beminnelijk te maken, zullen haar ontrukt worden, vers 26. Al die dingen, waarmee zij zich versierd had, zullen in de hand des vijands vallen: Zij zullen al uw arbeid wegnemen, al wat gij u door uw arbeid verworven hebt, zij zullen u naakt en bloot laten, vers 29. Beide, land en stad, zullen verarmen, en al hun welvaart zal verdwijnen.
b. Dat haar kinderen in ballingschap zullen gaan. Zij zullen uw zonen en uw dochteren wegnemen vers 25, en tot slaven maken, want zij zijn kinderen uwer hoererij, de waardigheden en voorrechten van Israëlieten onwaardig, Hosea 2:4.
c. Dat zij verminkt en mismaakt zal worden. Zij zullen uw neus en uw oren afnemen, u als een hoer tekenen en ze voor altijd afzichtelijk maken, vers 25. Dit beduidt de vele wreedheden van de Chaldeeuwse krijgslieden jegens de Joden, die in hun handen vallen en aan wie zij hun barbaarse woede koelen zouden. Sommigen vatten deze woorden als beeldspraak op, zij zien in de neus de koninklijke waardigheid en in de oren de priesterlijke.
d. Dat ze aan schande zal blootgesteld worden: Uw hoerenschaamte zal ontdekt worden, mitsgaders uw hoererij, vers 29. Wanneer een misdadiger gestraft wordt, haalt men al zijn misdaden op en stelt ze tot zijn schande in het licht, wat geheim was wordt dan geopenbaard, en wat vergeten was opnieuw in gedachtenis gebracht.
e. Dat zij geheel afgesneden en verwoest zal worden: Het laatste van u, van uw volk, dat door hongersnood en pestilentie gespaard is, zal door het zwaard vallen, en het laatste van uw huizen, dat niet omver gerammeid is zal door het vuur verteerd worden, vers 25. Zo zal het einde van Jeruzalem zijn.
III. Omdat zij in het spoor van Samaria's zonden gewandeld heeft, maar zij niets anders dan Samaria's lot verwachten. Bij het vellen van een oordeel sluit men zich bij vroegere oordelen aan. Zo doet ook God als Hij Jeruzalems vonnis strijkt: Gij hebt in de weg van uw zuster gewandeld, ondanks de vermaning die u gegeven was door de noodlottige uitkomst van haar handelingen. "Daarom zal Ik haar beker in uw hand geven, haar deel van ellende, de beker van Gods gramschap, die voor u zal zijn een beker van de verschrikking. Nu wordt,
1. Van deze beker gezegd, dat die diep en wijd is, en veel inhoudt, overvloed van goddelijke gramschap en overvloed van ellende, als vrucht dier gramschap. Het is een beker, als waarvan wij lezen in Jeremia 25:15, 16. De beker van Gods toorn bevat zeer veel, dat zullen zij ondervinden, op wier hand hij wordt gezet.
2. Zij zal zelf de droesem van deze beker moeten drinken, zoals van de goddelozen gezegd wordt, Psalm 75:8 "Alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken," niet omdat die zo smakelijk is, maar noodgedwongen, vers 34, gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult gij verbrijzelen, en uw borsten zult gij afrukken, uit wanhoop over de ontzettende bitterheid van deze beker, vol van de grimmigheid des Heeren, Jesaja 51:20, gelijk mensen soms in vertwijfeling zich het haar uitrukken en alles van zich werpen. Als gij ziet, dat er geen redding mogelijk is, maar de beker moet gedronken worden (want Ik heb het gesproken, zegt de Heere God) zult gij er op generlei wijze aan kunnen ontkomen.
3. Zij zal er door dronken gemaakt worden, en ten einde raad zijn, gelijk dronken lieden, waggelende en op het punt van te vallen, vers 33. Gij zult van dronkenschap en jammer vol worden. Zie, dronkenschap brengt jammer met zich, in zulke mate, dat de uiterste verwarring en verbazing er mee vergeleken worden. Wie zou denken, dat wat met de natuur des mensen zozeer in strijd is, zo'n schande voor hem, wat hem van zijn verstand berooft en hem uitermate verlaagt, en daarom uitdrukking geeft aan de grootste ellende, -desondanks zulk een gezochte zonde kan zijn, dat de mens om haar zijn ziel laat verdoemen en zijn lichaam opoffert? "Bij wie is ach? bij wie is wee? bij wie geklaag?" Spreuken 23:29.
4. Dus dronken gemaakt, zal zij worden gelijk dronkaards, tot belaching en spot van allen rondom, vers 32, door de dwaasheid van al wat gij dan doet, als God een volk verderven wil, "maakt Hij zijn rechters uitzinnig en giet verachting over de prinsen uit", Job 12:17, 21.
IV. In dit alles zal God gerechtvaardigd worden, en Zijn Volk hervormd, zo zal de uitkomst God verheerlijken en hun goed werken.
1. Zij zijn slecht, zeer slecht geweest, en dat rechtvaardigt God in alles wat Hij over hen brengt, vers 30 :Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoereerd hebt, en, vers 35, omdat gij Mij vergeten en Mij achter uw rug geworpen hebt. Zie, God vergeten en Hem niet achten, Zijn oog, dat op ons ziet, en Zijn gezag, dat ons wetten geeft, niet erkennen, ligt op de bodem van alle trouweloos en overspelig afkeren van Hem. Daarom wandelt de mens afgoden na, omdat hij God vergeet en zijn verplichting jegens Hem, hij kon niet met zo'n begeerte en wellust het lokaas van de zonde volgen, als hij niet eerst God achter zijn rug had geworpen, als niet waardig aangezien te worden. En degenen, die God zo diep beledigen, wat kunnen zij anders verwachten dan dat het hun ten laatste op hun hoofd zal gegeven worden? "Daarom zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen, dat is: gij zult de straf daarvoor ondergaan, en dat zal alleen uw schuld en schande zijn." Niemand zal lager zinken dan waar het gewicht van zijn eigen zonden hem brengt en wie zijn schandelijkheid en zijn hoererij niet wil laten varen, moet ze dan ook dragen.
2. Zij zullen beter, veel beter worden, en dit vuur, verterend voor velen, zal voor een overblijfsel een louterend vuur zijn, vers 27 :Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden. De oordelen, die om uw zonden wil over u gekomen zijn, zullen scheiding maken tussen u en uw zonden, en u tenslotte doen zeggen: Wat hebben wij nog met afgoden te doen?
Merk op.
a. Hoe ingekankerd de ziekte was: "Uw hoererij was gebracht uit Egypteland." Hun neiging tot afgoderij was oud, ja aangeboren, de daad zelf van oude datum en als een tweede natuur geworden. b. Hoe volledig, desondanks, de genezing was. "Ofschoon die wortel geschoten had, toch zal zij geheel ophouden, zodat gij uw ogen naar hen, dit is naar de afgoden van Egypte, niet meer zult opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken". Gij zult elke aanleiding en gelegenheid tot deze zonde vermijden, want gij zult uw ogen op geen afgod meer slaan, opdat niet uw hert hen onwillekeurig nawandele. Gij zult alle neiging daartoe laten varen: Gij zult aan Egypte niet meer gedenken, u zal alle lust tot afgoderij vergaan, waartoe gij van uw jeugd af aan zo'n voorliefde hadt. In het diensthuis van Egypte voerde uw zondige natuur u daartoe, maar in de Babylonische ballingschap zal Gods genade u als de vrucht daarvan, van die neiging ganselijk verlossen, de zonde, zelfs die zonde zal weggenomen worden. Gelijk, voorde ballingschap geen volk (alles wel beschouwd) meer op afgoden en afgoderij verzot was dan gij, zo zal, na de ballingschap geen volk een zo hartgrondiger afkeer hebben van afgoden en afgoderij, zodat niets de Joden zo sterk tegen het Christendom zal innemen als juist de beeldendienst in de Roomse kerk.